Tien dagen in jakarta

TOEN IK OP 14 MEI na middernacht aankwam op het vliegveld Soekarno-Hatta, brandde Jakarta nog. De rellen die tot het aftreden van president Soeharto zouden leiden, hadden al tweeduizend slachtoffers geëist, onder wie veel plunderaars die niet meer voor de vlammen hadden kunnen vluchten. Vijfduizend gebouwen, waaronder veel grote winkelcentra, waren in de as gelegd. De vertrekhal van het vliegveld zat vol mensen die probeerden te vluchten voor de razende menigten in Jakarta.

Chinezen hadden op weg naar het vliegveld spitsroeden moeten lopen. Sommigen vertelden dat hun auto’s waren aangehouden en dat ze geld hadden moeten afstaan. Een van hen vertelde me dat hij wel verwacht had beroofd te worden op weg naar de luchthaven en dat hij daarom zijn borstzak vol Indonesische roepia’s had gestopt, maar het merendeel van zijn geld onder zijn autostoel had verstopt.
’s Nachts waren vrachtwagens vol militairen gekomen om de luchthaven te beveiligen. Alle dienstverlenende instanties waren gesloten. Er reden geen taxi’s of bussen meer. Alle overheidskantoren, scholen en bedrijven in Jakarta, zo werd officieel meegedeeld, zouden drie dagen gesloten blijven tot de orde was hersteld.
Pas ’s morgens, zodra het licht werd, wist ik een auto te vinden die me van het vliegveld naar de stad bracht. Vlakbij, in het industriegebied Cengkareng, waren veel fabrieken vernield. Onder de relschoppers waren veel werkloze arbeiders uit deze omgeving geweest, de slachtoffers van de ‘economische meltdown’ in Indonesië. Ze hadden hun banen verloren en waren vervolgens door de prijsverhogingen voor voedsel en brandstof tot het uiterste getergd.
De familie Soeharto had de afgelopen dertig jaar een zakelijk netwerk opgebouwd dat de dagelijkse levensbehoeften van de bevolking exploiteerde: voedsel, water, energie, vervoer, gezondheidszorg. De bevolking reageerde door de symbolen van de uitbuiting aan stukken te slaan en in brand te steken. De bedrijven van de familie Soeharto en van Chinezen werden bestormd en geplunderd. Velen probeerden elektrische apparatuur te stelen, voor eigen gebruik of voor de verkoop, om op die manier hun verlies aan inkomen te compenseren. Binnen enkele dagen verschenen tv-toestellen en audio-apparatuur in kraampjes langs de straten (kaki-lima), waar ze voor een fractie van de oorspronkelijke prijs van de hand gingen. Tot schrik van enkele Chinezen waren de kopers van die goederen soms andere Chinezen die zich de kans van zo'n koopje niet konden laten ontgaan.
LANGS DE WEGEN lagen overal uitgebrande auto’s en vrachtwagens. Legertanks beheersten de kruispunten. De tolhuisjes op de weg naar Tangerang bestonden nog slechts uit verwrongen metaal. Heel opportunistisch kondigde de regering aan dat alle tolwegen, waarvan de inkomsten eveneens bij het Soeharto-imperium terechtkwamen, gratis zouden zijn zolang de crisis duurde.
Sommige winkels die ongedeerd waren gebleven, waren voorzien van borden waarop stond 'Milik Pribumi Muslim’, zodat de relschoppers en plunderaars wisten dat de eigenaar geen Chinees was maar een in Indonesië geboren moslim. Mijn chauffeur, een Chinees, maakte zich zorgen dat elk moment horden relmakers om de eerstvolgende hoek zouden verschijnen. De liedjes die hij luid op zijn cassetterecorder draaide, kwamen me heel toepasselijk voor: 'It’s a Long Road’, 'Don’t Know Where, don’t Know When.’
