Tibet daalt neer

ZENUWACHTIG dribbelt de assistente van Boeddhistisch Centrum Shambhala rond op de tweede verdieping van de Keizersgrachtkerk. Het is een regenachtige herfstavond en de kerk zit tot de nok toe vol vanwege het eerste bezoek aan Nederland van Z.H. Penor Rinpoche, leider van een van de vier grote scholen van het Tibetaans boeddhisme. Hij wordt door zijn aanhang omschreven als ‘de belichaming van grenzeloos mededogen’.

De sfeer doet denken aan een Sinterklaasavond. Maar de helpster, gekleed in uniform met stropdas, is er niet gerust op. Ze wijst de zittende bezoekers op de troon van grote, rijkelijk met swastika’s bestikte kussens die beneden voor Zijne Heiligheid klaarstaat. ‘Het is eigenlijk niet gebruikelijk om boven een man als Rinpoche te zitten’, legt ze uit. 'Zeker niet direct boven hem. U zult toch echt wat naar achteren moeten.’
De bezoekers putten zich uit in excuses en lopen gedwee naar een minder heiligschennende locatie in het kerkgebouw. Dan grijpt het kwartet jonge Tibetaanse monniken dat naast het spreekgestoelte heeft plaatsgenomen naar hun blaasinstrumenten. Onder luid hoorngeschal treedt de 65-jarige Penor Rinpoche de Keizersgrachtkerk binnen.
Penor Rinpoche ('Rinpoche’ staat voor zoiets als 'eerwaarde’) is hoofd van de Nyingma-traditie in Tibet, de oudste leerschool van het boeddhisme in het Himalayaanse hoogland. Op driejarige leeftijd werd de eerwaarde al herkend als de incarnatie van een religieuze hoogwaardigheidsbekleder. Sindsdien stond hij aan het hoofd van meer dan honderdduizend monniken. In 1959 vluchtte hij uit Tibet naar India, waar hij de leiding op zich nam van een grote kloostergemeenschap in het Mysore.
Penor Rinpoche staat op gelijke voet met de Dalai Lama, de god-koning der Tibetanen. Zijn verschijning is dus een megahappening. Als één man staat het Hollandse publiek op uit de kerkbankjes. Vroom voorovergebogen, met de handen voor het gezicht gevouwen, staan ze voor de grote ontmoeting klaar. De Tibetaanse wijze - een kleine, gezette man met een norse uitdrukking op het gelaat - slaat er nauwelijks acht op. Resoluut loopt hij op zijn troon van kussens af en begint hij aan een lange oratie in het Tibetaans, regel voor regel vertaald in het Engels.
Langs deze wat omslachtige weg krijgt het ademloos aan zijn lippen hangende publiek te horen dat er ooit een 'gunstig tijdperk’ bestond waarin een mensenleven onmetelijk lang duurde en er geen geslachtelijke verschillen bestonden tussen man en vrouw. Bezit bestond niet in dat tijdperk, en gedachten gingen spontaan in materie over. Zo hoefde men slechts aan voedsel te denken om het te kunnen eten, en ook het transport ging op psychokinetische wijze: 'Als men ergens heen wilde gaan, behoefde men slechts aan de plek te denken om er te zijn.’
Geleidelijk aan trad er echter degeneratie op, aldus de eerwaarde. De mens begon te degenereren, als gevolg van een hang naar egogebonden, persoonlijke emoties. De gemiddelde levensduur liep terug naar toch nog zo'n tienduizend jaar, en er traden uiterlijke verschillen op tussen man en vrouw. De persoonlijke emoties namen steeds meer de overhand, en daarmee verviel de gelukzaligheid van het eerste tijdperk. De twee wereldoorlogen waren regelrechte uitvloeisels van niet meer te controleren ego’s. Domheid, jaloezie en begeerte hadden de menshed in hun greep gekregen. De mensheid kwam in de ban van 'negatief fluïdum als gal’, waardoor allerlei nieuwe ziekten konden ontstaan. Om daaruit los te komen, is het noodzakelijk dat de mensheid zich ontworstelt aan de grip van de negatieve emoties van het ikgebonden ego. Penor Rinpoche beschikt over een heel arsenaal aan hardvochtige meditatietechnieken om dat doel te bereiken, maar bij de niet-geïnitieerde veroorzaken die vooral een knagende pijn aan de ruggegraat.
