De onhoudbare schuldenberg

Tijd voor een nieuw jubeljaar

Een explosie van krediet houdt de economie tijdens de coronacrisis op de been. Maar hoe moet dat straks met het aflossen van al die leningen? ‘Het idee dat schulden koste wat het kost moeten worden terugbetaald is een relatief recent idee.’

© EyeEM GmbH

Een verhaal over schuld is een verhaal over de fundamenten van de economie. En nu de Covid-19-pandemie die fundamenten aan het wankelen heeft gebracht staat ook het schuldenvraagstuk boven aan de agenda. In een poging de economie draaiende te houden trekken overheden zonder aarzeling de portemonnee. Regelingen om lonen door te betalen van medewerkers die de facto werkloos thuiszitten. Leningen om te voorkomen dat luchtvaartmaatschappijen kopje-onder gaan. Europese fondsen om de zwaarst getroffen lidstaten te ondersteunen. Noodsteun van het Internationaal Monetair Fonds (imf) aan talloze ontwikkelingslanden. Terwijl de mondiale schuldenberg de afgelopen jaren al was gegroeid tot een recordhoogte van 255 biljoen dollar, 87 biljoen hoger dan voor de kredietcrisis van 2008.

Nog voordat de omvang van de coronacrisis zich ten volle heeft gemanifesteerd dringt zich een onheilspellende vraag op: hoe moeten al die schulden straks worden terugbetaald?

Of is dit de verkeerde vraag? Want waarom moeten die schulden eigenlijk worden terugbetaald? Kan dat überhaupt wel? Al voordat het coronavirus de wereldeconomie in chaos stortte, waren er zorgen over de houdbaarheid van de wereldwijde schuldenlast. De Wereldbank en het imf waarschuwden in 2018 voor een nieuwe schuldencrisis, die met name Afrikaanse landen dreigde te treffen. In veel westerse landen, waar overheden het huishoudboekje op orde probeerden te krijgen door te bezuinigen, liepen vooral de particuliere schulden op. Tussen 2008 en 2019 groeide de totale bedrijfsschuld in Nederland van 805 miljard naar 1285 miljard euro. In de Verenigde Staten bedraagt de gemiddelde studieschuld inmiddels meer dan 35.000 dollar, een stijging van ruim tienduizend dollar in tien jaar tijd. Terwijl een van de belangrijkste lessen van de financiële crash nu net was dat een hoge private schuldenberg de economie kwetsbaar maakt. Eén schok en het hele kaartenhuis kon in elkaar denderen, waarschuwden bezorgde economen, al konden zij onmogelijk bevroeden hoe hevig de schok zou zijn die ons te wachten stond.

Kwamen de pleidooien voor schuldkwijtschelding voorheen van een klein groepje andersglobalisten en tegendraadse economen, door de coronacrash beginnen nu ook gezagsdragers hun ideeën voorzichtig over te nemen. Afgelopen maand presenteerde het VN-agentschap voor groei en ontwikkeling een plan om duizend miljard dollar aan schuld van ontwikkelingslanden af te schrijven. Het imf stelde onlangs vijfhonderd miljoen dollar beschikbaar voor ‘schuldverlichting’, zodat 25 kwetsbare landen geld overhouden om de Covid-19-crisis te bestrijden. De wereldleiders van de G20 kondigden aan de betalingen op leningen van arme landen tot eind van het jaar te bevriezen, waarmee ze gehoor gaven aan het advies van de voormalige Britse premier Gordon Brown en de Amerikaanse oud-minister van financiën Larry Summers: ‘Debt relief is the most effective pandemic aid’, schreven zij in een artikel op opiniewebsite Project Syndicate.

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch de auteurs van dit stuk over de onhoudbare schuldenberg. Is kwijtschelding de beste oplossing? Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

‘Wat bedoelen ze met “schuldverlichting”? Dat is zulke orwelliaanse newspeak. De enige manier om schulden te verlichten is door ze af te schrijven. Zeg dat dan!’ De Amerikaanse econoom Michael Hudson laat er geen twijfel over bestaan: ‘Het is ondenkbaar dat alle bestaande schulden terugbetaald worden. De vraag is alleen hoe de wereld dit afhandelt. Schelden we schulden kwijt? Of doen we dat niet en komen er gezinnen op straat te staan en veroordelen we mensen tot een lagere levensstandaard, waarmee we afstevenen op een nieuwe Dark Age.’

