Tijd van leven

Haast, haast, haast. Altijd maar haast. Aan leven kwam ik niet toe, zo druk had ik het. Sinds in mijn fabriek de mensen grotendeels door machines waren vervangen, verloor ik weliswaar wat minder tijd door dat eeuwige overleg met de vakbonden en onze aandelen ten beurze waren nog nooit zo hoog geweest. Maar met mij ging het nog altijd beroerd. In ieder geval slechter dan met de mensen die ik op straat had gezet.

Niets duurt immers zo lang als de dag van een werkloze. Alleen de dag van een zieke duurt langer. Mijn dag daarentegen vloog om. Om zes uur zwemmen, om zes uur dertig hardlopen. En daarna begon de ellende pas goed. Raad van Commissarissen. Lunch met mijn minister. ’s Middags mijn technici achter de broek zitten. Dan kiezen tussen Russische iconen en Chinees porselein, bij wijze van belegging. ’s Avonds een zakengesprek met een stel Japanners in het Okura, want de wereld is nu eenmaal groter dan het park rond m'n onderkomen. ’s Nachts kreeg ik tot overmaat van ramp de ene geniale inval na de andere, zodat ik nauwelijks een oog dicht deed.
Gek werd ik van mijn succes!
Totdat ik naar de dokter stapte. Ik zette hem mijn anti-ontvoeringspistool op de slaap en zei: ‘Ik wil een totale check-up en als je geen dodelijke ziekte constateert, ga je eraan.’ De goede man gaf me nog twee jaar. De zaak heb ik natuurlijk onmiddellijk verkocht. Nu maak ik lange wandelingen en schrik van iedere dode tak. Geen dag duurt zo lang als een dag die je in doodsangst doorbrengt. Nu hoef ik op niemand meer jaloers te zijn. Ik leef nog langzamer dan mijn werklozen. Gisteren heb ik de godganse dag naar de klok gestaard. Nooit eerder bewogen de wijzers zo traag. Bij de gedachte dat mij nog 585 dagen resten werd ik vervuld door mateloos geluk.