NA AFLOOP van Penor Rinpoche’s optreden kan een deel van het publiek een licht gevoel van deceptie niet onderdrukken. Het Tibetaanse boeddhisme heeft zich de afgelopen jaren doen kennen als een uiterst behendig opererende boeddhistische school, niet te beroerd voor cross-overs naar het westerse publiek. Penor Rinpoche lijkt daar echter helemaal niets van te willen weten. Hij houdt zijn speech rudimentair en min of meer fundamentalistisch, alsof hij zijn gehoor het abc van het boeddhisme heeft willen onderrichten. En ook zijn spreektrant doet wel erg denken aan die van een autoritaire religieuze hoogwaardigheidsbekleder met wie geen dialoog op basis van gelijkheid mogelijk is.
Een aantal boeddhistisch angehauchte moeders die dat weekend hun kinderen lieten inzegenen door de eerwaarde, kwamen ook al van een koude kermis thuis. Penor Rinpoche was weliswaar bereid om even voor Sinterklaas te spelen door snoepjes uit te delen, maar hij tracteerde zijn jeugdige gehoor vervolgens op een ware donderspeech, waarbij hij de kleintjes op niet mis te verstane wijze voorhield dat de enige manier waarop zij zich konden ontworstelen aan het samsara, het eeuwig draaiende wiel van dood en wedergeboorte, de totale verzaking van wereldse verleidingen was.
De organisatie van Shambhala wijst erop dat het pas de tweede keer is dat Penor Rinpoche het Westen bezoekt. Hij kan zich derhalve minder goed inleven in het gedachtengoed van zijn westerse publiek dan bijvoorbeeld de Dalai Lama.
TOCH KAN OOK deze Tibetaanse goedheiligman een zeker gevoel voor moderne public relations niet worden ontzegd. In februari dit jaar kwam Penor Rinpoche in het nieuws doordat hij de Amerikaanse filmster Steven Seagal had 'herkend’ als een reïncarnatie van een zeventiende-eeuwse schatbewaarder van de Tibetaanse geestelijke clerus, een zekere Chungdrag Dorje. Daarmee ontving Seagal de officiële rang van 'tulku’, een helper van de hogepriesters, die telkens weer incarneert om de goede zaak daar waar mogelijk verder te helpen.
De herkenning van Seagal verliep in goed overleg met tal van andere Tibetaanse hoogwaardigheidsbekleders. Er kon dus geen sprake zijn van een misverstand. Niettemin leidde Seagals uitverkiezing tot de nodige consternatie. Uiteindelijk heeft deze filmster zijn roem te danken aan een eindeloze reeks vechtfilms waarin zijn alter ego met behulp van oosterse vechttechnieken de ene na de andere schedel klieft en ruggegraten als rietstengels laat knakken. Westerse recensenten betitelen het oeuvre van Seagal regelmatig als 'films met fascistoïde inslag’. Kortom: geen man die je zou verwachten als uithangbord voor het toch als vreedzaam bekendstaande boeddhisme.
Penor Rinpoche wilde van geen wijken weten. Onlangs gaf hij een persbericht uit waarin de kwaliteiten van de vorige incarnatie van zijn tulku nog eens breed uitgemeten werden. In zijn vorige incarnatie was Seagal onder meer verantwoordelijk voor de vondst van diverse heilige objecten in Oost-Tibet die hadden toebehoord aan Padmasambhava, degene die het boeddhisme in de achtste eeuw introduceerde in Tibet. Penor Rinpoche maakt zich blijkens zijn annonce aan de pers niet druk over het filmimago van zijn nieuwe tulku. 'Sommige mensen vragen zich af hoe Steven Seagal een boeddhist kan zijn, omdat hij altijd in gewelddadige films acteert’, aldus Penor Rinpoche. 'Maar zulke films zijn er alleen voor tijdelijk amusement en hebben niets te maken met wat echt en belangrijk is. Volgens het Grote Vehikel van het Boeddhisme worden mededogende wezens in alle paden van het leven herboren en dus is het mogelijk om én een geliefde filmster te zijn én een tulku. Er zit geen tegenstelling in die mogelijkheid.’
