De angst voor de stadsoorlog

Tijd is bloed

Een stadsoorlog duurt altijd langer dan voorzien, eist meer verliezen dan gecalculeerd, levert altijd burgerslachtoffers op, en balanceert op het randje van het oorlogsrecht. Amerika vervolgt evenwel zijn opmars naar Bagdad.

Elke generaal kent het werk van de briljante Chinese strateeg Sun Tzu. «Het slechtste wat je kunt doen, is een ommuurde stad belegeren», waarschuwde hij reeds vier eeuwen voor Christus. Zijn raad: vermijd een verdedigde stad als dat kan, al voel je je nog zo machtig. Een beleg kost veel tijd, en eindigt vaak desastreus. «De generaal die zijn irritatie niet meer in de hand heeft, zal zijn mannen laten aanvallen, rondzwermend als mieren, met als resultaat dat een derde van zijn mannen zal sneuvelen, terwijl de stad niet is ingenomen.»
Ongetwijfeld hoopten de Amerikaanse militaire planners dat de race door de Iraakse woes tijn niet zou eindigen in een stadsoorlog. Want daarin zijn vooral de Amerikanen, die het leeuwendeel van de troepen voor Operation Iraqi Freedom leveren en het opperbevel voeren, bar slecht getraind. Maar volksopstanden en moordaanslagen op Saddam Hoessein bleven tot nog toe uit. Minister van Defensie Donald Rumsfeld heeft eindelijk gesproken: Bagdad zal omsingeld worden zodra de versterkingen zijn gearriveerd. De woestijnoorlog verzandt in een beleg, en de snikhete Arabische zomer is in aantocht.
Elders in Irak is de stadsoorlog al aan de gang. Hoewel Bagdad nog niet is bereikt, zijn het beelden van soldaten die deuren intrappen, over muurtjes klauteren en hun machinegeweren legen in de nacht die de laatste dagen domineren. De Britten en Amerikanen lijden onder hun meer dan vijfhonderd kilometer lange aanvoerlijnen. De Iraakse minister van Informatie sprak smalend over «een slang, en wij gaan die slang in stukken snijden». De slang kronkelt door plaatsen met inmiddels illustere namen: Umm Qasr, Nasiriyah, Najaf, Kerbala. Terreinen van even zovele smerige stadsguerrilla’s.
Sinds de slag om Stalingrad (1942-1943) is stedelijke oorlogvoering het moderne wapen van de underdog. De verdedigers van een stad kennen de krochten, de schuilplaatsen en de ondergrondse bunkers. Elk in puin geschoten gebouw wordt een vesting met ontelbare schietgaten, elk ziekenhuis een wapenopslagplaats, elke rioolbuis een gelegenheid om in de rug aan te vallen. De verdedigers respecteren God noch gebod. Burgers worden verjaagd, ingelijfd of gebruikt als menselijk schild; krijgsgevangenen krijgen de kogel, want waar moeten ze gehuisvest? Het leger dat zich gebonden acht aan een nette moraal waarin burgerslachtoffers niet worden geaccepteerd — of dat nu uit principe is of slechts om het thuisfront gunstig te stemmen — heeft per definitie een militaire achterstand. Want stedelijke oorlogvoering heeft de hardnekkige eigenschap pijlsnel te escaleren.

