Tienduizend stappen

Mijn generatiegenoten zitten op de bank naar Netflix-series te kijken. Ze hebben genoeg geld om de wereld rond te reizen, maar een serie is tegenwoordig spannender. Ze moeten er alleen voor zorgen hun tienduizend stappen te doen, dat is zo’n 7,5 kilometer, en verder moeten ze met hun Apple Watch hun hartslag in de gaten houden en op tijd hun pillen slikken.

Dat is hun dagtaak waarvoor ze jarenlang pensioen hebben gespaard.

‘Ga je mee dansen? Er is speciaal dansen voor ouderen!’

De zin is krenkend.

Gentlemen never dance. Ik heb ook nooit gedanst. En dan dat snerpende woord ‘ouderen’ wat naarmate de tijd verstrijkt een veroordeling tot de dood inhoudt.

Ikzelf geef de voorkeur aan het wandelen met de hond.

De hondenstruin haalt poëzie in mij naar boven.

‘Hij blaft zich naar buiten.

Daar slurpt hij de straat op

En vindt voedsel in dood

Gevederte, of groot grijs gemuisden

Die de stad verduisterden.

De waarheid is voor hem

Wat zijn tong weegt

En wat hij stuk kan knagen.

De grootste vragen

Hebben been, knoken.

Hij zoekt een knekelparadijs.

Ook ik tong de waarheid

En knaag mijn hersens stuk.

Wat mijn maag niet verdraagt

Zijn mijn dromen en nachtmerries

Waarin geen verschil meer zit.

Hij is nog jong

Zo schuif ik langs de mislukte soort die mens heet in het besef dat ik één van hen ben

Hij ruikt het vlees dat van mijn knoken valt.

En springt wild tegen mij op.

Hij wil mij opvreten.’

Zo schuif ik langs de mislukte soort die mens heet in het besef dat ik één van hen ben.

‘Heb jij al je AOW?’

Waarom wil men dat toch weten?

‘Nee, ik heb het nog niet’, zeg ik glimlachend. Ik glimlach me de hele dag door omdat de vragen die je krijgt richtingaanwijzers naar de hel zijn en ik een afslag wil nemen zonder dat iemand het merkt. Ik nip mijn koffie en weet dat ik straks de vraag krijg of ik nog zo rechts ben.

‘Waarom ben je zo rechts? Dat was je vroeger niet.’

Ik schaats wat pirouetten met mijn antwoord en doe geïnteresseerd.

‘Ik heb iets wat je zal schokken’, wordt mij gemeld.

Mijn oor suggereert dat het zich spitst. Maar deze keer interesseert mij de mededeling werkelijk: ‘Ik overweeg katholiek te worden.’

‘Dat kost niets, zei Gerard Reve altijd, alleen wat je er zelf voor over hebt. Liever ietsje meer dan iets minder natuurlijk.’

We lachen.

‘Vind je het niet raar dat ik katholiek wil worden?’

‘Ik zou het raar vinden als mijn hond zou zeggen dat hij katholiek wil worden’, zeg ik.

‘Wil je niet weten waarom?’

Dat gesprek probeer ik juist te vermijden.

‘Ik wil dus katholiek worden, terwijl ik niet in God geloof. Ik doe het voor de troost.’

Mijn hond knauwt een bierviltje in duizend stukjes. Terwijl ik iets hoor over rituelen en jeugd raak ik door een irritatie waarvan ik niet meer kan achterhalen waar hij vandaan komt in een trance en flitsen mijn wenkbrauwen weer even omhoog als ik het woord ‘doodsangst’ hoor.

Ja jongen, dansen voor ouderen, wandelen voor ouderen, voetbal voor ouderen, iets met een klok die dreigt stil te staan en een zeis die zoeft als een laagvliegende zwaluw, maakt dat je de moederkerk weer wil binnentreden.

‘Ik vond het erg gezellig.’

‘Ik ook’, zeg ik.

Ik kijk op mijn stappenteller.

Floris Tilanus