Literaire smaakmakers geven antwoord

Tien schrijvers voor een nieuw decennium

Sinds 1983 presenteert het gezaghebbende Britse tijdschrift Granta om de tien jaar in de lente twintig jonge schrijvers die de Britse letteren een bloeiende hoogzomer zullen bezorgen: in 1983 waren onder anderen Martin Amis, Ian McEwan en Salman Rushdie van de partij, in 1993 Louis de Bernières, Hanif Kureishi en Jeanette Winterson.
De Granta-lijst van dit jaar (met Zadie Smith, Alan Warner en Nicola Barker) leek Humo en De Groene Amsterdammer een mooie aanleiding om de oefening eens te maken voor de Lage Landen en tien schrijvers van maximaal 35 jaar bij elkaar te zoeken die het aangezicht van de Nederlandse letteren het komende decennium zullen bepalen en u en ons zullen verwennen met onontkoombaar sterke romans.
Eis is dus niet dat ze die al geschreven hebben. Wel onze overtuiging dat ze dat in de nabije toekomst zullen doen. Het van de beloftes ritselende gezelschap bestaat uit Abdelkader Benali, Arnon Grunberg, Esther Gerritsen, Hafid Bouazza, Hagar Peeters, Ilja Leonard Pfeijffer, Miguel Declercq, Paul Mennes, Ramsey Nasr en Saskia de Coster. Wat is deze lijst nu eigenlijk waard? Hoe zwaar wegen deze schrijvers? Enkele literaire smaakmakers geven antwoord.

Het niveau

Michaël Zeeman (literair orakel): «De hele stapel proza, met uitzondering van dat van de allochtonen, toont krankzinnig weinig ambitie. Als we het ‹straatrumoer› van twintig jaar geleden — de oproep van Ton Anbeek — wat oprekken en vertalen in een belangstelling die breder is dan voor de eigen schrijvende vingers en de geliefde die straks met de koffie komt, dan is het er niet van gekomen. Het neorealisme, dat misschien zelfs wel een eigentijds naturalisme genoemd mag worden, viert hoogtij. Het domein waarop de literatuur zich beweegt is smal geworden, het register waarvan ze zich bedient eveneens. Het experiment en het engagement zijn ver te zoeken, de geschiedenis en de samenleving spelen thematisch geen rol, en in de uitdrukkingsvorm overheerst een journalistieke helderheid, maar ook een journalistieke eenvoud. De prozaliteratuur lijkt een uitbreiding van de column te zijn geworden.

Opmerkelijk is dat ook in de kritiek ontvankelijkheid voor het experiment, voor het afwijkende, dood lijkt. Zouden Couperus of Bordewijk nu enkele van hun minder conventionele romans hebben geschreven, ze zouden vermoedelijk niet uitgegeven zijn en, indien wel, door de kritiek zijn afgeslacht; Hermans had O Dapper Dapper beslist retour gekregen, Van Schendel zou danig door een redacteur onder handen zijn genomen: ‹Veel te veel bijvoeglijke naamwoorden, meneer Van Schendel›, de debuten van Claus en Mulisch zouden kansloos zijn geweest, Elsbeth Etty zou er niks in hebben gezien, Janet Luis zou ze verweten hebben pretentieuze praatjesmakers te zijn.

De prozaliteratuur heeft vanouds twee verschijningsvormen, die van de ‹wereld in woorden› en die van ‹woorden over de wereld›. In de verenging van de huidige Nederlandse romanliteratuur lijkt duidelijk te worden hoe die twee vormen te zware kost zijn geworden. Noch het stilistische experiment, noch de ambitie te begrijpen manifesteert zich erin. Literatuur is onderhoudend, meer niet.»

Arjan Peters (recensent van ‹de Volkskrant›): «Tien jaar geleden zou dit lijstje er echt niet beter uitgezien hebben. Het is wel gemengder geworden. Je kunt de literatuur niet meer in stromingen verdelen — gelukkig niet. Net als de samenleving niet meer in zuilen is te verdelen. Je kan zeggen dat de integratie in de literatuur al behoorlijk gelukt is, en dat is niet onze verdienste, maar die van allochtone schrijvers. En het is gebeurd op zo’n manier dat we er echt van staan te kijken. Er is geen Nederlander die zo’n rijk palet bewerkt als Bouazza en Benali. Ze zijn geen franje of versiersel maar staan midden in de literatuur.»

