De mythe van Tibet

Tibet is geen spiritueel paradijs

Romantische visies op Tibet winnen het van serieuze analyse. In het bergland woedt geen vrijheidsstrijd, de rellen en vlaggen ten spijt. ‘De Tibetanen weten best dat ze geen kans hebben ooit weer onafhankelijk te zijn.’

Toen de wereld halverwege maart werd verrast door gewelddadige protesten in Tibet trok een waar persleger naar Noord-India om uitleg te vragen. In kranten en uitzendingen wereldwijd legden de in Dharamsala wonende Tibetanen uit wat hun volksgenoten dreef die hun woede uitten in de straten van Lhasa en andere steden. Maar in werkelijkheid is Dharamsala bij uitstek de plaats waar journalisten op het verkeerde been worden gezet als het gaat om de motieven van de Tibetanen.
‘In het Westen worden de Tibetanen voortdurend verward met de Tibetaanse ballingen in India’, zegt Robert Barnett, Tibet-deskundige van Columbia University in New York. ‘Maar de ballingen hebben een compleet andere blik op de werkelijkheid en een andere strategie voor verandering dan de Tibetanen. Ballingen willen doorgaans totale onafhankelijkheid voor Tibet en zo veel mogelijk internationale aandacht. De vragen waarmee Tibetanen worden geconfronteerd zijn veel praktischer van aard. Ze leven onder Chinees bestuur en moeten zich afvragen: ben ik zo kwaad over mijn situatie dat ik mijn leven wil riskeren door te protesteren? De kwestie van onafhankelijkheid wordt dan een theoretische, weinig relevante vraag.’
Over Tibet zijn meer mythen dan feiten in omloop, en de mythe van een geknecht spiritueel paradijs lijkt alleen maar te groeien. Dat is niet omdat er geen genuanceerde studies en boeken over Tibet verkrijgbaar zijn. Al heel wat wetenschappers en auteurs raakten vanwege romantische mythen geïnteresseerd in Tibet, maar moesten hun beeld bijstellen na nadere bestudering van de Tibetaanse geschiedenis en werkelijkheid. Zoals schrijver Patrick French, die na eigen onderzoek opstapte als directeur van de Free Tibet Campaign. ‘Ik kon de zaken niet langer beschouwen met de simpelheid die noodzakelijk is om deel uit te maken van een politieke beweging’, schreef hij.
Het simplistische beeld van Tibet werd versterkt door de televisiebeelden die in maart hun weg naar het buitenland vonden, van monniken die de staat trotseerden en gewelddadige massa’s die daarop Tibetaanse vlaggen hesen. Wie daarin het begin van een vrijheidsstrijd ziet, zit er volgens Robert Barnett flink naast: ‘Het voeren van de Tibetaanse vlag is een zeer beladen politiek statement in China, waarmee de demonstranten tonen dat ze zich niet Chinees voelen, dat ze zich gediscrimineerd voelen, dat ze een eigen cultuur hebben, dat ze zich bezet voelen. Dat is iets heel anders dan onafhankelijkheid eisen.’
Ook Tibet-deskundige John Powers van Australian National University verwijst ideeën over een ontluikende vrijheidsstrijd naar de prullenbak. ‘Tibetanen weten best dat ze geen enkele kans hebben om weer onafhankelijk te zijn. Iedereen kan de optelsom maken: over de hele wereld verspreid zijn er vijf miljoen Tibetanen, evenveel als het aantal soldaten van het Chinese Volksleger. Dat China Tibet nooit zal laten gaan, is de Tibetanen door de keiharde repressie van elk Tibetaans nationalisme wel duidelijk.’