De uitgebrande ruïnes van voorheen indrukwekkende gebouwen werden talrijker naarmate ik dichter bij de Chinese buurt kwam. De Dharmala Bank was verwoest, want die was eigendom van een Chinese zakenman. De Bimantara-showroom van Hyundai, eigendom van Bambang Trihatmodjo Soeharto, was eveneens bestormd. Dit gold ook voor de Bank Lippo, eigendom van Riady, die berucht was geworden door zijn schenking van een half miljoen dollar voor de herverkiezing van president Clinton. Winkels over de volle lengte van Jalan Gajah Madah, zo'n twee kilometer, waren zwaar beschadigd. Een bus was zomaar van de weg af gereden en stak met zijn voorkant in het kanaal.
Karaoke-zaken en nachtclubs waren kort en klein geslagen, evenals de Bank of Central Asia (BCA), waarvan de meerderheid van de aandelen nog maar kort tevoren door de rijkste tycoon van Zuidoost-Azië, Liem Sioe Liong, waren verkocht aan Tutut, de dochter van president Soeharto. Veel bijkantoren van BCA, overal in Jakarta, waren het doelwit van rellen geweest. Een van de managers, zo hoorde ik, was erin geslaagd te voorkomen dat zijn gebouw in vlammen opging door de safe van de bank leeg te halen en het geld naar de menigte te smijten.
DE GLODOK-MARKT was veranderd in een verkoold skelet. De Chinese wijk leek wel een oorlogsgebied; de weinige winkels die er nog waren, had men dichtgetimmerd. De kampong achter de hoofdweg, waar zowel Chinezen als pribumi woonden, had geen schade opgelopen, maar de toegangswegen waren afgezet door mensen uit de gemeenschap, gewapend met honkbalknuppels, stokken en ijzeren buizen.
Er hing een naargeestige rust in de straten, de stilte na een veldslag. Verdwenen was de gebruikelijke kakofonie van bussen, auto’s, motorfietsen, voetgangers. De gezichten leken nietszeggend, geschokt, en ook nieuwsgierig omdat men zich afvroeg wat ik daar kwam zoeken.
Op Jalan Mangga Dua wolkte nog rook uit het enorme handelscentrum, een van de grootste van Jakarta, waar gehandeld werd in meubilair, elektronica, medicijnen, textiel, allerlei huishoudelijke artikelen en keukeninrichtingen. Vlakbij was een nieuwe Toyota-showroom, nog niet eens officieel geopend, maar nu al een ruïne. De overheidsbanken in deze buurt waren niet aangevallen: de Export-Import Bank en de Bumi Daya Bank waren intact. En ook het museum had geen schrammetje opgelopen.
De relschoppers waren ook op Jalan Jayakarta selectief te werk gegaan: de showrooms van Daihatsu en Bimantara waren onherstelbaar verwoest; de plunderaars hadden de auto’s eerst naar buiten gebracht alvorens ze grondig te vernielen. De woning van Liem Sioe Liong Sr. aan Jalan Gunung Sahari was in brand gestoken. Uitgebrande autowrakken waren naar de kant van de weg geduwd door legertanks. Militairen in tanks hielden de wacht, gepantserde troepenwagens reden rond in de wijk.
OOK IN ANDERE WIJKEN van Jakarta zag ik sporen van totale verwoesting. Sommige voorsteden waren gespaard gebleven doordat de bewoners haastig barricaden hadden opgeworpen. In het zuiden van Jakarta was het grote winkelcentrum dat bekendstond als Blok M met de grond gelijk gemaakt. Daarbij waren veel mensen omgekomen. Een paar dagen later zag ik vijftig ambulances die de doden afvoerden, drie kisten per auto. De chauffeurs droegen maskers, de sirenes loeiden, er was een escorte van motorfietsen en militaire voertuigen.
Ook in het winkelcentrum Goro waren enkele honderden mensen omgekomen. De rottende lijken waren zo lastig te verwijderen dat er meer dan een week later nog niets aan was gedaan. Mensen in de buurt droegen maskers omdat de stank overweldigend was.