HET IS NIET de eerste keer dat de Tibetaanse leiders in ballingschap in zee gingen met Hollywood. Integendeel, er lijkt een directe band te bestaan tussen de religieuze leiders uit de Himalaya en de entertainmentkeizers van Hollywood. Zo wordt de Dalai Lama in Amerika al sinds jaar en dag ondersteund door Richard Gere. Toen criticasters stelden dat het Tibetaanse gedachtengoed toch onmogelijk kon worden uitgedragen door een acteur die in de film Pretty Woman een hartstochtelijke liefde opvatte voor een prostituee, haastte de Dalai Lama zich met de uitspraak dat er volgens de boeddhistische traditie niets mis was met bezoek aan dames van lichte zeden, 'mits de daartoe geëigende organen worden gebruikt’.
Net als Nederland heeft Californië de laatste jaren de Dalai Lama ontdekt als brenger van nieuw geestelijk licht. Niettemin waren er het afgelopen jaar enige strubbelingen in de relaties tussen 'de oceaan van wijsheid’ en zijn progressieve aanhang in Hollywood en omstreken. Aanleiding waren enige alinea’s in het boek Beyond Dogma van de Dalai Lama, waarin hij op niet mis te verstane wijze afstand nam van bepaalde seksuele gebruiken. Zo verklaarde de Dalai Lama seksueel contact via handen, mond of anus tot 'seksueel wangedrag’. Het leidde tot stormachtige protesten van homoseksuele boeddhisten in met name de Bay Area van San Francisco en Hollywood.
In juni jongstleden kwam het tot een ontmoeting tussen de Dalai Lama en zijn homoseksuele aanhang in San Francisco. Daarbij nam de Dalai Lama zijn woorden enigszins terug. 'We moeten een onderscheid maken tussen gelovers en niet-gelovers’, zei hij bij die gelegenheid. 'Vanuit een boeddhistisch oogpunt worden betrekkingen tussen man en man en vrouw en vrouw in het algemeen gezien als seksueel wangedrag. Maar vanuit maatschappelijk oogpunt kunnen wederzijds goedgekeurde homoseksuele relaties als verrijkend, plezierig en ongevaarlijk worden omschreven.’ Het was een hoop water bij de wijn, maar veel actieve boeddhistische homoseksuelen namen er geen genoegen mee. Zij drongen aan op herziening van bepaalde heilige teksten in de Tibetaanse boeddhistische liturgie.
DE VERMEEND 'homofobe’ uitspraken van de Dalai Lama maakten duidelijk dat het huwelijk tussen de westerse intelligentsia en de Meesters van de Hoogste Wijsheid uit het Tibetaanse hoogland toch niet zo harmonieus uitvalt als vaak wordt gesuggereerd. Het Tibetaanse boeddhisme, met zijn spectaculaire nadruk op reïncarnatie, mag zich al sinds jaar en dag verheugen in een onmetelijke belangstelling uit het Westen. Hoe meer de Chinezen na hun invasie in Tibet korte metten maakten met de religieuze tradities van het land - tempels werden verwoest, monniken vermoord -, des te groter was in het Westen de liefde voor de in 1959 uit Tibet gevluchte Dalai Lama.
Er is in het Westen een enorme hang naar vereenzelviging met het magische geloof van de Tibetanen. Vorig jaar maakte het Centraal Bureau voor de Statistiek in Nederland duidelijk dat het boeddhisme de ultieme religieuze groeimarkt is. Vooral de Tibetaanse variant is populair. De Dalai Lama wordt gezien als een soort paus van een nieuw religieus gevoel dat zich wellicht nog het best als New Age laat omschrijven. Juist vanwege de niet-dogmatische kant van de leer van de Dalai Lama, de poëzie van zijn leer en het al gesignaleerde reïncarnatiespektakel, is het Tibetaans boeddhisme een uitstekende vervanging voor mensen die hun christelijk geloof hebben laten varen.
