HET MIGRANTENMUSEUM

Tien gulden

Het was een barre winter in de kille, natte streken van de Lage Landen. De gastarbeider had het niet in de gaten maar de wereld om hem heen was in rep en roer. Hijzelf was uit een heerlijke slaap opgestaan, hij had uit het raam gekeken, geconcludeerd dat het nog steeds sneeuwde buiten, ging thee zetten, deed zijn ontbijt dat bestond uit kaas, twee eieren, brood en ging naar buiten.
Niet dat hij last had van de kou; in de streken waar hij vandaan kwam hadden mensen deze barre winter niet eens serieus genomen. Een winter was pas een winter als haar sneeuwstormen slachtoffers onder de mensen maakten en als je poep bevroor voor die de grond raakte.
De gastarbeider vroeg zich af waar de mensen van Leeuwarden waren die dag. Was er dan geen ziel die de straat op ging? Hij wandelde doelloos een half uur en zeven minuten en belde uiteindelijk aan bij zijn Spaanse collega Antonio. Niet dat ze elkaar konden verstaan, maar de gastarbeider vond het prettig om in de buurt te zijn van Antonio. De Spanjaard deed de deur open, trok een lange, dikke jas aan en vergezelde hem door de lege straten van Leeuwarden. Nu liepen ze samen doelloos in de stad waar de winkels gesloten waren, de naar beneden dwarrelende sneeuw steeds dikker werd en het bibberen en knarsetanden van Antonio steeds meer op de zenuwen van de gastarbeider werkten.
Zolang Leeuwarden bestaat, heeft de stad nog nooit een dergelijke verveeldheid meegemaakt. Uren en uren gingen voorbij. Antonio kon dit stilzwijgen niet meer volhouden, maar de gastarbeider was een doorzetter.
Nadat hij de Spanjaard weer had afgezet bij zijn huis liep hij die dag bijna elf uur, zonder oponthoud. Het was in het jaar 1963. En toen de maag van de gastarbeider knorde van de honger, hij zijn tenen niet meer kon voelen door de kou, zijn oren werkelijk zo paars als aubergines waren en het buiten zo koud was dat de poep zou bevriezen voordat die de grond raakte, hoorde hij het geroezemoes van de menigte. Hij liep naar de massa, het geluid werd steeds harder, de gastarbeider naderde duizenden mensen. Nu begreep de gastarbeider het. De mensen van de stad waren allemaal hier de hele dag. Hij begreep niet wat ze aan het doen waren, maar ging wel tussen hen staan.
Door de honger en de kou waren de benen van de gastarbeider niet meer bij machte om hem nog te dragen. Zelfs zijn gezichtsvermogen werd minder. De schemer was al gevallen over de stad waar hij de laatste maanden de fijne kneepjes van het lassen onder de knie kreeg.
De mensen werden opeens veel luidruchtiger. In de verte zag hij een schaduw hun kant op glijden. De Hollanders waren uitzinnig. De jonge man die aan kwam schaatsen hebben ze omarmd, gekust, op de schouders gedragen en klopjes op de schouders gegeven. De held was ongeveer net zo oud als de gastarbeider.
En opeens begreep de gastarbeider het. Deze jongen moest wel een militair zijn die door de vijanden van Holland gegijzeld was. Hij was dus gevlucht en gleed op die ijzeren dingen het land binnen. Wat een held, dacht de gastarbeider. Net zo’n held als de opa van de gastarbeider die na zeven jaar gevangenschap op Russisch grondgebied op een klaarlichte dag uitgemergeld hun dorp was binnen komen lopen. Wijlen zijn opa was nog altijd de grootste held die hun dorp had voortgebracht.
De gastarbeider was een patriot in hart en nieren, werd erg emotioneel door wat hij zag, rende ondanks zijn eigen honger en vermoeidheid een marathon van tien uur en 59 minuten naar de nationale held, omarmde hem en stopte een blauw flapje, al het geld dat hij bij zich had, in de hand van zijn leeftijdgenoot.
Dat biljet van tien gulden staat niet in het Migrantenmuseum. Maar als meneer Paping, winnaar van de Elfstedentocht in 1963, het geld dat hij van een vreemdeling kreeg – tevens de enige financiële beloning voor de winnaar dat jaar – aan het museum schenkt, hebben we er een mooie plek voor.