Tijd om een bladzijde om te slaan

Reageerde Nederland ook zo scherp toen Zuid-Afrika haar beroemde waarheidscommissie instelde en amnestie verleende aan misdadigers onder het apartheidsregime? Of toen El Salvador een amnestiewet afkondigde? Natuurlijk niet. Maar nu, ten aanzien van Suriname, leek het wel een wedstrijdje wie het hardst kan veroordelen.

Medium commentaar 15 2012 omslaan

Premier Rutte klonk nog een beetje als een twijfelende vader die zijn kind wil vermanen, maar niet precies weet welke straf hij zal verzinnen. Het was ‘volstrekt onaanvaardbaar’, die amnestiewet, en Nederland zou er ‘alles aan doen’ om te zorgen dat Suriname ‘merkt wat de gevolgen zijn’, zei hij. Alleen welke gevolgen, dat wist hij nog niet.

Minister Rosenthal had al een straf bedacht: de ambassadeur terugroepen uit Paramaribo. En een inreisverbod. Niet alleen voor Bouterse – die welkom in Nederland is ‘om zijn straf uit te zitten’ – maar ook direct voor alle andere verdachten van de Decembermoorden. Tweede-Kamerlid Han ten Broeke (vvd) vond dat Nederland zich moet inzetten voor een ‘internationale veroordeling’ van Suriname en voor economische sancties. Toe maar. Anderen riepen dat alle hulp aan Suriname moet worden gestopt en dat Suriname ‘geïsoleerd’ moet worden na deze schokkende daad.

Maar hoe schokkend is het? Amnestiewetten zijn toch niet een exclusief Surinaamse uitvinding, of per definitie een verwerpelijk excuus om oorlogsmisdadigers vrij te laten rondlopen? Faustin Ntoubandi noemt onder meer Argentinië, El Salvador, Zuid-Afrika en Cambodja in zijn boek Amnesty for Crimes against Humanity under International Law. Hij had ook Afghanistan, Brazilië, Libanon of Peru kunnen noemen. ‘Bijna alle opkomende democratieën die dictatoriale regimes vervangen, blijken het criminele gedrag van het oude politieke establishment niet te behandelen, of nemen hun toevlucht tot amnestie in plaats van vervolging’, schrijft hij. De wetten hebben een functie.

Is het een goede zaak, volgens de regels van het internationaal recht? Dat blijkt verdeeld, aldus Ntoubandi. Heel grof samengevat zegt het ene internationale protocol: goed idee, om na een conflict een amnestiewet af te vaardigen, terwijl een ander protocol stelt dat misdaden altijd vervolgd moeten worden. ‘Het internationaal recht is ambigu over amnestie’, schrijft Ntoubandi.

Natuurlijk hebben nabestaanden van slachtoffers er, zeer begrijpelijk, grote moeite mee. Natuurlijk maken mensenrechtenorganisaties zich boos over onschendbaarheid. Natuurlijk is Bouterse bepaald geen Nelson Mandela. En natuurlijk is de situatie in Zuid-Afrika niet goed te vergelijken met Suriname.

Maar uiteindelijk blijkt de wereld helemaal niet zo verdeeld: amnestiewetten worden internationaal veelal ter kennisgeving aangenomen. Als een land ervoor kiest om op die manier een bladzijde om te slaan, tja. Het is misschien niet fraai, het heeft wel iets schrijnends, maar het is een binnenlandse aangelegenheid en als dat land dat de beste manier vindt, oké. Het is in elk geval niet iets om je ambassadeur over terug te roepen. Laat staan een reden om over sancties te gaan praten. Logisch dus dat Nederland stilletjes bot ving. Een paar landen wilden nog net hun zorg uiten over Suriname, maar EU-­buitenlandchef Catherine Ashton maakte pijnlijk duidelijk dat Nederland alleen staat met voorstellen tot actie-op-hoge-poten. Ze riep op tot ‘verzoening en samenwerking tussen alle Surinamers’. Het klonk bijna alsof ze zei: tijd om een bladzijde om te slaan. Voor Suriname? Nee, voor Nederland.