Nominatie Anil Ramdas Essayprijs

Thuisblijven

Wat betekent het wanneer jouw thuis aan de andere kant van het hek ligt? In dit essay, dat werd genomineerd voor de Anil Ramdas Essayprijs, beschrijft Daniël Korving de Vinex-wijk van zijn jeugd en waarom stemmen op de PVV daar een vorm van wraak kon zijn op de chique mensen met hun koophuis.

James Higson, drooggevallen vissersschip op het strand bij Scheveningen, 1904. © Rijksmuseum

‘Vroeger, heel vroeger, waren wij allemaal vissers in Scheveningen. Om het dorp te beschermen hadden de Scheveningers er een hek omheen gebouwd: dit is ons thuis en wij leven hier van de visvangst. De mannen gingen toen de zee op en kwamen met netten vol haring, schol en spiering terug de kade op. Helaas zat er vaak een zooitje kwallen in die netten, wat onverkoopbare ballast betekende: een ramp voor mensen die niks te makken hadden. De haring en alle andere eetbare vis, dat verkocht wel, en dat ging dan ook de markt op. Maar wat te doen met al die kilo’s kwallen? Nou, die gooiden we over dat hek heen, en daar is later Den Haag uit voortgekomen.’

Mijn opa vertelde me dit verhaal jaren geleden en sindsdien zit het in mijn lichaam verankerd. Mijn opa is visser, timmerman, en politieagent geweest en heeft ooit in de vroege uurtjes in een bruine kroeg zelf een tattoo op zijn hand gezet van een anker. Als zo’n opa je een verhaal vertelt over waar je vandaan komt, dan luister je met natte ogen.

Mijn ogen waren nog net zo nat toen ik een paar weken geleden naast hem op de bank zat en we ons in fotoalbums verloren. De Duitsers hadden hem uit Scheveningen gedwongen, Sperrgebiet, maar na de oorlog lonkte zijn thuis aan de zee toch weer en is zijn gezin terug naar de kust verhuisd. Hij woont nu op een stukje duin in een seniorenflat met uitzicht op het water en al van kinds af aan pakten we de verrekijker om de zee in te kijken.

Voor veel van mijn voorouders is dat het laatste thuis geweest. Met stamboomonderzoek zijn we nooit ver gekomen omdat alle mannen ‘op zee zijn gebleven’ en de vissers ook niet veel documentatie achterlieten. Moeders met kinderen lieten ze daarentegen genoeg achter, daarvan getuigt ook nog steeds de moedige vrouw die voor altijd vanaf de boulevard naar de zee uitkijkt om haar geliefde op te wachten, de Vissersvrouw van Scheveningen. Aan de kust is thuisblijven nooit hetzelfde geweest als thuiskomen.

Misschien onterecht, maar mijn opa voelt dat zijn thuis verandert. Die Haagse kwallen, die komen nu vanaf de andere kant de Scheveningse kust opzoeken. Grootse plannen, hotels, wolkenkrabbers, winkelcentra. De betonnen moderniteit kruipt naar de kust toe. Hij wees naar een duin verderop en zei dat daar een gigantisch hotel gebouwd gaat worden. ‘Vastgoedmaffia’, zegt mijn opa stellig. ‘Een of andere ambtenaar sluit gewoon weer ergens een dealtje met zo’n schimmige aannemer en wij hebben het maar te slikken.’ We lachten er maar om en ik dacht: hadden die Scheveningers dat hek nou maar overeind gehouden.

Het verhaaltje over die vissende Scheveningers zit voornamelijk in mij verankerd omdat het voor mij altijd het ‘oerverhaal’ is geweest van alle verhalen over een eigen thuis. Het voldoet aan drie basisingrediënten waarmee alle ‘thuisrecepten’ gekookt kunnen worden: een locatie, een specifieke identiteit en een fysieke en morele grens met een tikkeltje superioriteitsgevoel: het hek, een binnen en een buiten, een wij en een zij. Overal ter wereld, aan alle kusten, duinen en stranden en in alle dorpen en steden vertellen mensen verhalen door om hun eigenwaarde aan te ontlenen en elkaar morele grenzen te overleveren.

Het is vreemd en tragisch om te merken dat hoe kwader de buitenwereld geschetst wordt, hoe behaaglijker het thuis lijkt te voelen. Het feit dat uit Den Haag de kwallen gegroeid waren, en wij Scheveningers overduidelijk daar boven stonden, maakte Scheveningen toch net iets warmer in mijn beleving.