Toen ik op zondag 17 mei Kelapa Gading Permai bezocht, zag ik dat bewoners de wegen met barricaden hadden afgezet. De mannen uit de omgeving bewaakten de buurt dag en nacht in ploegendiensten van zeven uur. Deze voorstad, die hoofdzakelijk door Chinezen wordt bewoond, had inderhaast een bijeenkomst van vooraanstaande burgers georganiseerd. Daar werd besloten een groot, niet gespecificeerd bedrag te betalen aan personen in het Indonesische leger in ruil voor bescherming tegen de plunderende horden. Afgesproken was dat twee bataljons van Kostrad-troepen en dertien legertanks Kelapa Gading twee weken lang zouden beschermen. Op het eerste gezicht een verstandige maatregel, maar de dagen daarop werd steeds duidelijker dat deze onderhandse betaling juist gedaan was aan de groep die ervan werd beschuldigd de rellen te hebben geprovoceerd.
KORT NA HET VERTREK van president Soeharto naar het G15-topberaad in Cairo waren tegenstellingen aan de dag getreden tussen het hoofd van het Indonesische Leger (Abri), generaal Wiranto, en de commandant van de Strategische Reserve (Kostrad), generaal Prabowo Subianto. Prabowo, een schoonzoon van president Soeharto, was steeds meer geneigd zijn eigen operaties uit te voeren en beriep zich daarbij op instructies van Soeharto zelf.
De rol die Prabowo heeft gespeeld bij de ontvoering en gevangenhouding van studenten-activisten, waarbij hij gebruik maakte van een gemotoriseerde groep vechtjassen en moordenaars, lijkt bevestigd te worden door een van die activisten, die na publieke protesten was vrijgelaten. Hij was tijdens zijn arrestatie en marteling steeds geblinddoekt geweest, maar hij had de stem van Prabowo herkend in het gebouw waar hij werd vastgehouden. Begin mei hadden diezelfde schurkachtige figuren zich hoogstwaarschijnlijk schuldig gemaakt aan de moord in Yogjakarta op een jonge activist; hij was neergeschoten door twee personen op een motorfiets.
Voor de demonstratie die voor dinsdag 12 mei was aangekondigd, was een handjevol studenten al op maandag naar de universiteit Trisakti gekomen en enkelen zijn daar ook ’s nachts gebleven. Volgens een nog niet bevestigd rapport waren in de vroege ochtend ongure types naar de campus gekomen om het groepje slapende studenten te kidnappen. Volgens rapporten in studentenkringen in Jakarta zijn alle studenten die die nacht in Trisakti waren gebleven, verdwenen.
Deze gebeurtenis wordt echter overschaduwd door de tragedie op dinsdag, toen sluipschutters en veiligheidspolitie de volle campus beschoten. Toevallig heeft een tv-team van CNN, vanuit een helikopter die over het terrein vloog, opnamen gemaakt van sluipschutters die studenten neerschoten. Veiligheidstroepen van Abri hadden Trisakti al uren afgezet terwijl de demonstratie vreedzaam voortgang vond. Officiële cijfers geven aan dat vier studenten gedood zijn, maar de telling in het Sumberwaras-ziekenhuis wijst uit dat niet vier maar elf studenten zijn gedood. Bij de begrafenis de volgende dag werden de doden 'helden van de hervormingen’ genoemd.
WOENSDAG 13 MEI OM drie uur ’s ochtends verspreidde zich onder de studenten een oproep tot actie. Het verbindingsnetwerk van de studenten, dat hoofdzakelijk bestond uit heel kleine 'piepertjes’ waarop een boodschap gelezen kon worden, begon te gonzen van activiteit. De demonstratie zou op diezelfde woensdag om drie uur beginnen, na de begrafenis van de vier Trisakti-studenten.
Prabowo had besloten in te grijpen en herhaalde een tactiek die het jaar daarvoor al was gebruikt voor het uitlokken van rellen in Tasikmalaya, Situbondo, Rengasdenklok en Medan. Nu had Prabowo slechts een kleine rel willen uitlokken, om vervolgens met kracht in te grijpen.
De rellen begonnen woensdag tegelijkertijd in Jakarta en Surabaya en in verscheidene andere steden op Java, en ook in Palembang op Sumatra. In al die gevallen begon het met een klein groepje mannen die banden om hun arm droegen. Ze sloegen etalageruiten van Chinese winkels in en nodigden voorbijgangers uit goederen mee te nemen. In die eerste uren namen de rellen snel toe omdat er geen spoor te bekennen was van politie of leger. (Bij demonstraties zoals die in Bandung ongeveer een maand daarvoor, was de Abri binnen enkele minuten verschenen.)