Wat we meemaken is niets minder dan ‘financiële oorlogsvoering’ tussen crediteuren en debiteuren, zegt Hudson, en sinds de opkomst van het neoliberalisme in de jaren tachtig zijn de crediteuren aan de winnende hand. ‘In het verleden gaven we voorrang aan het algemeen belang en schreven we regelmatig schulden af om te voorkomen dat mensen in ketenen belandden. Dat vergde offers van bankiers of landeigenaren. Maar nu komen onze politici vooral op voor de belangen van bankiers.’

Al zijn hele carrière doet Hudson onderzoek naar de geschiedenis van schuld. In de jaren zestig werkte hij als bankier op Wall Street, want waar kon hij meer over dit onderwerp leren dan in het hol van de leeuw? ‘Ik beheerde een van de best presterende beleggingsfondsen met derdewereldschulden. Al mijn collega’s waren het eens met mijn analyse dat die onmogelijk terugbetaald konden worden, omdat de rentes structureel hoger lagen dan de economische groeicijfers. Toch bleef iedereen volharden in het binnenharken van rentebetalingen. Het is pure hebzucht.’

Onder kritische economen vergaarde Hudson bekendheid om zijn scherpe analyses van de financiële sector, die als een parasiet teert op de reële economie. Terwijl de aandelenbeurzen tot ongeëvenaarde hoogtes klommen, zijn de lonen in de Verenigde Staten en Nederland de afgelopen dertig jaar amper gestegen. De rijkdom komt vooral terecht in de zakken van een kleine bovenlaag, die geen waarde toevoegt, maar zijn vermogens vooral vergaart door speculatie. ‘Zij financieren geen fabrieken, maar handelen enkel in aandelen of obligaties. Het zijn geen kapitalisten, maar profiteurs.’

In 2018 publiceerde Hudson … And Forgive Them Their Debts, een doorwrochte studie van schuld in de bronstijd, waarvoor hij drieduizend jaar oude geschriften bestudeerde en samenwerkte met archeologen. In zijn optredens als publieke intellectueel verruilt hij het academische proza met gemak voor activistische taal. Ook in ons Skype-interview schuwt hij stevige uitspraken niet: ‘Rijke mensen hebben nu eenmaal een hekel aan arme mensen, dat wisten de oude Grieken al. We worden geregeerd door mensen die gedreven worden door hebzucht en dansen naar de pijpen van Wall Street. Ze zijn bereid de economie in een crisis te storten, zolang de schuldeisers hun rendement maar kunnen opstrijken.’

Maar de geschiedenis leert dat er lange tijd heel anders naar schuld werd gekeken, zo toonde antropoloog David Graeber in zijn baanbrekende boek Debt: The First 5000 Years. In vroege beschavingen bestond er een traditie van ‘debt jubilees’, jubeljaren waarin de bestaande schulden werden kwijtgescholden en lijfeigenen in vrijheid werden gesteld, waarna de samenleving kon beginnen met een schone lei. Dat was ook in het belang van de vorsten, die snapten dat onhoudbare schulden hen kwetsbaar maakten voor revoltes. Een compleet geknechte bevolking kon bovendien geen belastingen betalen. Voor nieuwe heersers was schuldkwijtschelding een manier om een einde te maken aan de onoverzichtelijke afhankelijkheidsrelaties van hun voorgangers: na zo’n reset kon de bevolking alleen nog bij hen in het krijt staan. Een debt jubilee was een middel om de economische balans te herstellen en de vrede te bewaren.

Zo’n jubeljaar hielp ook om de schuldenberg in toom te houden, want geldschieters beseften dat er een aanzienlijke kans bestond dat hun lening niet zou worden terugbetaald. Wat daarbij ook hielp was het morele verbod in veel religies op het heffen van woekerrentes: het verdienen van geld met geld werd beschouwd als een zonde. En waar het christendom, met dank aan Johannes Calvijn, na verloop van tijd de teugels liet vieren, verstrekken islamitische bankiers nog steeds rentevrije leningen.