Maarten Doorman (hoogleraar literatuurkritiek in Maastricht): «Niet tien maar dertig jaar terug had de lijst er wellicht sterker uitgezien. Dat komt omdat men in deze tijd de volwassenheid steeds langer kan uitstellen. Dat verklaart volgens mij ook de hoge gemid delde leeftijd, 37, waarop men tegenwoordig debuteert. Maar er is wel degelijk rijkdom. Het is een tijd van pluralisme en dat zie je terug in deze lijst: uiterst diverse auteurs met een verschillend oeuvre. Er wordt veel geklaagd over de kwaliteit van de Nederlandse letteren, maar waar zet je het tegen af? Je moet deze lijst niet vergelijken met die van Granta — het Angelsaksische taalgebied is vierhonderd miljoen mensen rijk, het Nederlandse taalgebied amper twintig miljoen. Eigenlijk moet je deze lijst dus vergelijken met die van Bulgarije, niet met die van Engeland of Amerika.»

Hans Maarten van den Brink (schrijver): «Het is heel moeilijk om tegenwoordig een lijst van schrijvers onder de 35 jaar samen te stellen. Ik vind het ook niet verkeerd dat die gemiddelde leeftijd van debutanten 37 is. Jonge schrijvers fabriceren meestal toch ook erg jonge boeken. Ze beschrijven hun eigen jeugdige leven, hoe ze zuipend, snuivend, neukend en spuitend de ondergang tegemoet gaan. Hoe het is om jong te zijn, en de hoofdpersoon heeft altijd werk waarbij hij nooit hoeft te werken. Zo zijn het dikwijls journalisten die zelden een deadline hebben en nooit vroeg op hoeven.

Begrijp me goed, ik heb niets tegen zulke boeken. Als schrijvers er maar geen stiel van maken, als ze maar dat tweede en derde boek schrijven dat wél een interessante thematiek heeft.»

Maarten Doorman: «Ik vind die thematiek wel degelijk interessant. Jonge mensen die het leven van de nacht leiden, die in een spiegelmaatschappij van de dagelijkse werkelijkheid verkeren. Daar is niets mis mee. Ik constateer dat het gebeurt, dat men de volwassenheid kan blijven uitstellen, maar ik verzet me tegen het denken in generaties. Natuurlijk ontkom je er niet aan, maar het is ook een teken van intellectuele luiheid.»

De namen

Peter Verhelst (schrijver van 40): «Zoals elke lijst is deze lijst discutabel, maar er zitten een paar zeer goede schrijvers bij: Paul Mennes en Hafid Bouazza vind ik zeer interessant, omdat zij hun eigen ding hebben gevonden, waarin ze onmiskenbaar naar een hoogtepunt toegroeien. Op basis van Vrije val kun je van Saskia de Coster ook veronderstellen dat ze ooit een boek zal schrijven waar je van achterover valt, maar voor hetzelfde geld verdwaalt ze ergens onderweg. Dat gevaar bedreigt trouwens elke schrijver: voor je ’t weet, word je een machine die zichzelf herhaalt.»

Arnon Grunberg (schrijver van de lijst): «Het is niet mijn taak veel van anderen te verwachten. Dat moeten ze zelf maar doen.»

Miguel Declercq (schrijver van de lijst): «Ik verwacht het meest van mezelf — neeneeneenee: van Pfeijffer, die is als dichter uitzonderlijk goed. En van Saskia de Coster — een mooi meisje.»

Hans Goedkoop (criticus ‹NRC Handelsblad›): «Esther Gerritsen is een talent dat een heel eigen universum schept — letterlijk, haar personages zijn soms wezens van een andere planeet en zijn op de onze in elk geval niet thuis. Maar dat universum is nog wel vrij beperkt. Het zou goed zijn als die buitenissige personages van haar zouden uitgroeien tot wezens met meer vlees en bloed. Benali’s eerste boek vond ik niet slecht, al vroeg ik me soms af of een passage nu typisch Arabische verteltraditie was, of toch gewoon onhandig opgeschreven. Die Mennes kan eraf. Die boeken gaan werkelijk over niets meer dan over mensen die voor de televisie zitten en zich vervelen boven een zak chips. Dat is de tijdgeest, platgeslagen tot twee dimensies of nog minder. Hij houdt ons voor hoe vervelend het leven is, maar uiteindelijk is het van tweeën één: óf je vindt dat echt en maakt een eind aan je leven, óf je ontdekt er nog iets aardigs in.

