Throne of Blood

Op dinsdag 16 mei treden Loek Zonneveld, Gawie Keyser en Theodor Holman op in het cinema-literaire programma De canon van de boekverfilming ter gelegenheid van het vertonen van Akira Kurosawa’s klassieke Shakespeare-verfilming Throne of Blood op groot doek in het OBA Theater te Amsterdam.

Medium 014 throne of blood theredlist

Voor de movie brats, een groep regisseurs die in de jaren zeventig zorgde voor een gouden tijdperk in de Amerikaanse cinema, was hij een god: Akira Kurosawa, de Japanse regisseur van klassiekers als Seven Samurai, Rashomon en Yojimbo. De brats verwoordden hun bewondering als volgt: Kurosawa was de Shakespeare van beelden (Steven Spielberg); zijn invloed was onvergelijkbaar (Martin Scorsese), en geen van zijn werken is middelmatig, van hem kregen we uitsluitend excellente films naast de talloze meesterwerken (Francis Ford Coppola).
Deze bewieroking blijft opvallend. Hoe was het mogelijk dat Kurosawa in het Westen op handen werd gedragen terwijl hij op dat moment in Japan juist uit de gratie viel bij zowel pers als publiek? Waarom werden juist Amerikaanse filmmakers, die het commerciële aspect van cinema eind jaren zeventig toenemend omarmden, de grootste pleitbezorgers van de meester uit Japan?

Relevanter voor nu: wat is het belang van Kurosawa in het licht van de herwaardering van andere Japanse meesters zoals Yasujiro Ozu, Kenji Mizoguchi en Mikio Naruse, die in Europa en Amerika in de laatste jaren regelmatig het onderwerp van retrospectieven zijn?
Anders dan de slow cinema van Ozu, Mizoguchi of Naruse zijn de beste films van Kurosawa een explosie van licht en beweging. Over Throne of Blood (1957), naar Macbeth, schreef het vakblad Variety destijds dat de film laat zien hoe het medium een instrument kan zijn om de zenuwen, emoties en zintuigen van de kijker te prikkelen. Deze lezing dekt de lading; ze keert herhaaldelijk terug in westerse besprekingen. In de wijze waarop hij de elementen van film gebruikt om gevoel bij de kijker op te wekken, staat Kurosawa naast grootheden als Sergei Eisenstein als gaat om het ‘uitvinden’ van de visuele taal van cinema.

En toch is er een ding dat Kurosawa met zijn meer ingetogen Japanse collega’s gemeen heeft, en dat is de menselijkheid die in al zijn films centraal staat. Bij hem zijn de ‘grote vragen’ constant in het spel: wat beweegt mensen, hoe reageren mensen op anderen, op ontwikkelingen in de wereld? Wat zijn de morele gevolgen van menselijke handelingen? Hoe gaan we om met wat we liever niet willen weten over zoiets als hoe het kwaad zich precies in gewone mensen wortelt.
In het licht hiervan was het haast onafwendbaar dat de Japanse meester Shakespeare zou verfilmen. Dat deed hij drie keer, met spectaculaire resultaten: The Bad Sleep Well (1960), een losse bewerking van Hamlet, met een woedend spelende Toshiro Mifune in de rol van een zakenman die de gedwongen zelfmoord van zijn vader wreekt; Ran (1985), een historisch epos, briljant in kleur gefotografeerd, gebaseerd op King Lear, en Throne of Blood (1957) dat allerwegen wordt beschouwd als de beste Shakespeare-verfilming ooit.

De titel van Kurosawa’s versie van de Schotse tragedie was eerst Castle of the Spider’s Web of kortweg Cobweb Castle, wat een goede indicatie biedt van de gothic-stijl van de film. Kurosawa had eerder plannen om het stuk te verfilmen, maar zag ervan af toen Orson Welles eind jaren veertig met een eveneens duistere, expressionistische Macbeth kwam. De film die Kurosawa uiteindelijk maakte, overtreft die van Welles. Throne of Blood werkt als een studie van de waanzin waarin mensen terechtkomen wanneer de verleiding van macht onweerstaanbaar wordt. De film heeft veel weg van een nachtmerrie: je doet iets wat niet kan en dan volgt de horror van het besef dat er geen weg terug meer is. De hysterie die dit paradoxale gevoel van machteloosheid losmaakt, is voelbaar in iedere minuut van de film.
Zelden in zijn carrière speelde Mifune beter dan in Throne of Blood. Hij is Washizu, (Macbeth) een krijgsheer die de macht grijpt nadat een geest had voorspeld dat hij voor grote dingen in het leven weggelegd was. Hiertoe wordt hij geholpen door zijn echtgenote Asaji (Isuzu Yamada), een vrouw die zich later ontpopt tot een femme fatale die haar weerga nauwelijks kent in westerse voorstellingen van Macbeth. Hoe ze eruitziet, hoe ze loopt, praat, kijkt – het is allemaal unheimisch, alsof het kwaad in haar een bovennatuurlijke kwaliteit heeft.
En Macbeth zelf – zijn dood komt in een legendarische scène. Kurosawa liet namelijk echte pijlen op Mifune afschieten. Onder zijn kostuum droeg hij weliswaar een dikke laag bescherming van karton, maar dat maakt het hele tafereel niet minder bizar. De acteur vertelde later dat hij letterlijk voor zijn leven moest vechten tijdens het draaien van de scène en dat zijn angst derhalve niet gespeeld was.

Throne of Blood, naar verluidt de favoriete film van de Britse dichter T.S. Eliot, is hét bewijs dat Kurosawa een van de grootste cineasten ooit was. Goed beschouwd was het niet verwonderlijk dat zijn Amerikaanse collega’s hem in de jaren zeventig op handen droegen, terwijl hij in Japan steeds minder gewaardeerd werd (wat in 1971 tot een zelfmoordpoging leidde). Wat de movie brats in hem zagen raakt aan precies datgene wat het werk van Kurosawa tijdloos maakt: verhalen gemaakt met beelden die onvergetelijk zijn wanneer je ze eenmaal hebt gezien.

Throne of Blood (1957) van Akira Kurosawa draait op 16 mei in het OBA Theater te Amsterdam in het kader van het cinema-literaire programma De canon van de boekverfilming, met Loek Zonneveld en Gawie Keyser, onder leiding van Theodor Holman. Zie voor meer informatie en kaartverkoop.