In feite is die ontwikkeling al sinds het einde van de vorige eeuw aan de gang. De Russische mystica Helena Blavatsky, oprichtster van de Theosofische Vereniging, ging naar eigen zeggen al rond 1860 op zoek naar de Dalai Lama in Tibet. 'Er is absoluut geen noodzaak om naar Tibet of India te gaan op zoek naar kennis en krachten die latent aanwezig zijn in elke menselijke ziel’, zo vertelde madame Blavatsky over haar Tibetaanse queeste. 'Maar het vergaren van de hoogste kennis en vermogens vereisen niet alleen vele jaren van harde studie in het licht van een superieure intelligentie, maar ook vele jaren van teruggetrokkenheid, slechts in gezelschap van studenten die het zelfde doel nastreven, in een omgeving waar de natuur net als de neofiet volhardt in een absoluut, ongebroken zwijgen. Waar de lucht voor honderden mijlen in de omgeving vrij is van bezoedelde invloed; de atmosfeer en menselijk magnetisme absoluut puur, en geen dierlijk bloed wordt verspild.’
Blavatsky slaagde er naar eigen zeggen in door te dringen tot Lhasa, de Verboden Stad, waar de Dalai Lama resideerde in zijn winterpaleis. Hoe de ontmoeting tot stand kwam, is nog steeds een raadsel. De Himalaya was in die tijd nog niet door westerlingen beklommen, de plaatselijke regering had het land voor buitenlanders gesloten verklaard, en ook andere omstandigheden maakten het zo goed als onmogelijk dat een westerling - bovendien een vrouw - tot dit hooggebergte kon doordringen.
In een Tibetaans klooster zou Blavatsky, bijgestaan door Tibetaanse meesters, deelgenoot zijn gemaakt van 'alle geheimen van de schepping’. Ten bewijze van de ontmoeting gaven de meesters haar een verzameling brieven mee, waarin 'alle geheimen van het esoterische en het occulte’ zouden staan. Toen Blavatsky na een lang verblijf in de Himalaya terugkeerde in Rusland, deed ze haar familie versteld staan met haar paranormale vermogens. Haar zuster Vera Zelihovsky, zelf een gevierd schrijfster, meldde in 1883 in een Russisch tijdschrift dat Helena na thuiskomst uit Tibet in staat was klopgeesten op te roepen en zo boodschappen van gene zijde te ontvangen en door te geven. Ook bleek ze in staat om met mentale kracht tabaksdozen, lucifers en meubels door de kamer te laten vliegen. Bij aartsbisschop Isidore van Kiev demonstreerde madame Blavatsky de vermogens van haar 'onzichtbare hand’. De werkkamer van de metropoliet begon te trillen. Meubels en kandelaars vlogen in het rond.
SINDS BLAVATSKY was er reeds een ware Tibet-hype in het Westen te bespeuren. Shangri-La, zoals het mythische rijk der Tibetanen heet, werd een bron van inspiratie voor nieuwe westerse romantiek. Bekende Britse romanschrijvers als Walter Scott-Elliot en baron Edward George Bulwer-Lytton schreven over Tibetaanse broederschappen met grote mystieke krachten. Ook in Nederland werd de hype opgepakt. Hier was het Slauerhoff die in Het verboden rijk de Tibetaanse legenden over verborgen broederschappen in de spelonken van de Himalaya populair maakte.
Ook bij de occult voortgestuwde breinen van de top van nazi-Duitsland kwam de Tibetaanse legende hard aan. Karl Haushofer, generaal onder Kaiser Wilhelm II, verklaarde het Tibetaanse hoogland als een soort van bakermat van het Arische ras, dat centraal moest staan in de 'geopolitiek’ die hij ten behoeve van het nieuwe duizendjarige rijk opstelde voor Adolf Hitler. SS-oprichter Heinrich Himmler zond expedities naar Tibet om contacten met de Arische 'volksgenoten’ te onderhouden. Een van deze expedities werd toevertrouwd aan de jonge Oostenrijkse alpinist Heinrich Harrer, lid van de SA, SS en de NSDAP. Deze Harrer, inmiddels 84 jaar oud maar nog steeds alive and kicking, staat nu in het middelpunt van een nieuwe controverse die de relaties tussen de Dalai Lama en Hollywood verder dreigt te verslechteren.