De leiders van de relschoppers haalden vervolgens oude autobanden te voorschijn die ze klaar hadden liggen; ze overgoten ze met benzine en staken ze in de fik. Toen er nog altijd geen politie te zien was, werd er steeds woester geplunderd en gebouwen werden in de brand gestoken. De rellen liepen snel uit de hand. Op woensdagavond en donderdag bereikten de rellen een hoogtepunt.
Vrijdagochtend vier uur keerde Soeharto terug uit Cairo. Geëscorteerd door tanks en pantservoertuigen reed hij naar zijn paleis. Zijn eerste reactie was een eerdere mededeling tegen te spreken dat hij bereid zou zijn af te treden. Toen hij de Abri opdroeg de democratische oppositie de kop in te drukken, bevestigde hij eigenlijk dat zijn beleid identiek was aan dat van Prabowo. Ondertussen drong generaal Wiranto er bij de president op aan zijn positie te herzien.
MAANDAG 18 MEI verschoof het brandpunt van de protesten naar het parlementsgebouw aan Jalan Gatot Subroto. Studenten waren daar massaal samengekomen en waren gaan zitten op de gazons en in de gebouwen; grote groepen waren zelfs op het dak geklommen. De kans dat Prabowo het studentenprotest zou proberen te onderdrukken was levensgroot aanwezig, met de kans op vele doden en gewonden.
Kritiek van de kant van Washington was vooral gericht op het leger, dat op het punt stond een vreedzaam protest bloedig de kop in te drukken. De Amerikaanse kritiek werd ondersteund door de aanwezigheid van tienduizend militairen van twee Amerikaanse marineschepen die in Tanjung Priok, de haven van Jakarta, waren aangekomen, naar zeggen om Amerikaanse burgers te evacueren in het geval van nog grotere onrust in het land. Het werd duidelijk dat zelfs Washington vond dat het voor Soeharto tijd werd om te vertrekken.
De voorzitter van het parlement, Harmoko, hield een toespraak waarin hij Soeharto verzocht af te treden terwille van de nationale eenheid. Wiranto reageerde daarop met de mededeling dat Harmoko alleen zijn persoonlijke mening had gegeven en geen meerderheid in het parlement vertegenwoordigde. Hij liet zich daarbij misschien vooral inspireren door zijn tegenzin om Habibie als president te accepteren. Bovendien zou voor het aftreden van Soeharto het parlement bijeen moeten komen, en dat kon niet, zo beweerde Wiranto, omdat de studenten de gebouwen en omliggende terreinen hadden bezet.
De studenten waren gekomen van universiteiten overal op Java, en zelfs uit Kalimantan, Sumatra en Sulawesi. ’s Nachts waren het er minder, want dan keerde meer dan de helft van de studenten terug naar huis. De voedselvoorziening van de studenten eiste grote logistieke inspanningen. Op dinsdag 19 mei sloot ik me aan bij een huishouden dat betrokken was bij het koken en overbrengen van eten en drinken. Docenten en studenten werkten daarbij eendrachtig samen.
Aanvankelijk wilden de eenheden van de Kostrad die de parlementsgebouwen hadden afgezet, niet toestaan dat er voedsel werd binnengebracht. Een poging voedsel naar binnen te smokkelen in een ambulance mislukte. Andere dienstdoende eenheden van de Abri, vooral de Indonesische mariniers met hun rode baretten, stelden zich echter welwillender op. Er werd een vaste voedselvoorziening geregeld.
EEN VOORAANSTAAND woordvoerder van de democratische beweging, Ali Sadikin, twintig jaar voordien commandant van de mariniers en later burgemeester van Jakarta, verwierf veel respect onder het volk door de 'Petitie van de Vijftig’ te ondertekenen, waarin Soeharto’s aanhoudende consolidatie van de macht en zakelijke belangen werden gekritiseerd. Soeharto had, aldus de petitie, niet alleen de democratische rechten opgeofferd, maar genadeloos alle politieke oppositie onderdrukt achter de façade van 'de glimlachende president’.