Dat de onvrede in Tibet toch zo groot is, ligt volgens beide wetenschappers aan zaken die de Tibetanen direct in hun leven raken: discriminatie, werkloosheid, instroom van Han-Chinezen, tegenwerking van de Tibetaanse religie. ‘De discriminatie die Tibetanen beschrijven, bestaat werkelijk’, stelt John Powers. ‘Veel Tibetanen voelen de minachting van Han-Chinezen dagelijks: in het vervoer, op straat. Een aanduiding die veel Han-Chinezen voor Tibetanen gebruiken is “mensen van lage kwaliteit”. Een Chinees schoolboek legt uit dat Tibetanen minder intelligent zijn omdat het wonen op grote hoogte hun brein heeft verkleind. En ook de discriminatie bij banen is reëel. De meeste werkgevers zijn Han-Chinezen en Han krijgen de voorkeur voor de meeste banen. De werkloosheid onder Tibetanen is enorm. Bij toeristische trekpleisters staan er soms honderden tegelijk te bedelen.’
Volgens Chinese statistieken gaat het Tibet in economisch opzicht juist goed: het is de armste regio van China, maar de economie groeit snel. Maar dat is niet het hele verhaal, stelt Barnett: ‘Het Chinese ontwikkelingsmodel is volledig gericht op groei van het bruto nationaal product. Dat betekent in de eerste plaats: alle kleine boeren, die hun eigen oogst opeten of ruilen, naar de steden krijgen. Honderden miljoenen mensen die niets aan het bnp bijdroegen, doen dat opeens wel. En de concurrentie om banen houdt de lonen laag. Maar in dat model zijn er veel verliezers en zijn de inkomensverschillen groot. Zeker in een gebied met zo weinig werk als Tibet.’
De winnaars zijn leden van de nieuwe middenklasse in Tibet. Dat zijn veelal Han- en Hui-Chinezen, die tot woede van de Tibetanen door Peking worden aangemoedigd om naar Tibet te trekken. Maar onder de winnaars zijn ook Tibetanen die werken in overheidsdienst, in handel of toerisme. Hun kinderen zien China vaak als de toekomst en dromen van een studie aan een van de topuniversiteiten in de kustprovincies. Vanwege die nieuwe middenklasse, de economische groei en ontwikkelingsprojecten zoals de aanleg van wegen en een spoorlijn die in 2006 werd geopend, ziet Peking zichzelf als weldoener van Tibet. Te meer omdat China na de vlucht van de dalai lama in 1959 de lijfeigenschap en andere feodale regels afschafte. De protesten van maart verrasten Peking dan ook volledig.

Ook westerse Tibet-experts waren verrast, want het beleid waar de onvrede uit voortkwam is al veertien jaar oud. Sinds de inname van Tibet in 1950 was de lijn van Peking geweest dat economische vooruitgang en het verspreiden van de communistische leer Tibet aan China zouden binden. Afgezien van de voor Tibet desastreuze Culturele Revolutie van eind jaren zestig werd de Tibetaanse religie met rust gelaten. Na verscheidene rellen eind jaren tachtig gooide Peking in 1994 het roer om. Respect betonen aan de dalai lama werd verboden, kloosters moesten het met veel minder monniken doen en kregen scherpe regels opgelegd, monniken werden gedwongen naar de Chinese interpretatie van het boeddhisme te luisteren en China wees de panchen lama, een hoge geestelijke, zelf aan. De jongen die door de dalai lama aangewezen was, verdween.
Eind 2005 kreeg Tibet een nieuwe partijsecretaris, die de antireligieuze campagne in een hogere versnelling zette. Studenten en ambtenaren mochten niet meer naar kloosters, monniken kregen extra ‘patriottische educatie’ en moesten de dalai lama afzweren.
Zomer vorig jaar verkondigde Peking tot woede van de Tibetanen dat het proces waarbij een jongen als opvolger van de dalai lama wordt aangewezen voortaan in handen zou komen van de Communistische Partij. Daarmee eigent Peking zich het recht toe om de ‘incarnatie’ van de dalai lama goed te keuren.