Het oorsprongsverhaal van mijn opa vertelt volgens mij dan ook nog een diepere waarheid. Thuis zijn is niet alleen een plek om knus tegen de kachel te zitten. Thuis is meer dan eens de plek waar het masker af kan en de tranen achter de deur kunnen vloeien. Het is voor velen ook de plek van waaruit de verdedigingsstrategie beraamd wordt. Daar, zonder de blik van de ander, kan vanachter de vestingmuren gehergroepeerd worden na afmattende werkweken, na ruzies. Daar worden de wonden gelikt van de vernederingen van de onafgemaakte gevechten tegen krachten groter dan onszelf.

Thuis is ook de plek van waaruit de verdedigingsstrategie beraamd wordt

Toen ik in een van Nederlands vele Vinexwijken opgroeide wist ik zeker dat de wereld uit twee soorten mensen bestond. Of je bent rijk geboren, of je bent een oplichter. De buren rechts hielden een illegale kinderopvang in hun tuin. De buren links en links daarvan lichten met steeds grotere vindingrijkheid de verzekeringen op, werkten zwart, of handelden in allerlei zaakjes, desnoods in gestolen badkuipen uit de nog niet afgeleverde woningen. Als piece de resistance hebben de schuren van het halve woningblok vol gestaan met wasmachines die weet ik veel naar welk land in Oost-Europa verhandeld werden.

Vragen stellen doe je niet snel als je weet dat je moeder de huur niet kan betalen en bovendien vond ik het toen niet eens heel raar. Hoezo zou de wereld niet bestaan uit overlevingstactieken? Als mensen hun complete capaciteit nodig hebben om het hoofd boven water te houden, waarom zou dit dan gek zijn? En verandert dat dan als je een diploma hebt, of verandert alleen het instrumentarium?

Het was voor mij de gewoonste zaak van de wereld om je zo hard en ‘mannelijk’ mogelijk op te stellen om je thuis te beschermen, omdat ik niet het gevoel had dat er daadwerkelijk een ander bestaan was op te bouwen. Daaronder viel ook dat je je per definitie afkeerde van ‘elitaire’ zaakjes, misschien wel omdat die zaakjes zich al eerder van mij afkeerden.

Dat was althans wel hoe ik mijn middelbare school soms ervoer, waar ik thuis moest blijven terwijl mijn klasgenoten op ski-reis gingen. Of op Romereis. Of op Trier-reis. Of nog een keer op ski-reis. Terwijl mijn vrienden hun eerste dronkenschap beleefden in een herberg, zat ik een week in de mediatheek ‘omdat het wel gewoon onder studie uren valt’.

Bourdieu stelde in zijn Reproduction in Education, Society and Culture dat de voornaamste functie van het onderwijs de culturele reproductie van de cultuur van de heersende klasse is. De bestaande orde reproduceert haar machtsrelaties door middel van de differentiatie in het onderwijs, aldus Bourdieu.

Dat ik als thuisblijver niet de wereld kon zien op de manier dat mijn vrienden die konden zien, wiens ouders de middelen wel hadden om dat te faciliteren, drukte me op jonge leeftijd al met m’n neus op de feiten. Mij werd het al snel duidelijk dat als je geen geld hebt, je geen toegang hebt tot die heersende cultuur. De bagage die de pubers terugnemen van de zoveelste ski-reis vertaalt zich naar een cultureel kapitaal (‘smaakgevoel’) dat hen een instrument geeft zich als sociale categorie te onderscheiden.

Later zal dat culturele kapitaal, waarvan de verschillende wisselkoersen dus al in het middelbaar onderwijs in omloop gebracht worden, het superioriteitsgevoel verschaffen waarmee de elite haar positie in de maatschappij legitimeert. Het type superioriteitsgevoel dat ik, toen ik ging studeren, de binnenstadbewoner zag etaleren als die zich graag op de borst klopte dat ze hoogopgeleid genoeg waren om de werkelijke realiteit te zien zoals zij is, omdat ze zoveel van de wereld gezien hebben, in tegenstelling tot de woede van ‘de dommen’.

Als ‘open staan’ voor de wereld een kenmerk van een bevoorrechte klasse wordt, wat rest de overheerste klasse dan? Als die kosmopolitische smaak een onderdeel wordt van een tegenaanval op onvrede, is dat dan niet wat Bourdieu symbolisch geweld noemde? Het inzetten van cultureel kapitaal van de dominante klasse, met al haar specifieke waarden en klasse-gebonden kennis, ter legitimering van de status quo?

Mij werd het al snel duidelijk dat als je geen geld hebt, je geen toegang hebt tot die heersende cultuur

Is deze tweedeling niet overal waar te nemen? Bijvoorbeeld in de constante verandering van waardepatronen in ons consumptiegedrag? Zaken die eerst tot de culturele bagage van de elite hoorden worden zodra het binnen het bereik van de onderklasse ligt als minderwaardig gezien. Nu de onderklasse óók toegang heeft gekregen tot goedkope vliegtickets naar Turkije is vliegen alleen niet superieur genoeg meer, maar is het vliegen zelfs een vulgaire zonde geworden en ontdaan van de symboliek die zij zojuist nog genoot.