Ilja Leonard Pfeijffer en Arnon Grunberg zijn echte natuurtalenten, schrijvers die zich in hun woorden in hun element lijken te voelen als dolfijnen in de zee. Het zijn allebei veelschrijvers, ze doen niks liever dan tikken, en ze zijn dus wisselvallig. Maar je kunt niet om ze heen, omdat de kracht van kunst uiteindelijk niet in de moraal of in de schoonheid van het werk zit, maar in iets onbenoem baarders als kracht. Domweg kracht. En dat hebben deze twee, zelfs in hun minste werk.

Herman Brusselmans (schrijver, 40+): «Paul Mennes en Arnon Grunberg. Grunberg ergert me wel; in mijn roman Een kus in de nacht voer ik ’m op als een absolute eikel. Maar ik ben niet te beroerd om toe te geven dat hij desondanks wel kan schrijven. Je vraagt je altijd af of hij het nu allemaal meent of niet. Zijn brieven aan Humo verstuurt hij nu eens vanuit Straatsburg en dan weer vanuit Calcutta, maar het blijft best mogelijk dat hij het allemaal in zijn achterafkamertje zit te bedenken. Dat is onmiskenbaar een pluspunt.»

Hugo Bousset (hoofdredacteur literair tijdschrift ‹Dietsche Warande Belfort›): «Saskia de Coster. Ze maakt video’s, haar werk is dan ook gelinkt aan de beeldcultuur. Zij zet een enorme hoeveelheid beelden met een hoge snelheid in werking, waardoor het effect van een centrifuge ontstaat: door de snelheid plakken al die beelden tegen de kant en krijg je een holte in het midden. Dat vind ik aangenaam. Bovendien is haar taal heel zinnelijk, de lezer wordt gemasseerd door woorden.»

Arjan Peters: «Die Saskia de Coster ken ik niet eens, wat me toch ook geen goed teken lijkt. De enige Costers die ik ken, zijn Laurens Janszoon en Dirk. Laurens toonde zijn waar op de markt van Haarlem en er zijn nog altijd Hollanders die geloven dat hij de boekdrukkunst heeft uitgevonden. Verder ken ik Dirk Coster, die in de jaren dertig criticus was. Du Perron heeft hem nog afgemaakt in het boek Uren met Dirk. Dat waren nog eens tijden! Toen moest iemand een heel boek schrijven om een criticus neer te halen.

Hafid Bouazza is onmiskenbaar een groot talent. Maar hij zal er iets op moeten vinden dat de woorden niet met hem aan de haal gaan, in plaats van andersom. Gedrevenheid is goed, maar het kan omslaan in spielerei. Ilja Pfeijffer zit daar ook nog helemaal in. Als je de verzamelde gedichten van Lucebert leest alvorens je Pfeijffer ter hand neemt, zie je dat Pfeijffer gewoon een vaardige leerling is. Dat is ook de klassieke manier, hè? Eerst ga je eindeloos vertalen, dan imiteren en dan volgt uiteindelijk de emulatio, waarbij de schrijver over de eigen voorbeelden heen springt. Die laatste sprong moet Pfeijffer nog maken. Hij weet wat het is om drift in taal om te zetten, zoals in Rupert is te zien, maar tegelijkertijd heeft dat boek iets van schriftuurlijke masturbatie die niet tot bevrediging leidt, maar het hoogtepunt buiten de pagina’s laat vallen. Pfeijffer wil veel, maar het is vooralsnog een solistisch plezier. En dat is natuurlijk niet de gedachte van het schrijven.»

