H.J.A. Hofland

Tijd en troon

In 1937 beleefde ik mijn eerste koninklijk huwelijk. De stad werd geïllumineerd met de letters J en B en wij kinderen werden op school gedwongen het volkslied van Lippe te leren, dat is het vorstendom waarvan Bernhard de prins is. «Lippe-Detmold, eine wunderschöne Stadt, da drinnen ein Soldat, er muss marschieren in den Krieg wo die Kanonen stehen.» Als tienjarige wist ik al wie de prins was. Hij was, nog in zijn verlovingstijd, met zijn Ford V8 op de Terbregseweg in Rotterdam — bij mij om de hoek — tegen een met zand geladen vrachtauto gereden. Dat zijn de voornaamste gebeurtenissen waardoor ik besefte dat ik in een koninkrijk woonde.

Het werd 1966. Weer een koninklijk huwelijk. Intussen werkte ik bij het Algemeen Handelsblad aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Op die dag probeerde ik met de auto de krant te bereiken. Alle toegangswegen waren door de ME afgezet. Ik werd boos, riep tegen een ordebewaarder dat de oorlog was afgelopen, werd met arrestatie bedreigd. Bereikte lopend langs de zwaar bewaakte Rozengracht de redactie. Ik moest de trouwfoto’s uitzoeken. Zo heb ik dit huwelijk zich zien ontwikkelen, van het begin van de rijtoer via de rookbom naar de Westerkerk.

Toen kwam de inhuldiging van 1980. «Geen woning, geen kroning.» Daarmee was de Amsterdamse Stadsoorlog pas goed begonnen. Het einde ervan kwam in 1984, nadat burgemeester Ed. van Thijn zich uit de Staatsliedenbuurt had laten verjagen. Dat konden de socialisten zich niet veroorloven. Troelstra’s mislukte revolutie van 1918, de muiterij op de Zeven Provinciën in 1933 en de Stadsoorlog passen in dezelfde rij. Ze bedreigden niet de gevestigde orde maar het Nederlandse, zo gematigde socialisme, dat daardoor buiten spel raakte.

Ieder koninklijk huwelijk ligt ingebed in zijn eigen tijd. In 1937 hielden de republikeinse socialisten een low profile omdat ze weer in de regering wilden. In 1966 was het huwelijk in Amsterdam inleiding tot het toppunt van de circus jaren zestig, maar buiten Amsterdam niet. Socialist Van Hall legde het loodje. Na 1984 is de kraak beweging vanzelf verdwenen, verbruikt en geïsoleerd. Daarmee hebben de PvdA en Van Thijn geluk gehad.

De Nederlandse monarchie wordt alleen bedreigd als de massa links van het midden zich tot de republiek bekeert. De leiders van het Nederlandse socialisme proberen dat juist te voorkomen. Drie socialistische premiers hebben zich tot het uiterste ingespannen om de monarchie uit een schandaal of een nationale controverse te bevrijden: Drees in de zaak Hofmans, Den Uyl in het Lockheed-schandaal en Kok met Zorreguieta.

Kok heeft het verreweg het gemakkelijkst gehad. Dat heeft drie oorzaken. In de afgelopen tien jaar heeft de natie zich in welvaart en entertainment gedepolitiseerd. Beatrix is een staatshoofd dat zich in non-populistische koelheid consequent boven de partijen heeft gehandhaafd; zich niet door links, noch door rechts heeft laten monopoliseren. En de kroonprins heeft de bruid getroffen die volmaakt bij deze tijd past: de mooie, gretige jongedame die ook door een gebroken been niet uit haar humeur te krijgen is. Van de hiërarchische standenmonarchie in het interbellum, via de koele, afstandelijke monarchie van Beatrix, gaan we naar de entertainmentmonarchie van de televisie, waarin Máxima en WA de aller bekendste Nederlanders zijn, in deze volgorde.

De verschijningsvorm van de Oranjes wisselt. Ze weten hoe ze zich moeten handhaven. Ze passen zich aan, zoals hun potentiële tegenstanders zich aan de Oranjes aanpassen. Het is een onuitgesproken machtsevenwicht. Zolang beide partijen hun intuïtie daarvoor niet verliezen, houden de Oranjes de troon, en daarmee hun merkwaardige macht.