‘De hel, dat zijn de anderen’, schreef Sartre ooit. De schaamte die wij dagelijks voelen komt niet door de Bijbelse erfzonde, niet omdat wij als naakte stervelingen het paradijs verlaten hebben, het komt door de realisatie dat we onvermijdelijk gevangen zitten in de blik van de ander. Er is geen duivel, geen alziend oog, geen God: het is de andere mens die ons leven hier op aarde tot een hel kan maken. En als wij altijd beoordeeld worden op onze buitenkant, en dat ons altijd in een verwarrende schaamte stort, is dan het enige dat ons rest de ander ook te beoordelen?

Als ik ben wat ik denk dat jij denkt dat ik ben, hoe zit dat dan als ik thuis zit, met niemand om te bedenken hoe ik ben? Misschien vergat Sartre dat we die andere mens dan gewoon zelf scheppen, om het beeld van onszelf in stand te houden, als een imaginaire tegendruk die onze levensplant ervan weerhoudt voorover te knakken. Omdat we misschien, alleen zittend tussen onze muren, beseffen dat die plant op knakken staat.

Het is niet zo dat men altijd ‘de ander’ zijn thuis weigert uit angst, het is eerder zo, vrees ik, dat we onbewust die ander gevaarlijker maken dan hij is om ons eigen onmacht te maskeren. Hoe verzonnen onze schaamte en ‘de ander’ ook zijn, ons thuis kunnen we voor de ander vrij doelbewust onprettig willen maken. Maar hoe verhoudt dat thuis zich tot de ander, als die plots in je deuropening staat?

Ik heb lange tijd de huisdeur als mijn grootste vijand gezien: het was het doorgeefluik van de vijand. Via dit luik drong de buitenwereld zich binnen met papieren geweld. Geruisloos zweven de enveloppen en de nota’s naar beneden,
maar oorverdovend vallen zij neer.

Op een dag stond een buurman in diezelfde deuropening, een buurman die we doorgaans eigenlijk nooit spraken. Misschien omdat hij een koophuis had, misschien omdat hij net een paar deuren te ver woonde. Hoe dan ook, die keer was meteen de laatste keer.

Hij kwam om iets te bespreken over de buurt, iets kleins, maar het gesprek liep al snel over op de aankomende verkiezingen. ‘Wat gaan jullie stemmen’? vroeg hij nieuwsgierig.

Ik stond achter mijn moeder in de gang, toen ze zei: PVV. Ik had nog lang geen stemrecht, maar stemde er mee in want voor mijn gevoel deed dat er niet toe. Plotseling werd er een onzichtbaar gordijn opgetrokken in de gang. Een onaanraakbaar filter dat tussen de deuropening en de woonkamer in kwam te staan dat duidelijk tot effect had dat de buurman zich niet tot ons mocht komen rekenen, al helemaal niet toen hij nog stamelde dat hij D66 zou stemmen. ‘Maar de PVV?’ stotterde hij bijna, ‘Die hebben toch helemaal geen concrete verbeteringsplannen joh?’

Het ‘aanroepen’ van de PVV was voor ons een vorm van symbolisch geweld

‘Kan me niet schelen’, zei mijn moeder, en ik stond pal achter haar. ‘Hij spreekt gewoon de waarheid, het kan zo niet meer verder’.

Hij schrok zichtbaar en ik denk dat dat eigenlijk de bedoeling was. Bam. hier. Wie denk jij wel niet dat je bent? Met je koophuis. En je overhemd. En je haar. Was dit onze lang gekoesterde wraak, als thuisblijvers? Hier was onze vis, en de buurman stond aan de verkeerde kant van het hek. Mensen kunnen er een merkwaardig genoegen in scheppen schuldig te zijn, als ze denken dat ze toch niets meer te verliezen hebben.

Eén keer in haar hele leven is mijn moeder de straat op gegaan voor een politieke demonstratie. Eén keer maar. Al jaren is ze door een niet meer te bevatten opeenstapeling van chronische ziekten gebonden aan haar trouwe scootmobiel. Een uur lang reed ze op dat gammele ding, haar ‘gochomobiel’ zoals ze het ding zelf altijd gekscherend noemt. Een uur is lang voor iemand die na het kwartiertje heen en weer naar de supermarkt ‘s avonds op de bank ligt van de rug- en spierpijn.