De aanhoudende nationale en internationale roep om Soeharto’s aftreden leek onvermijdelijk tot resultaat te leiden. Zelfs de beurs van Jakarta aan Jalan Sudirman, niet ver van het parlement, hield een interne stemming die resulteerde in unanieme steun voor de studenten. De werknemers van de beurs besloten die woensdag een mars naar het parlemen te organiseren, om openlijk hun steun te betuigen.
Er arriveerden nog meer studenten in de stad, uit heel Java, en soms van andere eilanden. Ze kwamen voor de grote samenkomst die op woensdag bij het parlement zou plaatsvinden. Echter, slechts weinigen wisten zo ver door te dringen. Hele busladingen studenten werden tegengehouden door Abri-troepen, soms al op een afstand van honderd kilometer van de hoofdstad.
ONDERTUSSEN had Amien Rais, leider van de islamitische groepering Muhammadiyah die zich vooral met de belangen van moslims in de steden bezighoudt, plannen gesmeed voor een bijeenkomst op het historische Merdekaplein. Rais, die zich publiekelijk kandidaat had gesteld voor de post van president en scherpe kritiek had geuit op Soeharto’s aarzeling om af te treden, zei dat daar meer dan een miljoen mensen zou komen. Een week voor de crisis hadden Rais en ongeveer twintig andere vooraanstaande kritische personen, onder wie professor Soemitro Djojohadikusumo (de bekendste econoom van Indonesië en de vader van Prabowo), Soeharto’s aftreden geëist. Na deze eis, die bekend staat als de MAR-verklaring (Majelis Amanat Rakyat: het Mandaat van het Volk), had Soeharto geprobeerd Rais te laten arresteren, maar het Openbaar Ministerie had geweigerd de opdracht uit te voeren.
Omdat de Abri-troepen een enorme protestbijeenkomst verwachtten, plaatsten ze woensdag om drie uur in de ochtend prikkeldraadbarricaden rondom het Merdekaplein. Rais gelastte de bijeenkomst de volgende ochtend vroeg af, met de mededeling dat hij geen bloedvergieten wenste.
Omdat de troepen die ’s nachts waren gekomen ook alle belangrijke kruispunten en wegen naar het parlement hadden afgezet, moest de dapur umum (gaarkeuken) die in voedsel voor de studenten voorzag, eerst gebruik maken van achteromstraatjes en steegjes. Zelfs de employés van de beurs konden hun werk niet bereiken, tenzij ze een heel eind omliepen, en waren dus niet in staat samen naar het parlement op te trekken. Het daglicht onthulde een groots vertoon van macht en een ogenschijnlijk innige samenwerking van Abri-troepen, inclusief Kostrad, de rode baretten van Kopassus (commando’s), mariniers in tanks, politie-eenheden, gepantserde troepenwagens, en zelfs eenheden van de luchtmacht. Ze hielden het parlement in een ijzeren omsingeling.
Onderwijl werd op die historische woensdag, die in de Indonesische kalender de 'dag van nationaal ontwaken’ heet (ter herinnering aan de nationalistische strijd die geleid had tot de Indonesische bevrijding van het Nederlandse koloniale bewind) achter de schermen over het aftreden van Soeharto onderhandeld.
DE RIVALITEIT tussen Prabowo en Wiranto bereikte op woensdagavond een hoogtepunt. Volgens een bron in de buurt van Nederlands ambassadepersoneel in Jakarta had Prabowo een eind willen maken aan het studentenprotest en had hij tegen Wiranto gezegd dat hij dat in drie uur tijd kon bereiken. Wiranto, die zelf vroeger verbindingen had gehad met de onderwereld van Jakarta, was zich er maar al te goed van bewust dat Prabowo de neiging had eerst zelf geweld te gebruiken en vervolgens de schuld naar anderen door te schuiven.