Econoom Michael Hudson: ‘Rijke mensen hebben nu eenmaal een hekel aan arme mensen, dat wisten de oude Grieken al’

‘Vierduizend jaar lang was het morele gebod: “Gij zult uw schulden niet terugbetalen”’, zegt Michael Hudson met gevoel voor overdrijving. ‘Het idee dat schulden koste wat het kost moeten worden terugbetaald is een relatief recent idee.’ Inmiddels is dat idee zo diep verankerd in onze hedendaagse cultuur dat het bijna lijkt verworden tot een onbetwistbaar axioma van de moderne economie. Ergens is dat begrijpelijk, want waarom zouden financiers leningen verstrekken als ze er niet van uit kunnen gaan dat ze hun investering terugverdienen? Zonder bescherming houden kredietverstrekkers hun kapitaal in kas en dat belemmert economische ontwikkeling.

Het probleem is alleen dat de balans compleet is doorgeschoten in het voordeel van de crediteuren, vindt Arjo Klamer, hoogleraar economie van kunst en cultuur aan de Erasmus Universiteit. ‘In onze cultuur ligt alle verantwoordelijkheid bij de schuldenaar, terwijl de schuldeiser evengoed een verantwoordelijkheid draagt.’ Iemand die roekeloos geld uitleent tegen hoge rentes, verdient het om op de blaren te zitten als blijkt dat die lening niet terugbetaald kan worden. Maar onder de huidige omstandigheden kan zelfs de meest gewetenloze woekeraar incassobureaus inschakelen om zo veel mogelijk retourbetalingen af te dwingen, zelfs als dat leidt tot mensonterende omstandigheden.

Klamer maakte die ideologische omslag van dichtbij mee toen hij eind jaren zeventig werkte voor de abn. ‘Dat was destijds een ouderwetse bank, maar veel van mijn oud-studiegenoten kozen voor een carrière bij de Amro, omdat je daar op z’n Amerikaans geld kon verdienen. Zij vonden dat je veel meer risico’s moest nemen. Zij wilden speculeren, begonnen schulden met schulden af te lossen, nou dan weet je wel hoe laat het is.’ Na de fusie in 1991 dolf de ouderwetse abn-houding definitief het onderspit tegen de Amro-mentaliteit.

‘Tot in de jaren zestig was het devies “geen geld uitgeven dat je niet hebt”’, zegt Klamer. ‘Nu ben je bijna een dief van je eigen portemonnee als je geen leningen aangaat. Studenten moeten lenen om hun opleiding te bekostigen. Het is doodnormaal om een auto te kopen op afbetaling. Zelfs webwinkels bieden kredieten aan tegen torenhoge rentes.’

Als SP-wethouder in Hilversum zag Klamer waartoe dat kan leiden. Gezinnen die zo diep in de schuldsanering zitten dat ze amper geld overhouden om fatsoenlijk te eten. Jongeren die de ene creditcardschuld aflossen met de andere. ‘In onze gemeente probeerden we mensen te helpen budgetteren en zelfdiscipline aan te leren, want natuurlijk hebben ook consumenten een verantwoordelijkheid. Maar de crediteuren mogen niet vrijuit gaan. Het is zo wanstaltig wat er gebeurt in de schuldenindustrie, in een beschaafde samenleving zou dat gewoon niet mogen voorkomen.’

Om de onderliggende problematiek aan te pakken is er meer nodig dan voorlichtingsprogramma’s of betere schuldhulpverlening. Nu tijdens de coronacrisis economische dogma’s hun onaantastbaarheid verliezen, verschijnen er in opiniekaternen van kranten regelmatig pleidooien voor structurele schuldverlichting. In Trouw pleitte Arjo Klamer voor een ‘lockdown voor coronaschulden’. En in The Washington Post deed Michael Hudson een duit in het zakje met een oproep tot een ‘modern debt jubilee’, wat volgens hem de enige manier is om een economische depressie te vermijden.

