Ger Groot

Tijd

Op de dag van de dood van Jan Wolkers zoek ik in mijn boekenkast, en vind geen enkel boek van hem. Toch weet ik zeker dat ik een en ander uit zijn werk gelezen heb – al zijn daar weinig indrukken van blijven hangen. Er was iets met een vishaakje in meisjesvlees, zo herinner ik mij uit Terug naar Oegstgeest: de archetypische combinatie van wreedheid en liefde waarover alle necrologieën reppen. En er was de woeste seks uit Turks fruit, waarvan de filmbeelden mettertijd over de leesfantasie heen zijn geschoven. Vieze insecten, kronkelend over de borsten van Monique van de Ven als aankondiging van haar dood: zat dat ook in het boek? Qua subtiliteit waren Wolkers en Paul Verhoeven wel aan elkaar gewaagd.

In de vroege jaren zeventig kwam de seks in de Nederlandse bioscopen voornamelijk uit Tirol, onder titels als ’T is pas goed als een Tiroler ’t doet of Met mijn waldhoorn tussen jouw alpen. De verfilming van Turks fruit paste daar keurig tussen en de zalen liepen vol. Met seksuele bevrijding had dat niet zo veel uit te staan; met ongegeneerder vermaakvormen des te meer. Turks fruit was de jaren-zeventigversie van De bonte dinsdagavondtrein, of Haanstra’s Fanfare.

Intussen werd het boek wel door jan en alleman gelezen. Het waren de jaren waarin Boudewijn de Groot zong over de gymnasiast ‘die Tacitus en Wolkers kent’: een vergelijking die ook toen al minder schokkend dan bevreemdend was. Want ‘klassiek’ was wel het laatste woord dat bij deze vrijbuitersliteratuur opkwam – en van haar kant leek die daar ook niet naar te talen.

Terecht, vermoedelijk. Want inmiddels begon het oeuvre van Jan Wolkers zichzelf zo zoetjesaan te overleven. De kritieken werden van De walgvogel tot De doodshoofdvlinder steeds zuriger en noopten almaar minder tot lezen, voorzover de cliché geworden boektitels dat zelf al niet deden. Dood, bederf en ondergang: in de verhalenbloemlezing Het afschuwelijkste uit Jan Wolkers werd die kokette mix van aanstootgevendheid tot in de titel vercommercialiseerd in wat nu een ‘marketingconcept’ zou heten.

Zomerhitte, het boekenweekgeschenk van 2005, onderstreepte ten overvloede hoe gedateerd de inzet van het werk inmiddels wel niet geworden was. Het oude nummer was een nummertje geworden, in een tijd die daarvan dagelijks al veel te veel krijgt voorgeschoteld. Wolkers’ grootheid bleek gezocht te moeten worden in een steeds verder terugliggend verleden, zodat je, achterwaarts het oeuvre afpellend, ten slotte uitkwam bij Serpentina’s petticoat: Wolkers’ debuutbundel en volgens Maarten ’t Hart het indrukwekkendste wat hij ooit geschreven heeft.

Wellicht moet je het calvinisme en de mores van vóór de seksuele revolutie hebben beleefd om het werk van Wolkers te waarderen. Ik ken ze geen van beide goed genoeg en van Wolkers’ populariteit heb ik dan ook weinig méér begrepen dan van die van zijn pipse literaire neefje ’t Hart. Beider publieke verschijning wekte alleen gemakkelijk de misvatting dat lijzig praten een wezenskenmerk van het Nederlandse calvinisme is.

Juist in die openbare rol is Wolkers gaandeweg zijn literaire betekenis ontstegen. Hij werd een symbool van de jaren zestig en vooral van hun Sturm und Drang, die met de daaropvolgende oliecrisis ook weer snel verwoei. Niet bij toeval beleefde hij als publieksfiguur zijn hoogtepunt aan de vooravond daarvan, in de zomer van 1971, tijdens het verblijf van een week op een verlaten Rottumerplaat. Hij liep er poedelnaakt rond en redde er een zeehondenjong, tot ontroering van de miljoenen die zijn radioverslagen dagelijks beluisterden.

Over de tijdsafstand heen blijken die uitzendingen (verkrijgbaar op de cd-cassette Alleen op een eiland) nogal bevreemdend. Want inmiddels werkt Wolkers’ ooit bewonderde vitaliteit vooral vermoeidheid en een lichte wrevel op. Het is allemaal té veel, té gretig, en krijgt van de weeromstuit zelf iets alpenneukerigs. Nazinderen doet op deze cd’s veeleer de lijdensweg van Godfried Bomans, die Wolkers op Rottumerplaat een weeklang was voorgegaan. Niet omdat hij een betere of zelfs tijdlozere schrijver geweest zou zijn – verre van dat. Maar omdat zijn ondergangsgevecht met de natuur op een zoveel aangrijpender wijze over de jaren heen reikt en de tragiek daarvan de gedateerdheid ontstijgt.

Ook voor Jan Wolkers geldt dat zijn beklijvende betekenis niet in zijn boeken ligt, te zeer verbonden als ze zijn met plaats en tijd. Zelf zag hij zich allereerst als plastisch kunstenaar en daarin heeft hij gelijk gekregen. Vermoedelijk wacht de schrijver Wolkers hetzelfde lot als dat van andere literaire tijds- en cultuurgetuigen: de Schoolmeester of Hildebrand. Maar als schilder en vooral als beeldhouwer bracht hij de schitterendste dingen voort die alle tijd trotseren.