Michaël Zeeman: «Hagar Peeters en Ilja Leonard Pfeijffer zijn onmiskenbaar talenten, van Saskia de Coster en Miguel Declercq moet ik het allemaal nog zien. Een uitzondering is Abdelkader Benali en, op een andere manier, Hafid Bouazza. Benali heeft een ongekend ruime blik op de literatuur. Ik durf er wat om te verwedden dat hij veel meer gelezen heeft dan alle anderen bij elkaar. Dat zie je aan zijn stijl, dat zie je aan zijn onderwerpen. Hij zoekt nadrukkelijk aansluiting bij internationale ontwikkelingen en buitenlandse voorbeelden. Bouazza cultiveert zijn bronnen en ook zijn bronnen wijken af van die van zijn autochtone collega’s. Als de literatuur weer wat vlucht neemt, de komende jaren, moet het daarvan komen. Misschien moet je het definitieve failliet van het Nederlandse literatuuronderwijs aflezen uit de contemporaine werken van jongeren: weinig goede voorbeelden genoten, vooral lekker veel Yvonne Keuls gelezen. De literaire sensibiliteit, waarover ze onmiskenbaar beschikken, is nooit behoorlijk gevoed.»

De ontbrekende namen

Hans Goedkoop: «Het valt op dat Désanne van Brederode er niet op staat. Maar ja, ik vond haar debuut ook echt een verschrikking. Absoluut kokette egomanie. Meisje, dacht ik toen, verzin eerst eens een verhaal. Maar haar tweede, Mensen met een hobby, dat is wel een heel bizar boek. Ze heeft nog niet haar volmaakte boek geschreven, dat lijkt me duidelijk, maar ik heb hoop dat het nog wel gebeurt.»

Maarten Doorman: «Van Brederode had er absoluut op moeten staan. Iemand die over ideeën schrijft, daar heb je er niet zoveel van.»

Arjan Peters (echtgenoot van Désanne van Brederode): «Kijk, als het een criterium is dat mensen een belofte moeten zijn, dan hoeft ze er niet bij, want de belofte heeft ze natuurlijk allang ingelost. Maar de troost is schraal, want dit geldt natuurlijk ook voor Arnon Grunberg.

Ook Mark Boog is een ontbrekend talent. Dat hij niet op de lijst staat, tekent voor mij de Nederlandse manier van ontvangst. Iedereen prijst een debuut de hemel in, en als het tweede boek sterk op het eerste lijkt, dan treedt er alweer een vermoeidheid in en toont men zich teleurgesteld. Geef die mensen toch eens de gelegenheid om een beetje op adem te komen, alvorens we ze alweer afschrijven.»

Hans Goedkoop: «Mark Boog wordt wel een belofte genoemd, dus het is opvallend dat hij niet op de lijst voorkomt. Boog is verzot op zijn eigen retorische kunnen. Het is veel vertoon van virtuoze gekte, maar met een onbetrokkenheid die mij woedend maakt. Iemand die psy choses op zichzelf zo’n interessant verschijnsel vindt dat hij vergeet om de persoon die de psychose heeft ook nog een beetje interessant te maken. Daar kan ik moeilijk in meegaan. Hij is een talent, maar er zal nog wel iets moeten veranderen.»

Gemeenschappelijk

Hans Goedkoop: «Van dit lijstje kun je gods onmogelijk zeggen dat er een noemer is, tenzij misschien een zekere verbeeldingsrijkdom, hoe obligaat dat ook klinkt. Je zou kunnen zeggen dat het een generatie betreft zonder helder vertrekpunt, in tegenstelling tot hen die moesten afrekenen met oorlog of gereformeerde ouders. De schrijvers van deze lijst zijn allemaal in grote welvaart opgegroeid, een situatie die geen weerstand biedt waaraan je je kunt ontwikkelen. Het kan alle kanten uit, en dat biedt vrij spel voor verbeelding.»

Kristien Hemmerechts (schrijfster, 40+): «De mensen uit deze lijst die ik goed vind, delen zelfspot. Dat kan ik wel waarderen, want de oudere literatuur neemt zichzelf vaak veel te ernstig. Ik hou van zelfrelativering in een soepele stijl.»

Paul Mennes (schrijver van de lijst): «Ik denk dat alleen de leeftijd ons allemaal bindt. Ik kan hoogstens iets gemeenschappelijks tussen twee schrijvers ontdekken, bijvoorbeeld een soortgelijke houding bij Grunberg en mezelf.»

Miguel Declercq: «Ik zie ook wel individuele overeenkomsten: toen ik Ramsey Nasr onlangs op tv bezig hoorde over grote thema’s als het leven, de mens en de toekomst, begon ik spontaan instemmend te knikken. Dat is iets heel anders dan zomaar voortborduren op wat de postmoderne generatie voor ons zoal gedaan heeft — ik ben die mensen intussen grondig beu.»