Sun Tzu’s devies gold voor Hitlers Zesde Leger net zo goed als voor elke andere moderne strijdmacht. Maar Hitler moest en zou de stad veroveren met de naam van zijn grootste vijand. De verdediger van Stalingrad, generaal Vasili Tsjoekov, liet zijn mannen vechten met alles wat ze hadden. Overvalcommando’s hanteerden messen en geslepen spaden om geluidloos te kunnen doden. Het Duitse Zesde Leger was zo bezig met het bevechten van de Russen (soms werd wekenlang gestreden om een huizenblok) dat het te laat zag dat het werd omsingeld. De strenge Russische winter maakte het karwei af. Een keerpunt in de oorlog. Tijd winnen, dat was de kern van Tsjoekovs strategie. Het ontbrak hem aan wapens en munitie, hij had slechts mensen. «Tijd is bloed», concludeerde hij.
Wie zich een stad binnenvecht, verliest greep op de militaire operatie, hoe modern uitgerust ook. Radioverkeer is belabberd tussen hoge gebouwen en elektriciteitsmasten (in Grozny losten de Tsjetsjeense rebellen dat op door elkaar gewoon mobiel te bellen), artillerie is nutteloos, zelfs schadelijk, want ruïnes komen de verdediger goed uit, luchtaanvallen zijn eveneens weinig effectief, en het beschieten van eigen troepen is eerder regel dan uitzondering. In de stadsguerrilla wordt een hightech_-_leger gereduceerd tot een verzameling individuele strijders. Hun enige kans op overleving, laat staan overwinning, is hun vaardigheid in het gevecht van man tot man. De stadsoorlog is dan ook de nachtmerrie van elke commandant die is opgevoed met conventionele doctrines, zoals die gelden bij een tankrace door de woestijn. Vooral de Amerikanen zullen het moeilijk krijgen — Britse eenheden hebben al sinds de jaren twintig ervaring met stadsgevechten in Noord-Ierland.
Maar ook Hoessein krijgt versterking. Jihad-strijders, gepokt en gemazeld in de stedelijke strijd, zouden onderweg zijn om de Irakezen bij te staan. Volgens Amerikaanse inlichtingendiensten hebben Tsjetsjeense milities zich al in de strijd gemengd. Deze onverslaanbare meesters der stadsguerrilla wisten in 1995 in de ruïnes van Grozny ruim een jaar een superieure Russische troepenmacht te weerstaan en uiteindelijk te verslaan, met minimale middelen. De Russen begingen fouten die ook Hitler maakte: ze on derschatten de verbetenheid van de verdedigers, maakten met hun bombardementen de stad tot een onneembaar doolhof en verwaarloosden zowel hun flanken als hun bevoorradingsroutes.

Verplichte lesstof voor Amerikaanse strategen? De perikelen rond de bevoorradingskonvooien in Irak doen vermoeden dat die lesstof de leerlingen niet heeft bereikt. Vorig jaar sloeg Morgan N. Savage, de kapitein der mariniers, alarm. De beperkte aandacht voor het bevoorraden van gevechtseenheden en het beschermen van konvooien was volgens hem «onacceptabel». Savage wees erop dat de mariniers die de bevoorrading verzorgen «nauwelijks een idee hebben» hoe zich te gedragen als ze in een hinderlaag terechtkomen, en zelfs niet weten hoe ze een zwaar machinegeweer moeten hanteren.
Ook van de Israëlische belegering van Beiroet in 1982, toen Ariel Sharon minister van Defensie was, valt iets te leren. Doel was de PLO uit te schakelen. Dat lukte pas na een beleg van zeventig dagen, waarbij bijna zevenduizend mensen werden gedood, meer dan tachtig procent daarvan ongewapende burgers. Velen van hen weigerden de stad te verlaten tijdens de gevechten. De strijd eindigde pas toen Arafat en zijn getrouwen ballingschap aanvaardden. Ze gedroegen zich als overwinnaars: de strijd kon immers worden voortgezet buiten Libanon.
Pas sinds vorig jaar beschikken de Amerikaanse strijdkrachten over een doctrine voor de stadsoorlog waarin het optreden van marine, lucht- en landmacht en speciale en ondersteunende eenheden wordt gekoppeld. In deze Doctrine for Joint Urban Operations wordt benadrukt dat een stadsoorlog altijd langer duurt dan voorzien, meer verliezen eist dan gecalculeerd, altijd burgerslachtoffers oplevert (welk precisiewapen ook wordt gebruikt), ten enen male de infrastructuur beschadigt en onvermijdelijk balanceert op het randje van het oorlogsrecht. IJzeren discipline en stalen zenuwen van de troepen zijn absolute voorwaarden om oorlogsmisdaden en fatale tactische fouten te voorkomen. Een groot deel van de troepen zal na de strijd te maken krijgen met psychische stoornissen, en commandanten moeten hun manschappen voorbereiden op gevechtstaken én humanitaire en politionele missies. Want de strijd is pas gestreden als de stad weer functioneert.
De doctrine belooft weinig goeds voor de strijd in Iraks steden. Erger: in 2000 stelde een panel van experts in stedelijke oorlogvoering vast dat de VS niet klaar waren voor de stedelijke strijd. Er was groot gebrek aan trainingsprogramma’s. Twee jaar later waren die wel aanwezig, zij het in beperkte mate. Maar in zijn evaluatie van enkele van die programma’s stelde kapitein der mariniers R.C. Piddock dat zijn korps nog steeds niet afdoende was voorbereid op «gevechten met een hoge intensiteit». In datzelfde jaar kwam het Pentagon met de stadsoorlogsdoctrine, die op papier misschien indrukwekkend oogt, maar in de praktijk niet gevolgd kan worden wegens gebrek aan vaardigheden. Probleem: troepen die niet tegen hun taak zijn opgewassen, gedragen zich (zo wordt nota bene in het document zelf gesteld) onnodig wreed.
Misschien is het meest vege teken nog wel dat in een aparte stadsoorlogsdoctrine voor het Amerikaanse Korps Mariniers de verschrikkelijke strijd om de Vietnamese stad Hue in 1968 in het geheel niet voorkomt. Amerikaanse mariniers, die een groot gedeelte van de gevechten in Hue voor hun rekening namen, worden niet graag aan dat debacle herinnerd.
De 26 dagen durende slag om Hue is exemplarisch voor alle ellende die zich kan voordoen bij een stadsoorlog. De gevechten waren moordend. Sommige eenheden boekten nog geen vierhonderd meter terreinwinst in twee dagen tijd. De Amerikanen (mariniers en legereenheden) en de Zuid-Vietnamezen namen uiteindelijk de stad in, maar lieten meer dan zeshonderd doden op het slagveld achter. De Noord-Vietnamezen verloren volgens sommige schattingen maar liefs achtduizend man. De historisch zeer waardevolle stad werd voor veertig procent verwoest. Toen de opmars vastliep, werden ondanks aanvankelijke restricties artillerie en bommenwerpers ingezet. De burgerbevolking kwam herhaaldelijk in kruisvuur terecht (zesduizend doden). Werkelijk alles mislukte: de overdracht van bevelen, het verzamelen van inlichtingen, het naleven van de gevechtsreglementen. De mariniers waren niet getraind in stedelijke vechttechnieken. En tot overmaat van ramp speelden hun moeizame, wrede gevechten zich af voor het oog van de wereld. Vietnam was de eerste oorlog die op televisie was te volgen. De verovering van Hue markeerde de definitieve ommezwaai in de publieke opinie back home: de steun voor de oorlog daalde tot een dieptepunt. Slag gewonnen, oorlog verloren.

