Tijd voor de JSF-enquête

Heeft Nederland nog een zelfstandige buitenlandse politiek? Zeker. In het begin van dit jaar is koningin Beatrix op staatsbezoek geweest in Oman en Abu Dhabi. Daar heeft ze een bezoek gebracht aan een moskee, waarbij ze een abaya, een zwarte jurk en een hoofddoek droeg.

Ongetwijfeld waren in haar gevolg behalve de diplomaten ook zakenlieden die belang bij de onderneming hadden. Een belangrijk aspect van onze buitenlandse politiek dat wel eens vergeten wordt, is het bevorderen van de goodwill. In 1641 kregen we het recht om handel te drijven met Japan via het eilandje Dejima in de baai van Nagasaki. De kooplieden moesten aan één voorwaarde voldoen: eerst even op de bijbel spugen. Kleine moeite. Later hoefden ze hun bijbels alleen in ijzeren kisten op te bergen. We hebben het tot 1859 volgehouden. Daarmee wil ik geenszins zeggen dat onze koningin terloops het geloof of het vaderland verloochent als de omstandigheden dat eisen. Ze is een flinke, energieke vrouw die staat voor het landsbelang, wat ook blijkt uit de vijftig staatsbezoeken die ze nu achter de rug heeft. Allemaal goed afgelopen.

In 1940 is er een eind gekomen aan onze neutraliteit, maar nog niet aan het zelfstandig buitenlands beleid. Dat is in 1961 met het opgeven van West-Nieuw-Guinea ten onder gegaan. Sindsdien zijn we opgeborgen in verdragen en bondgenootschappen waar we alleen een zekere invloed op de collectieve beslissingen kunnen uitoefenen. In 1949 kwam als antwoord op de sovjetexpansie de oprichting van de Navo waarvan we tot op de dag van vandaag een trouw lid zijn. Na de verwoesting van de Twin Towers toonden we ons onvoorwaardelijk een bondgenoot van Amerika, vanzelfsprekend. Maar de vriendschap had een bijverschijnsel dat door de beleidsmakers in Den Haag pas later is begrepen. Wie niet voor ons is, is tegen ons, zei president Bush. Bij die onvoorwaardelijkheid hebben we ons kritiekloos neergelegd.

Het eerste bewijs daarvan is de gewilligheid waarmee we ons toen, tegen beter weten in, medeplichtig hebben gemaakt aan de voorbereidingen tot de oorlog tegen Saddam Hoessein. De consequentie was dat we er ten slotte daadwerkelijk aan hebben deelgenomen. In Afghanistan ging het dezelfde kant op. De Amerikanen hebben daar een experimentele oorlog gevoerd, wat bewezen wordt doordat ze herhaaldelijk hun tactiek en strategie hebben gewijzigd. Nederland had wel zijn militaire missie in Uruzgan en nu nog in Kunduz, maar op de beslissingen in Washington hebben we nooit invloed gehad, terwijl toch het deelnemen aan een oorlog het belangrijkste aspect van de buitenlandse politiek is. De Amerikanen beginnen er genoeg van te krijgen. Als het zo ver is, zal Nederland volgen.

De wereldproblemen van deze tijd zijn te groot om een macht als Nederland ook maar een seconde de illusie te geven daar een beslissende invloed op te kunnen uitoefenen. Deze kant van de buitenlandse politiek is bondgenootschappelijk geworden, wat niet betekent dat we het recht op onze eigen inzichten zouden moeten opgeven. Het doel van de bondgenootschappelijke politiek zowel als de manier waarop dit moet worden bereikt, blijft een onderwerp van nationaal debat. Als het doel op de aangegeven manier naar ons inzicht onbereikbaar is, staat het ons vrij de medewerking te weigeren.

Een instrument van de buitenlandse politiek is de krijgsmacht. Om internationaal te blijven meetellen heeft een kabinet-Balkenende een jaar of tien geleden besloten dat we ons de allerbeste straaljager moesten aanschaffen. Welke was dat? Daarover ontstond een ondoorzichtige ruzie. Ten slotte werd het de JSF. Dat was het vervaarlijkste vliegtuig ooit en bovendien zouden door deze aankoop onze werkgelegenheid en de kenniseconomie worden bevorderd.

Zoals dat met een ingewikkeld project gaat, zo is het ook met de JSF verlopen. Er ontstond vertraging na vertraging en intussen werd het toestel steeds duurder. Den Haag paste de bestelling aan. In plaats van de oorspronkelijke 85 toestellen wilden we er nog maar 35 hebben, nu naar verwachting voor 87 miljoen euro per stuk. Maar als (volgens de voorspellingen van nu) in 2019 de JSF operationeel is, zullen we ons weer als slagvaardige en trouwe bondgenoot hebben bewezen. En geduld wordt beloond. Deze maand heeft onze eerste JSF de eerste proefvluchten gemaakt boven Texas. Maar met het oog op de naderende verkiezingen wilde het ministerie van Defensie dit succes zoveel mogelijk geheim houden. Van het standpunt van een regeringspartij bezien niet onverstandig.

Een paar maanden geleden heeft GroenLinks-Kamerlid Arjan El Fassed voorgesteld een parlementaire enquête over de JSF te houden. Het is er niet van gekomen, en toch is dit waarschijnlijk het verstandigste wat tot dusver over dit wondertoestel te berde is gebracht. De kiezer wil niet alleen weten wat dit wondervliegtuig hem tenslotte zal kosten en hoe de werkgelegenheid en de kenniseconomie erdoor zullen worden bevorderd, maar ook op welke manier onze buitenlandse politiek ermee gediend zou zijn. Dat is ook een nationaal belang.