HARRERS levensverhaal Seven Years in Tibet werd onlangs verfilmd door de Franse regisseur Jean-Jacques Annaud, vooral bekend van zijn Eco-verfilming The Name of the Rose. Niemand minder dan Brad Pitt speelt de rol van Harrer in deze meer dan zeventig miljoen dollar kostende productie, die op alle mogelijke manieren werd tegengewerkt door de Chinezen. De film werd grotendeels opgenomen in Argentinië, waar de autoriteiten onder grote Chinese druk stonden om de opnamen te verbieden.
Seven Years in Tibet is de eerste van vier grote films over Tibet en de Dalai Lama die Hollywood in petto heeft. Binnenkort volgt ook een Tibet-film van Martin Scorsese, Kundun genaamd. Ook Scorsese heeft problemen met de Chinezen. De leiders van de Volksrepubliek dreigden productiemaatschappij Disney al met de liquidatie van alle projecten van de maatschappij in China als men vasthoudt aan Scorsese’s project. Eerder maakte de Italiaanse regisseur met Little Buddha ook al een Tibet-film.
Heinrich Harrer belandde in 1945 na een expeditie in de Himalaya in Brits gevangenschap in India. Hij ontsnapte en vestigde zich in Lhasa, waar hij jarenlang de vertrouweling was van de veertiende Dalai Lama - degene die ook nu nog aan het hoofd staat van Tibets regering in ballingschap. Harrer werd wereldberoemd als propagandist voor de Tibetaanse zaak in het Westen. In de autobiografie van de Dalai Lama, Freedom in Exile (1990), duikt hij regelmatig op als de favoriete vertrouweling van de levende god. In haar net verschenen boek Tibet, mijn liefde schrijft de jongste zuster van de Dalai Lama, Jetsun Pema, al even opgetogen over de rol van Harrer in het paleis van de Tibetaanse dynastie.
De verfilming van Harrers Tibetaanse kroniek lag net in de montagekamer toen het Duitse weekblad Stern Harrers nazi-verleden oprakelde. Zelf had Harrer in zijn boek in alle talen gezwegen over zijn verleden. Het Stern-verhaal, vergezeld van een foto waarop Harrer breeduit lachend aan de zijde van de Führer poseerde, was ontluisterend. Niet alleen bleek Harrer een nazi van het eerste uur, heel zijn Tibetaanse queeste kwam volgens het blad voort uit het waanidee van zijn SS-chef Himmler dat hij in Tibet Arische broeders tegen het lijf zou lopen.
Rabbijn Abraham Cooper van het Simon Wiesenthal Centrum in Los Angeles begon gelijk aan een campagne tegen Harrer en de film. De Oostenrijker ontkende aanvankelijk dat hij ooit nazi was geweest. Cooper verweet hem daarop te lijden aan 'Waldheimer’s disease’. Vervolgens werd Harrer door een Oostenrijkse journalist geconfronteerd met bescheiden waaruit zijn SS-lidmaatschap onomstotelijk bleek. Ook werd een brief uit 1938 van Harrer aan Himmler opgeduikeld, waarin de Oostenrijkse bergbeklimmer zijn chef verzoekt om zijn verloofde tot rein-Arische vrouw te verklaren en toestemming voor een huwelijk te geven. Harrer zette de betreffende verslaggever zijn huis uit en trok zich uit de openbaarheid terug.
Maar de in gang gezette publicitaire trein bleek niet tegen te houden. De Canadese historicus Michael H. Kater van de Universiteit van Toronto, een autoriteit op het gebied van nazi-ideologie, kwam op basis van archiefonderzoek met de mededeling dat er een nauw verband bestaat tussen de Tibetaanse queeste van Heinrich Harrer en die van SS-officier Ernst Schaffer. Schaffer kwam in 1939 aan in Lhasa, met in zijn gezelschap ook Bruno Beger, een antropoloog in dienst van de SS die later in Auschwitz honderdvijftig mensen liet vergassen teneinde aan een schedelverzameling te komen. Kater vindt het vreemd dat Harrer in zijn boeken niets zegt over Schaffer en Beger, terwijl hij die in Lhasa zeker moet hebben ontmoet; het is namelijk zo goed als zeker dat Harrer en Schaffer deel uitmaakten van een en hetzelfde project onder auspiciën van Heinrich Himmler.