In Irak worden opnieuw strategische en operationele fouten gemaakt, ondanks de Joint Urban Operations-doctrine — die ook ingaat op mislukte acties uit het verleden — en ondanks de waarschuwingen van experts. Amerikaanse militairen blijken niet de zelfbeheersing en discipline aan de dag te leggen die stedelijke oorlogvoering vereist. Dat kost burgerlevens, zo blijkt uit door de pers gerapporteerde incidenten. In de zuidelijke steden worstelen de US Marines nog altijd met de controle over de stadscentra. Ze lijden verliezen en die komen hard aan bij een leger dat zich onoverwinnelijk waant.
De reacties van de mariniers zijn navenant. The Guardian bracht een verhaal over de marinierspraktijken in Nasiriyah onder de kop: «Mariniers zijn bezig de slag om de harten en zielen te verliezen». Volgens een assistent-chirurg in het Saddam-ziekenhuis werden een half uur nadat de lichamen van twee Amerikanen waren binnengebracht clusterbommen op bur gergebied geworpen. Daarbij werden tien burgers gedood en raakten er zo’n tweehonderd gewond. Volgens andere berichten doorkruisten agressieve marinierspatrouilles de stad, trapten deuren in en namen jonge mannen mee.
Het stadje Najaf werd omsingeld en hermetisch afgesloten na zware gevechten waarbij de Amerikaanse Derde Infanteriedivisie twee tanks en een pantserwagen verloor. Die werden uitgeschakeld op een manier die verraadt dat de Irake zen zich goed hebben voorbereid: de als onverwoestbaar beschouwde Abraham M1-tank heeft slechts één zwakke plek, en die wisten de Iraakse strijders te raken. Hetzelfde geldt voor de Apache-gevechtshelikopters. Die werden bestookt op een manier die sterk doet denken aan het debacle in Mogadishu, in 1993, waarbij achttien US Rangers (en vele Somaliërs) sneuvelden. De woede van de infanteristen in Najaf bereikte het kookpunt na een zelfmoordaanslag die vier Amerikanen en de chauffeur van de bomtaxi die zij wilden controleren, doodde. Een dag later publiceerde The New York Times een artikel van verslaggever Steven Lee Myers. Hij beschreef hoe de oorlog rond Najaf vanaf dat moment geen be vrijdingsoorlog meer was maar een strijd tegen alle Irakezen. Voor het checkpoint hing nu een bord waarop in het Arabisch stond dat men het gebied ogenblikkelijk diende te verlaten, anders zou men worden beschoten. «Vijf seconden», zei de kolonel die de getroffen eenheid leidde met een stem die volgens de journalist trilde van woede. «Ze hebben vijf seconden om weg te komen. Als ze er nog zijn na vijf seconden, zijn ze dood.» De reporter zag twee auto’s die onder vuur waren genomen. In één daarvan had een echtpaar gezeten waarvan de man werd gedood. «Zijn vrouw zag hem sterven», zei de kolonel.