Zo trok ze in 2013 naar Wilders op het Malieveld in Den Haag, richting haar thuis, de Schilderswijk. Van neonazi’s had zij niks gezien. ‘Er waren gewoon mensen zoals ik’, zei ze beledigd. En dat Rutte ‘Nederland leegplundert’ was het voornaamste gevoel dat haar naar het Malieveld trok. Het is merkwaardig waarom mensen als mijn moeder plotseling wel hun huis weten te verlaten om zich voor het allereerst politiek actief te identificeren met zulk rechts geleuter, terwijl het volgens iedere klassieke sociologische analyse tegen haar eigenbelang in is om te stemmen op partijen met vrijemarktfetishen.

Ik denk dat het met rationeel afgewogen eigenbelang weinig te maken heeft. Voor mijn moeder was de aantrekkingskracht van het zeggen dat je op de PVV stemt, denk ik, dat het iets ‘schuldigs’ is in de ogen van mensen wier status zij nooit kon bereiken. Het ‘aanroepen’ van de PVV was voor ons een vorm van symbolisch geweld waarmee nu eens de man met het koophuis voor lul gezet kon worden. Het hoofddoelwit van mensen als zij die op Wilders stemmen is niet de islam, gok ik, maar het kwellen van de elite. Dat de D66-buurman daar in onze deuropening zo prachtig in de kramp schoot, was het bewijs dat er weinig beters bestaat om het verschil aan te zetten tussen hem en ons. Er bestaat wel een culture war , maar die speelt zich af langs andere assen dan doorgaans aangenomen wordt.

Op de electorale kaart van de verkiezingen van 2017 doen de stipjes onschuldig aan, nuchtere statistische weergaven van een electorale uitslag. Maar achter de gekleurde balletjes gaat een wereld van wrok en versplintering schuil. De GroenLinksige binnensteden verschansen zich achter de buitenste grachten tegen PVV-gemeenten die als een staat van beleg om binnensteden heen liggen gevouwen. Als een broeiende deken ligt de ontheemding om de binnensteden heen en zij heet Ypenburg, of Loosduinen, of Vreewijk, of Tuindorp, enzovoorts. Of er wordt thuisgebleven, of er wordt rechts gestemd.

De lucht van deze buitenwijken is zwanger van ontelbaar politiek falen. Terwijl de van oudsher klassieke thema’s van de linkse agitatie tot de dagelijkse ellende behoren van het precariaat, sluimerende armoede, economische onzekerheid, de onmacht van het individu tegen vernederende corporaties, uitbuiting, racisme vertaalt dat zich geenszins tot een linkse stem.

Met nationalistische retoriek wordt door rechtse politici het verleden verheerlijkt en wordt de nostalgie gebruikt om de samenleving hier en nu te splijten. Die nostalgische dweepzucht wordt vaak afgedaan als een ongezonde hang naar een verleden dat nooit bestaan heeft, als een greep in de geschiedenis die hoogstens een hol politiek doel dient. Maar op lokaal niveau zijn er wel degelijk gemeenschappen verdwenen. Ooit woonden deze ‘buitenstedelingen’ in de binnenstad, in Den Haag in de Schilderswijk bijvoorbeeld.

Is er ooit oog voor de fysieke verplaatsing van mensen, en de manieren waarop zij al dan niet vrijwillig verdreven worden door pandjesbazen, huurprijsstijgingen, sloopwerkzaamheden en ‘renovaties’? Mijn hele buurt, inclusief mijn familie, bestond uit mensen die uit de binnenstad van Den Haag afkomstig waren en langzaam naar buiten zijn verhuisd. Mijn hele buurt, inclusief mijn familie, gaf immigranten de schuld van het ‘verliezen’ van hun thuis.

Inmiddels heb ik dat allemaal achter me gelaten, en mijn moeder trouwens ook. Ook ligt de Scheveningse tongval dichter bij mijn hart dan de Scheveningse kust, maar de verbondenheid met dat stukje thuis zal voor altijd in mijn lichaam zitten. Ik zie ook dat het bouwen van hekken niet stopt en zie zelfs dat de machtigste man op aarde een hek wil bouwen om een thuis te beschermen. Zo te zien is dat verhaal van mijn opa dus toch nog springlevend, maar dan een stuk minder behaaglijk dan ik het me herinner. Wel denk ik dat er genoeg kwallen rondlopen, en nog steeds blijf ik me afvragen of mijn grootvaders grootvaders die misschien niet beter terug hadden kunnen gooien.


Dit is een van de vier genomineerde essays voor de Anil Ramdas Essayprijs. Het winnende essay is gepubliceerd in het weekblad. De komende dagen worden ook de andere genomineerde essays gepubliceerd.