Het klinkt als een eenvoudige administratieve handeling: het wegstrepen van uitstaande schulden, maar zo’n operatie is niet pijnloos. De schuld van de een is immers het bezit van de ander. De grote vraag is dus wie pijn moet lijden om de ondraaglijke lasten van schuldenaren te verlichten. Hudson maakt zich daar niet al te veel zorgen over: ‘Schulden zijn inderdaad spaargeld, maar dat is vooral in handen van de rijkste één procent. Door de schulden uit te wissen, wis je ook een deel van hun vermogen uit, maar dat is goed nieuws. Het is een vernietiging van oppervlakkige welvaart: de reële economie zou beter af zijn zonder al die aandelen en obligaties.’

Zo’n oplossing is veel economen, onder wie Klamer, wel erg kort door de bocht. Schuldkwijtschelding gaat inderdaad onvermijdelijk gepaard met de herverdeling van welvaart, maar de rekening komt niet enkel terecht bij de superrijken. Ook pensioenfondsen en andere institutionele beleggers zouden geraakt worden wanneer schulden massaal worden afgeschreven. Vandaar dat Klamer een stuk voorzichtiger is over de precieze invulling van schuldherstructurering. ‘Behalve kwijtschelding kun je ook looptijden en rentepercentages aanpassen.’

De vraag is of zulke bescheiden ingrepen, zeker in ons land, wel afdoende zijn. De Nederlandse ministers van Financiën mogen Zuid-Europese lidstaten graag de les lezen over hun hoge staatsschuld, maar misschien zouden we ons meer zorgen moeten maken om de torenhoge private schulden in ons eigen land. ‘We staren ons blind op publieke schulden, maar in de ontwikkelde landen zijn private schulden een veel groter probleem’, zegt Steve Keen, honorair hoogleraar economie aan het University College in Londen. In 2017 publiceerde de Australische econoom het boek Can We Avoid Another Financial Crisis?, waarin hij laat zien dat economische groei afhankelijk is geworden van een toename van private schulden.

‘We hebben in 2008 gezien waartoe dat leidt, maar toch blijf ik een roepende in de woestijn’, zegt Keen, terwijl hij een slok neemt uit een kokosnoot. Normaal gesproken woont Keen in Londen, waar hij werkt, en is hij regelmatig in Amsterdam te vinden, waar zijn vrouw woont, maar hij besloot dat Thailand, het geboorteland van zijn vrouw, de veiligste plek is om deze pandemie uit te zitten, vanwege hun ervaring met het indammen van de sars-uitbraak. ‘Hier word je raar aangekeken als je géén mondkapje draagt.’

Via de videoverbinding laat Keen een wiskundig model zien dat hij zelf bouwde, geïnspireerd op het werk van de meteoroloog Edward Lorenz die weersvoorspellingen revolutioneerde door te kijken naar de interactie tussen variabelen. Keen doet hetzelfde voor de macro-economie: in drie losse grafieken heeft hij werkloosheid, inkomen en private schulden geplot. Als hij de inkomens omlaag draait, schieten de private schulden in een schokkerige spiraal eindeloos naar boven, ‘tot de schuld onhoudbaar wordt en een crisis uitbreekt’. Zo was Keen, tot zijn eigen verbazing, in staat om de financiële crash van 2008 te voorspellen.

Een gezond niveau van private schulden ligt tussen de vijftig en zeventig procent van het nationaal product, aldus Keen. Met 274 procent heeft Nederland een van de hoogste private schuldenbergen ter wereld, ruim hoger dan Italië met 110 procent. De kwetsbaarheid van zo’n hoge private schuldenlast blijkt direct als het economisch tegenzit, zoals nu. Bijna de helft van alle Nederlanders denkt een te lage buffer te hebben om deze periode door te komen en een kwart verwacht in de nabije toekomst de hypotheek niet meer te kunnen betalen, blijkt uit een onderzoek van het Nibud.