‘De campagne werkt contraproductief’, vindt Barnett. ‘De Tibetanen concluderen dat de Chinezen hun cultuur niet respecteren en gaan zich voorstellen dat enkel de dalai lama een maatschappij kan creëren waarin die cultuur wel gerespecteerd wordt. Dat is natuurlijk onzin. Maar de Chinezen kunnen niet meer claimen dat ze goede heersers zijn, de dalai lama nog wel.’
De dalai lama is allerminst onomstreden. De radicalere Tibetan Youth Council brak bij de rellen in maart opzichtig met zijn koers. Ook zijn politieke kwaliteiten worden soms betwist, zoals in maart door voormalig Free Tibet Campaign-directeur Patrick French. ‘De dalai lama is een slechte en slecht geadviseerde politieke strateeg’, schreef hij in The New York Times.
De dalai lama is wél een wereldwijd gerespecteerd en herkend man geworden en wordt als geestelijke vereerd, maar Tibet heeft dat maar weinig geholpen. De zichtbaarheid is een gevolg van een omslag in fondsenwerving en politieke strategie. In de jaren zestig werden de dalai lama en zijn beweging gesponsord door de CIA met een jaarlijkse toelage van 1,7 miljoen dollar om een opstand te ontketenen in Tibet. Maar toen die uitbleef en Kissinger achter de schermen China benaderde, stopte de CIA de betaling. India en Taiwan namen de sponsoring tijdelijk over, maar halverwege de jaren zeventig moesten de Tibetaanse ballingen op zoek naar andere geldschieters, en naar een andere politieke koers.
In de jaren tachtig overlegden China en de Tibetaanse ballingen in het geheim. De dalai lama was tweemaal in Peking, maar dat leverde niets op. De ballingen richtten zich daarna op het genereren van politieke steun en donaties van westerse landen. Het eerste vonden zij bij Amerikaanse Congresleden, het tweede bij Amerikaanse filantropen met een hang naar esoterie, vaak Hollywoodacteurs.
De politieke winst van deze koers lijkt niet groot. Bij Peking wekt hij alleen maar woede op en de Amerikaanse politieke steun lijkt bij woorden en photo ops te blijven. Maar hoge verwachtingen wekt hij wel. ‘Als een politicus naast een lama verschijnt, betekent dat voor Tibetanen dat de twee op één lijn zitten. De symbolische waarde van de dalai lama die wereldleiders de handen schudt, is voor hen groot’, zegt de Australiër John Powers: ‘Tibetaanse lama’s voerden liever geen legers aan, maar hebben er in de geschiedenis nooit problemen mee gehad om anderen voor zich te laten vechten. Dat zit er nog steeds in, en de hoop is nu op Washington gevestigd. Bij Tibetaanse ballingen kom je telkens de vage verwachting tegen dat de Verenigde Staten Tibet zullen bevrijden. Dat is compleet van realiteitszin gespeend.’
Die realiteitszin hebben demonstrerende Tibetanen wel nodig, en daarom waren de rellen van maart des te opmerkelijker. Helaas zijn dergelijke rellen nooit aanleiding geweest voor een zachtere aanpak door Peking, wel voor een hardere. Dat zal ditmaal niet anders zijn. ‘Erg jammer, want de Tibetanen en de Chinese regering hebben wensen die niet strijdig zijn met elkaar’, vindt Powers: ‘Peking wil economische ontwikkeling en sociale rust, de Tibetanen willen de autonomie waar ze volgens de grondwet recht op hebben. Als het harde politieoptreden, de inperking van de religie, de discriminatie en de immigratie van Chinezen zouden verminderen, zou de spanning verdwijnen.’
Maar dat is niet het einde van het verhaal, meent hoogleraar Barnett: ‘De Chinese regering realiseert zich best dat ze op korte termijn rust kan kopen door de Tibetanen meer ruimte te geven. Maar Peking vreest dat daardoor op langere termijn een groter probleem ontstaat: sterker nationalisme, de roep om terugkeer van de dalai lama, misschien een opstand als in 1959. En dat vrezen ze volgens mij met reden.’