Op die woensdagavond, toen ik op het punt stond in de voedselauto naar het parlement te gaan, kreeg ik te horen dat het te gevaarlijk zou worden. Dat bleek juist te zijn. Om twee uur in de ochtend drongen troepen het parlement binnen om de studenten te verdrijven. Er vielen geen zwaargewonden, hoewel men soms de wapenstok hanteerde. De studenten hadden afgesproken dat ze zouden weggaan als hun vertrek onder toezicht zou staan van de mariniers en niet van Kostrad.
Parlementsleden van Soeharto’s Golkarpartij verschilden op dat moment van mening over de vraag of Habibie Soeharto moest opvolgen en of dat in een speciale zitting van het parlement moest gebeuren. De specialist in constitutioneel recht, Yusril Ihza Mahendra, zei dat als men Soeharto voor het parlement bracht, dat zou uitlopen op schande en afzetting, en in dat geval zou ook Habibie van het toneel verdwijnen.
Het alternatief was dat het inmiddels onvermijdelijke aftreden zou plaatsvinden in het paleis, waardoor het parlement werd omzeild, ook al wordt de instemming van het parlement met zoveel woorden geëist door artikel 9 van de grondwet. De reden die genoemd werd voor de keuze van het paleis was dat het parlementsgebouw vol studenten zat. Maar toen de president inderdaad aftrad, op donderdagochtend 21 mei om negen uur ’s ochtends, waren alle studenten al verdwenen. Kort na het aftreden keerden ze terug naar het gebouw omdat Habibies 'hervormingskabinet’ van 36 personen 32 personen bevatte van wie bekend was dat ze nauwe banden met Soeharto hadden. Toen ik het parlement bezocht op de avond van 21 mei, de eerste dag van Habibie als derde president van Indonesië, hadden studenten het gebouw opnieuw volledig bezet.
SINDS 1988, OMSTREEKS de tijd dat generaal Benny Murdani bij Soeharto uit de gunst was geraakt wegens zijn kritiek op diens ongeremde grootheidswaan, heeft Soeharto steun gezocht bij moslimgroepen en braaf zijn hadj gedaan. Samen met Habibie had Soeharto in 1989 de groep van moslim-intellectuelen opgericht, de ICMI. Een kleine groep personen uit deze kring had een ontmoeting met Soeharto op 19 mei. Ongetwijfeld is door hen de mogelijkheid besproken dat Habibie het ambt van president zou overnemen. Soeharto had al eerder gezinspeeld op zijn bedoeling 'af te treden om een religieuze oudste of heilige man te worden’ (lengser keprabon madeg pandito). Hij heeft die plannen op de bijeenkomst op 19 mei herhaald. Mahendra heeft meermalen in tv-interviews na Soeharto’s aftreden het volk verzekerd dat de procedure in constitutionele zin aanvaardbaar moet worden geacht.
Op dinsdagochtend zond de televisie in Jakarta live de beelden uit van president Soeharto, die de toespraak voorlas die Mahendra hem had helpen opstellen: 'Daarom heb ik, overeenkomstig artikel 8 van de grondwet van 1945 en na serieuze overweging van de opvattingen van de leiders van de partijen, besloten te verklaren dat ik ophoud president van de Republiek Indonesië te zijn vanaf het moment dat ik dit voorlees, heden, donderdag 21 mei 1998.’
In het huis waar ik me op dat moment bevond, werd luid gejuicht, en die jubelkreten leken de rest van die dag door heel Jakarta te galmen. Toen keerde voor de democratische beweging de werkelijkheid weer terug: de strijd om hervormingen was in feite nog maar net begonnen, ook al werd door Habibie al snel besloten om eind 1998 verkiezingen te houden.
EEN VAN DE EERSTE politieke gevolgen van Soeharto’s aftreden was dat Prabowo zijn presidentiële bescherming kwijtraakte. Wiranto heeft hem vrijwel onmiddellijk vervangen. Wiranto zei dat de overplaatsingen al enige tijd overwogen waren en dat er geen verband is met de gebeurtenissen in de week daarvoor, maar dat klonk wel heel ongeloofwaardig.