Met 274 procent heeft Nederland een van de hoogste private schuldenbergen ter wereld, ruim hoger dan Italië met 110 procent

‘Nederland zal terug moeten naar een privaat schuldenniveau van zeventig procent van het bruto binnenlands product’, zegt Keen stellig. Net als Hudson pleit hij daarom voor een jubeljaar: een massale kwijtschelding van private schulden. Maar in tegenstelling tot zijn Amerikaanse vakgenoot is hij geen voorstander van het simpelweg wegstrepen van de schulden.

Keen geeft de voorkeur aan een vorm waarbij de centrale bank rechtstreeks een geldbedrag overboekt naar de rekening van elk Nederlands huishouden. Te beginnen met stapjes van tienduizend euro, die uiteindelijk oplopen tot zo’n 190.000 euro per huishouden, genoeg om de Nederlandse schuld terug te brengen tot 74 procent van het bbp. ‘De voorwaarde is dat dit wordt gebruikt om eigen schulden af te betalen; alles wat overblijft moet ingezet worden om aandelen in bedrijven te nemen. De bedrijven moeten deze inkomsten op hun beurt weer gebruiken om hun schulden af te lossen’, legt Keen uit. Als bijvangst zouden Nederlandse burgers mede-eigenaar worden van het bedrijfsleven.

Praktisch kleven er nogal wat haken en ogen aan dit plan, erkent hij. Zo kan de Nederlandse overheid niet eigenhandig geld bijdrukken, omdat de geldpers wordt beheerd door de Europese Centrale Bank. En om de private schuld tot een acceptabel niveau te reduceren zou in totaal een bedrag van 1,6 biljoen nodig zijn. Het is niet waarschijnlijk dat de ecb zo’n som even ophoest, maar we kunnen wel stappen in de juiste richting nemen, hoopt Keen. ‘Toen ik dit idee een aantal jaar geleden bedacht had ik nooit verwacht dat het kans van slagen zou hebben als reëel beleid. Maar nu hebben we simpelweg geen andere keuze meer.’

‘Help ons zoals wij jullie hielpen na de Tweede Wereldoorlog.’ Vorige maand deden Italiaanse burgemeesters in de Frankfurter Allgemeine Zeitung een appèl aan de Duitse regering, in de hoop hen tot coulance te bewegen tijdens de coronacrisis. In 1953 hadden de Italianen, samen met twintig andere crediteurlanden, Duitsland geholpen door alle nationale en internationale schulden weg te strepen. Deze schone lei vormde de basis voor het Wirtschaftswunder, waardoor West-Duitsland binnen enkele jaren weer kon uitgroeien tot de sterkste economie van Europa. Duitsland geldt nu als lichtend voorbeeld van prudentie en economische discipline, maar hoe zou de economie van het land ervoor hebben gestaan als er niet was besloten tot het massaal wegstrepen van schulden?

Misschien geeft de situatie in Argentinië een inkijkje in het lot dat Duitsland bespaard is gebleven. Ook Argentinië is het slachtoffer geweest van leiders met slechte intenties, met Jorge Videla als absoluut dieptepunt. De legerofficier greep in 1976 de macht met een staatsgreep en zou vijf jaar lang als dictator zijn land terroriseren. Duizenden politieke tegenstanders stierven onder zijn bewind en ook op economisch vlak drukte hij zijn stempel op het land: hij voerde een rigide marktbeleid door en verviervoudigde de staatsschuld. Het imf en Amerika waren enthousiast over Videla’s economisch beleid en beloonden het regime met een continue toestroom van dollars, wat resulteerde in een schuldenlast die Argentinië ook na de val van de dictatuur zou blijven achtervolgen.

De afbetaling van de schulden uit het verleden wordt namelijk geherfinancierd door nieuwe schulden aan te gaan en elke devaluatie van de peso zorgt ervoor dat de schulden in dollars nog drukkender worden. Al negen keer in zijn geschiedenis moest Argentinië in gebreke blijven bij zijn schuldeisers, waarvan driemaal in het afgelopen decennium. In een recent artikel in de Financial Times richtte de Argentijnse minister van Economische Zaken zich tot de schuldeisers van zijn land. Tijdens de coronacrisis kan Argentinië het zich niet veroorloven om twintig procent van zijn inkomsten te gebruiken om schulden af te lossen. ‘This isn’t a game of spreadsheets’, schreef hij, ‘het welzijn van 55 miljoen Argentijnen staat op het spel, waarvan 35 procent nu al in armoede leeft.’