In de eerste week van de oorlog waarschuwde het Pentagon de burgers van Irak vooral binnens huis te blijven, aangezien «heel Irak nu strijdtoneel is». Maar de bevolking blijft niet thuis. Ze is volop in beweging, tot gekmakens van de Britten en Amerikanen die zich weinig burgerslachtoffers kunnen veroorloven; ze kwamen immers om het volk van Irak te bevrijden, zoals president Bush afgelopen maandagnacht nog eens verkondigde, niet om het af te schieten.
In Basra, Zuid-Irak, bewegen zich grote groepen de stad in en uit. Britse troepen proberen nu al twee weken vergeefs de stad te omsingelen en het verzet van milities en reguliere troepen in het centrum te breken. Aanvankelijk meldde de BBC nog dat wie de stad uit ging, niet meer terug mocht, maar recente televisiebeelden laten zien dat het verkeer twee kanten op gaat. Een Reuters-verslaggever beschreef hoe absurd de situatie is. Hij verwachtte dat de burgers zich in veiligheid probeerden te stellen en gevaarlijke situaties zouden mijden, maar dat had hij mis. Volgens de journalist passeren honderden Irake zen dagelijks de checkpoints om Basra te verlaten. Enkele uren later keren ze terug nadat ze verwanten hebben bezocht in nabijgelegen steden als Nasiriyah. De weg tussen beide steden is nog altijd onveilig. Tot zijn stomme verbazing lieten de Britse soldaten dat toe, terwijl ze mensen die om veel dwingender redenen weg wilden de doorgang weigerden. Dat overkwam een man die een maagzweer buiten de stad wilde laten behandelen. «Wij behandelen alleen oorlogswonden», zeiden de Britten.
De combinatie van een vijandige, roekeloze bevolking op drift en gespannen militairen met hun vinger aan de trekker is precies wat commandanten willen vermijden. Zij weten dat ze zonder steun of tenminste neutraliteit van de bevolking nooit een stadsoorlog kunnen winnen. Bovendien, in de Doctrine for Joint Urban Operations wordt erop gewezen: in een stedelijke oorlog gaat de controle over de troepen makkelijk verloren, zeker als zij hun woede over verliezen in de eigen gelederen vrij baan geven. Dinsdagochtend werd bekend dat bij Najaf, bij het checkpoint van vijf-seconden-en-je-bent-dood, een voertuig werd doorzeefd, waarbij zes vrouwen en vier kinderen werden gedood. De kolonel had het bloedbad kunnen voorkomen als hij goed was opgeleid, en — zoals de Israëliërs al jaren doen — obstakels op de weg vóór het checkpoint had geplaatst.
De battle for the hearts and minds lijkt verloren. En daarmee zal de stadsoorlog nog meer slachtoffers eisen dan onder een gunstiger ge sternte reeds het geval zou zijn. Generaal Wesley Clarke, Navo-commandant ten tijde van de Kosovo-oorlog in 1999, waarschuwde voor een stadsguerrilla in Bagdad. «De gevechten zullen bol staan van de trucs die we al hebben gezien, en meer: hinderlagen, nep-overgaves, soldaten verkleed als vrouw, aanvallen op achterhoedes en commandoposten. De Irakezen zijn voorbereid missies uit te voeren met een groter risico dan wij zelf ooit zouden accepteren», schreef hij in een artikel in The Times of London.
«Hoe erg wil je het hebben», vroeg een anonieme Amerikaanse generaal zich af in The Washington Post. «We hebben de capaciteit om een stad te omsingelen en het water en de elektriciteit af te sluiten. Dat willen we niet. Het gaat om het behalen van een militair succes, niet om het aanvallen van de burgerbevolking.»
Oorlogvoering kent vele «wijsheden». «De guerrilla wint wanneer hij niet verliest, het conventionele leger verliest als het niet wint», is er zo een. Het was niet de oude strateeg Sun Tzu die dit zei, zelfs niet Mao Zedong, die een jarenlange guerrilla voerde. Het was de gewezen veiligheidsadviseur en minister van Buitenlandse Zaken van de VS Henry Kissinger, ook niet geheel onervaren, bij het voorbereiden van de pijnlijke wapenstilstand met Noord-Vietnam.