Peter Verhelst: «Wel gemeenschappelijk is dat al deze mensen niet alleen romans schrijven: de meesten zijn ook bezig met theater, sommigen met poëzie. Dat kan alleen maar helpen om tot een nieuw soort taal te komen. Dat is een groot verschil met de schrijvers van vorige generaties, die zich beperkten tot één genre en daardoor ook makkelijker vervelend werden.»

Esther Gerritsen (schrijfster van de lijst): «Ik denk dat deze generatie anders omspringt met engagement. Vroeger werd het als iets positiefs gezien als je idealen had, als je een beeld had waar het met de wereld naartoe moet. Wie geen idealen had, werd van desinteresse voor zijn omgeving beschuldigd. Maar voor mij is de idee ‹later wordt alles beter› gewoon de andere kant van ‹vroeger was alles beter› — deze generatie heeft volgens mij een grotere realiteitszin: we proberen met de werkelijkheid om te gaan zoals ze is.»

Peter Verhelst: «Literatuur heeft nooit impact gehad. Wie zegt dat kunst elitair is, geeft simpelweg leep stem aan de pure vox populi. Dat wil niet zeggen dat een boek nooit maatschappelijk relevant kan zijn — elk goed boek ís maatschappelijk relevant. Nu nog een roman uitgeven die een tikje complex is, is bijna een daad van maatschappelijk verzet.»

Arnon Grunberg: «Maatschappelijk relevant, wat dat ook precies moge betekenen, zal een roman, zelfs een authentiek geëngageerde, nooit zijn. Als je maatschappelijk relevant wilt zijn, moet je veel op televisie verschijnen, want de maatschappij kijkt televisie, tussen het shoppen door. Dat je je als schrijver in de periferie van die maatschappij bevindt, moet je de maatschappij niet kwalijk nemen, dat is net alsof het gaatje in de tand het gebit verwijt dat het alleen maar een gaatje is en niet een mooie verstandskies, of een rij blinkende voortanden. Het gaatje kan natuurlijk groter worden en voor flink wat tandbederf zorgen. Dat ben ik ook wel van plan.»

Het literaire klimaat

Arnon Grunberg: «Als schrijver ben je je eigen literaire klimaat, je bent geen politicus, afhankelijk van de luimen van een geestelijk gehandicapt electoraat. En als je daar wel afhankelijk van bent, heb je het verkeerde beroep gekozen.»

Miguel Declercq: «Volgens mij is het klimaat nooit zo goed geweest: er zijn tegenwoordig veel jonge schrijvers, er gebeurt ontzettend veel rond literatuur. Ik heb daar soms mijn bedenkingen bij, ik weet niet of van De Nachten of Crossing Border veel heil uitgaat. Ik ben een ivorentorenschrijver: ik doe gewoon mijn ding en zie wel wat het wordt.»

Esther Gerritsen: «Ach, het is altijd handig als je jong bent: je krijgt veel meer publiciteit. Het best ben je gewoon jong, vrouwelijk en allochtoon — de vraag is of je blij moet zijn met al die publiciteit.»

Kristien Hemmerechts: «De mediamachine kijkt altijd vooruit, is altijd op zoek naar het volgende. Toen ik begon, ging het allemaal veel langzamer. Als je een stem, een stijl, een talent hebt, is de kans groot dat je snel wordt opgepikt.»

Paul Mennes: «Schrijvers moeten vandaag meteen renderen. Het boekbedrijf begint steeds meer op de muziekindustrie te lijken: er worden veel mensen gecontracteerd, die moeten meteen een boek of cd afscheiden, en als eentje op twintig een beetje verkoopt is dat oké en worden de overige negentien meteen ijskoud gedumpt.»

Esther Gerritsen: «Toen Edward Albee, schrijver van Who’s Afraid of Virginia Woolf, de klacht werd voorgelegd dat er toch zo weinig mensen naar theater gaan, antwoordde hij: ‹Ten tijde van Shakespeare waren openbare ophangingen het meest populair, en op de tweede plaats kwamen berengevechten. Alleen als dat allemaal uitverkocht was of vol zat, gingen de mensen naar Shakespeare. Enige relativering is op zijn plaats.›»