Deze onthullingen bezorgden de makers van de film Seven Years in Tibet slapeloze nachten. Regisseur Annaud verklaarde dat hij altijd al had geweten dat Harrer iets verzweeg in zijn boek, en dook de montagekamer in om twee scènes te creëren waarin aan Harrers nazi-verleden werd gerefereerd. Zo ontsnapte men aan de beschuldiging dat in deze Brad Pitt-film propaganda voor een nazi werd gemaakt. Volgens Annaud ging de film juist over iemand die spijt had gekregen van zijn daden en in Tibet tot inkeer kwam. Daarmee werd ternauwernood een politiek-correcte draai gegeven aan het filmproject.
Het was niet de eerste keer dat de nazi-fascinatie voor Tibet opspeelde. Al in de jaren zestig kwam het schrijversduo Pauwels en Bergier in de occulte klassieker Dageraad der magiërs met wonderlijke verhalen over Tibetaanse monniken die in Berlijn, het hart van Hitlers rijk, actief zouden zijn. Dat nooit geverifieerde verhaal duikt telkens in een andere gedaante op en is voor de Chinezen een ideale stok om de hond mee te slaan.
Al even gretig maakte Peking onlangs gebruik van een ontmoeting tussen de Dalai Lama en de top van de Japanse Aum-sekte, die niet lang na de ontmoeting begon aan zijn bizarre gifgasoorlog tegen de rest van Japan. Het feit dat de Dalai Lama naar verluidt een forse som geld had gekregen van Aum werd door de Chinezen dankbaar aangegrepen voor een hele reeks complottheorieën.
DE CHINESE regering bewerkt het Tibetaanse volk nu al vier decennia met propaganda over de verderfelijke kanten van de Tibetaanse regering in ballingschap, die meestal wordt aangeduid als de 'Dalai Lama-kliek’. Na een tactiek van stelselmatige vernietiging van kloosters en vervolging van monniken hebben de Chinese bezetters van Tibet het de laatste jaren over een andere boeg gegooid. Tegenwoordig proberen ze de Tibetanen te verleiden met 'tegen-Lama’s’ die door de machthebbers zelf worden gesteund. Kleine jongens worden op jonge leeftijd aangewezen als reïncarnatie van allerlei hoogeplaatsten en naar voren geschoven als waardige vervangers voor de Dalai Lama, die nog altijd in India wacht tot hij kan terugkeren naar Tibet. Via aanhoudende propaganda-acties in kloosters proberen Tibetaanse handlangers van het Chinese regime de kloosterbevolking te winnen voor een huwelijk tussen het communisme en het boeddhisme. In plaats van de tactiek van de vernietiging passen de Chinezen nu een methodiek van kalme indoctrinatie toe, in de hoop dat de herinnering aan de Dalai Lama’s, die sinds de dertiende eeuw over Tibet heersen, bij de jongere generaties zal verdwijnen. Ook hebben de Chinezen de grenzen van Tibet weer opengesteld voor westerlingen, die in steeds groteren getale naar de voormalige Verboden Stad komen om hun mystieke honger te stillen.
Dit alles maakt dat de zaak van de Dalai Lama er steeds hopelozer uitziet, zeker nu de Amerikanen China weer liefdevol in de arm hebben genomen als meest begunstigde handelspartner.
Het ziet er dus naar uit dat de cultus rondom de Dalai Lama uiteindelijk vooral zal voortleven in het Westen. Dit geheel analoog aan een oude profetie van de Tibetanen: 'Wanneer de ijzeren vogel vliegt, zal de Dharma (de boeddhistische leer - rz) zich verspreiden naar het Westen.’ Met dat doel is de Dalai Lama bezig aan een democratische vernieuwing van zijn regering. Vanwege de reïncarnatieleer is deze regering in feite autocratischer dan welke andere ook.
Ook de belangrijke rol van waarzeggers aan het hof van de Dalai Lama wordt momenteel iets teruggedrongen. Ondertussen laat de Dalai Lama tal van westerse wetenschappers toe in zijn kloosters om wetenschappelijke verklaringen te vinden voor de wonderbaarlijke toestanden waarin goedgetrainde monniken zich per meditatie kunnen begeven, zoals levitatie en resistentie tegen vrieskou.
Zo fuseert het mythische Tibet langzaam met het Westen, en begint het koninkrijk van Shangri-La een tweede leven in de Occident.