Tijd voor een Grote Progressieve Volkspartij

IN HAAR OPDRACHT aan informateur Uri Rosenthal wees Beatrix, met een koninklijk understatement, op de ‘moeilijke situatie waarin het land verkeert’. De VVD-informateur zelf sprak van een 'verpulvering van het politieke landschap’.
Bezorgdheid, het was de teneur van de meeste commentaren op de verkiezingen. Nergens in Europa is de grootste partij zo klein als de VVD nu in Nederland. Het grote midden - CDA, PVDA en VVD samen - is leeggezogen. De veenbrand die in 2002 begon met de opmars van Pim Fortuyn laait nog onverminderd, en de 26 zetels destijds voor de LPF blijken, achteraf gezien, geenszins een martelaarsbonus voor de moord op een politieke leider, maar een constante.
Het is verwonderlijk dat progressief links al een aantal verkiezingen achter elkaar niet wist te profiteren van de opkomst van de behoudzuchtige, nostalgische, nationalistische partijen. Zelfs de kredietcrisis, after all een crisis van het kapitalisme, bracht daar geen verandering in. Natuurlijk, Pechtold presenteerde zich als de anti-Wilders en D66 groeide - maar minder dan gehoopt. Ook GroenLinks won, maar een grote machtsfactor is de partij nog steeds niet, en heel veel groter dan nu zal ze waarschijnlijk niet worden. En de PVDA lijkt zich op te maken voor weer een nieuwe bezinning op haar koers.
Al decennialang wordt er, met tussenpozen, geopperd dat de progressieve partijen hun krachten moeten bundelen in één Grote Progressieve Volkspartij. In de rode jaren zeventig gingen de linkse partijen lijstverbindingen aan, vormden ze een schaduwkabinet onder Den Uyl en regeerden ze samen. Er werd gepraat over een Progressieve Volkspartij, maar het idee strandde, omdat de PVDA zich alleen sterk genoeg waande. In de jaren tachtig werkten de partijen links van de sociaal-democraten samen, wat in 1989 uitmondde in de oprichting van GroenLinks. Midden jaren negentig droomden jongeren binnen de PVDA, VVD, GroenLinks en D66 van een vrijzinnige samenwerking - het mocht niet baten.
Maar als de tijd ooit rijp is voor die Grote Progressieve Volkspartij, dan is het nu. Als je Cohen, Halsema en Pechtold tijdens de afgelopen campagne met elkaar zag debatteren, ontkwam je niet aan de indruk dat, om met Freud te spreken, 'het narcisme van het kleine verschil’ de boventoon voerde. De overeenkomsten zijn groter dan de verschillen; strategische kiezers hebben geen moeite om tussen de drie heen en weer te hoppen. En belangrijker: deze tijd, waarin cultureel rechts de toon van het debat bepaalt, vraagt om een stevig links cultureel blok. Om een seculiere, sociaal-liberale partij, die zich richt op individuele zelfontplooiing, vrijheid voor en gelijkwaardigheid van alle mensen nastreeft, terughoudend staat tegenover ongelikt economisch liberalisme, die mensen activeert maar tegelijk een vangnet voor de zwaksten intact laat, zich hard maakt voor duurzaamheid en het internationalisme niet schuwt.
Historicus Gerrit Voerman publiceerde een leerzaam stuk over partijfusies in Nederland. Fusies, zo blijkt daaruit, vinden pas plaats als de electorale basis van partijen afbrokkelt en hun ideologische fundamenten scheuren vertonen. Het gaat beide op voor de PVDA: de partij lijkt te kampen met een structurele electorale achteruitgang en verkeert al zo lang in een ideologische patstelling tussen conservatieve sociaal-democraten en vooruitstrevende sociaal-liberalen dat het de vraag is of de partij er alleen uitkomt. Als PVDA, D66 en GroenLinks in de oppositie komen, kunnen ze al met een hechte samenwerking beginnen. Anders kunnen ze samen in een kabinet aan elkaar wennen. Het samengaan van de christenen in het CDA en klein links in GroenLinks leert in ieder geval dat partijen winnen bij een fusie.