Een ander teken van politieke verandering was dat er al snel geruchten gingen over de mogelijke vrijlating van politieke gevangenen uit de Cipinang-gevangenis. Zondagochtend bood de Cipinang-gevangenis ongekende taferelen: familieleden van gevangenen mochten naar binnen, en ook een groep van meer dan veertig buiten- en binnenlandse journalisten.
Omdat ik geen familielid was van een van de gevangenen en ook niet tot de westerse pers behoorde, liep ik het risico te worden buitengesloten. Maar de gevangenisautoriteiten waren gevoelig voor mijn argument dat ik wilde delen in dit historische ogenblik. Aldus slaagde ik erin de binnenplaats te bereiken. Daar trof ik gevangenen uit West-Papua en Oost-Timor, en ook vier van de dertien gevangenen die door Soeharto beschuldigd waren van deelname aan de coup van 1965, die door generaal-majoor Soeharto, destijds hoofd van Kostrad, gebruikt was als springplank om president Soekarno af te zetten.
Ik liep regelrecht door naar kolonel Latief, die de afgelopen 33 jaar in Cipinang had doorgebracht. Latief vertelde dat hij het jaar daarvoor een beroerte had gehad, dat hij in beide ogen staar had en dat hij een aantal zware operaties had doorgemaakt. Toen liet hij me de grote littekens zien op zijn linkerbeen, dat stijf was geworden door een kogelwond, en de bajonetwond in zijn rechterbeen die hij bij zijn arrestatie had opgelopen.
Ik vroeg hem naar de coup, niet alleen naar zijn eigen betrokkenheid maar ook naar die van Soeharto. Wat president Soeharto de afgelopen 33 jaar steeds over de coup heeft gezegd, is dat agenten van de Indonesische communistische partij (PKI) in de vroege ochtenduren van 1 oktober 1965 zes hoge generaals van het Indonesische leger hadden ontvoerd en gedood. Een van de generaals, minister van Defensie Nasution, was aan dit noodlot ontkomen - in zijn plaats was, kennelijk bij vergissing, zijn luitenant meegenomen en gedood. Soeharto heeft nooit voldoende duidelijk kunnen maken waarom hijzelf geen doelwit van de actie was en hoe het kon dat Kostrad de coupplannen niet tijdig had ontdekt.
Bij de latere vervolging van de personen die bij de coup betrokken waren, werden degenen die over voorkennis hadden beschikt maar niets hadden gedaan om de coup te voorkomen, in de zwaarste categorie ingedeeld. De meesten van hen kregen een doodvonnis. Latief had, misschien omdat hij niet bij de eigenlijke moorden betrokken was geweest, levenslang gekregen.
Latief beweerde dat Soeharto zelf niet alleen over voorkennis had beschikt, maar ook op goede voet had verkeerd met de coupplegers. Latief had Soeharto een paar dagen voor de coup bij hem thuis gesproken, in aanwezigheid van Tien, Soeharto’s vrouw. Toen hij over de plannen vertelde, had Soeharto geknikt, zonder iets te zeggen.
Zonder verder in te gaan op details van de moord op de generaals of op de gruwelijke nasleep ervan op Java en Bali, onthulde mijn interview met Latief - het eerste sinds hij meer dan dertig jaar geleden gevangen was gezet - dat Soeharto volledig van het plan op de hoogte was. Tijdens zijn proces in 1978 had Latief verwezen naar zijn ontmoeting met de president en Tien Soeharto, maar zijn verzoek hen als getuigen te horen werd door het hof als 'niet zinvol’ van de hand gewezen. Maar het is zonneklaar dat Soeharto, die over voorkennis van de zogenaamde 'communistische coup’ had beschikt, eigenlijk wegens zijn rol terecht zou moeten staan.
OP DE MIDDAG van maandag 25 mei kwam het nieuws dat twee politieke gevangenen waren vrijgelaten, Sri Bintang Pamungkas en Mochtar Pakpahan; eerstgenoemde had de president in het openbaar gekritiseerd, en het misdrijf van de tweede was dat hij vakbondsleider was. De deuren van de hervormingen openen zich langzaam. Maar voorlopig, zo liet men weten, zouden geen van de gevangenen van 1965 worden vrijgelaten.
Vertaling: Tinke Davids