Opheffer

Tijd rekken

Mijn poes. Ze heet Veertje. Ze heeft kanker. Vlak bij haar oog. De dokter heeft gebeld met de uitslag.

Ik vroeg wat ik moest doen. Ze zei: ‘Ja, dat moet je toch echt zelf weten.’ ‘Wat zou jij doen?’ vroeg ik. ‘Tja, als ze lijdt…’

Natuurlijk, als ze lijdt, krijgt ze een spuitje. Maar wat is lijden?

Ik merk niet dat ze pijn heeft. Ze ligt op mijn bed. Daar blijft ze liggen tot ze mij in de keuken hoort. Dan komt ze aangelopen en eet haar blikje op, drinkt wat van haar water en gaat weer op mijn bed liggen. Als ik ’s nachts bij haar kom liggen, wil ze half op mijn keel plaatsnemen, met haar kont tegen mijn neus, en elke avond duw ik haar weg, en dan vinden we als compromis dat zij zich nestelt tussen mijn hals en kin en het kussen.

Hoe weet je of een poes lijdt? Als ik haar aai, snort ze.

Leed mijn moeder?

Die had drie hersenoperaties achter de rug. Ze kon geen behoorlijke zin meer formuleren. Als ze iets wilde drinken, wees ze naar een beker en zei: ‘België.’ M’n moeder had wel duizend keer laten weten dat ze waardig wilde sterven. ‘Het is nu niet waardig meer’, zeiden mijn broer en zus. Maar ik wist het niet, ik twijfelde. Ik heb al zo vaak moeite met abstracte woorden, en waardigheid bleek er ook zo een. Het klopt: mama was niet meer waardig, ze piste in een luier en soms gooide ze alles om.

Maar leed ze? Huilde ze? Had ze pijn? Begreep ze wat er met haar aan de hand was? Was er een vorm van zelfreflectie?

Ik geloofde wel dat mama het niet erg meer vond als we haar hadden laten sterven. Maar er was ook zoiets als een omgeving. Zo was ik er: haar zoon. Ik zag een vrouw die weliswaar stonk naar de urine, maar lachte. Liet ik haar een opname van mezelf horen, dan lachte ze. Liet ik haar aan bloemen ruiken, dan lachte ze ook. Liet ik haar een foto van mijn dochtertje zien, dan begon ze ook te lachen. De rest was misschien ontdaan van alle waardigheid, maar ik hield nog van haar. Misschien zoals je van een hond houdt. Misschien zoals je van een poes houdt.

Ik heb moeite met ­abstracte woorden, en waardigheid bleek er ook zo een

Mijn poes en ik hebben het nog goed.

Als ik televisie zit te kijken, komt Veer ook bij me zitten. Ik aai haar, en dat vindt ze fijn. Ik weet dat ze kanker heeft, maar ik merk er nog niets van, behalve dan die grote bult bij haar oog die misschien langzaam in haar hoofd vreet.

Ik kon mijn moeder niet laten sterven, ofschoon ze dat wilde.

Ik vroeg wel – en hoefde geen antwoord – of de artsen haar ruimhartig morfine wilden toedienen om haar ’s nachts rustig te houden. Het was hopeloos met haar, dat zag ik wel. Lachte ze maar niet!

Uiteindelijk is mijn moeder gewoon gestorven. Misschien heeft ze wel iets te veel morfine gekregen. In ieder geval stopte haar vermoeide hart.

Ik heb me vaak afgevraagd of ik het achteraf allemaal goed had gedaan met mama.

Nee, dat had ik niet. Ik had moeten luisteren naar mijn broer en zuster.

Ik aai Veertje zo vaak ik maar kan. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat ze dat prettig vindt. Ze kruipt tegen me aan. Likt m’n handen.

Ik ga morgen met haar naar de dierenarts. Ze moet die tumor weghalen. Ik weet dat die tumor weer zal aangroeien, maar hij is dan even weg. En zodra er iets mis is, neem ik afscheid van Veer. Ik moet er op tijd bij zijn. Ik heb uit verdriet bij mama tijd zitten rekken.