Argentinië is zeker niet het enige land met acute betalingsproblemen. Waar in rijke landen de private schuldenberg het grootste risico vormt, is voor veel ontwikkelingslanden en opkomende economieën de staatsschuld een loden last. Net als Argentinië hebben die landen een instabiele munt, hoge schulden in dollars en buitenlandse schuldeisers die niet altijd bereid zijn mee te denken. In de afgelopen maand vroegen meer dan honderd landen steun aan bij het imf. Ter vergelijking: tijdens de crisis van 2008 vroegen minder dan vijftig landen om hulp.

‘De totale mondiale schuldenlast is op dit moment meer dan drie keer zo groot als het wereldwijde bbp. Dat is een teken dat de wereldeconomie compleet uit balans is’, zegt politiek econoom Ann Pettifor. ‘We hebben veel meer krediet gecreëerd dan op een productieve manier ingezet kan worden.’ Ruim twintig jaar geleden was Pettifor betrokken bij Jubilee 2000, een campagne om de millenniumwisseling aan te grijpen voor een nieuw ‘jubeljaar’. Dat moest arme landen die gebukt gingen onder een ondraaglijke schuldenlast in staat stellen om, net als Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, met een schone lei te beginnen.

Nadat de Amerikaanse president Richard Nixon in 1971 het Bretton Woods-stelsel ontmantelde en de dollar de mondiale reservemunt werd, groeide de schuldenlast in arme landen. Voor de ‘Nixon shock’, toen de dollar nog gekoppeld was aan de waarde van goud, kon kapitaal minder makkelijk over de wereld reizen, maar in een gedereguleerd systeem van zwevende wisselkoersen kreeg de financiële sector vrij spel en stroomden de dollars massaal richting ontwikkelingslanden, waar hoge rendementen behaald konden worden.

‘Ontwikkelingslanden kregen geld naar zich toe gesmeten door overmoedige financiers’, zegt Pettifor. Maar toen het tij keerde en kwakkelende economieën moeite kregen om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, werden ze aan hun lot overgelaten. ‘Het imf gedroeg zich als de belangenbehartiger van de westerse crediteuren. Als overheden niet konden betalen, moesten ze hun gezondheidszorg maar privatiseren of hun luchtvaartmaatschappijen en grondstofvoorraden verkopen. Dat was ontzettend oneerlijk voor de inwoners van die landen.’

Toen Pettifor in 1993 begon met de campagne merkte ze al gauw dat ze moest opboksen tegen een hoop racistische vooroordelen. ‘We kregen veel reacties in de trant van: “Je kunt die Afrikanen gewoon niet vertrouwen. Hun leiders zijn allemaal corrupt.” Nu is corruptie in veel Afrikaanse landen een serieus probleem, maar dat neemt niet weg dat westerse geldschieters net zo goed een verantwoordelijkheid hebben. Veel van hen waren niet minder corrupt. Ze pompten dollars in die landen zonder zich te bekommeren om de houdbaarheid van die leningen.’

Afgelopen maand vroegen meer dan honderd landen steun aan bij het IMF – tijdens de crisis van 2008 waren dat er minder dan vijftig

De actievoerders slaagden erin een brede campagne te bouwen met steun van beroemdheden als Bill Gates, Bono en paus Johannes Paulus II. Het protest tijdens de G8-top in 1998 vormde het hoogtepunt van de mobilisatie. Tienduizenden mensen kwamen naar Birmingham om te demonstreren voor schuldverlichting voor landen in het mondiale Zuiden. ‘Het was een fantastische campagne’, zegt Pettifor. ‘We slaagden er uiteindelijk in om meer dan honderd miljard dollar aan schuld kwijtgescholden te krijgen. We wisten dit thema op de agenda te zetten en de publieke opinie over schuld te kantelen.’

Onlangs kreeg Pettifor een e-mail van iemand binnen het imf: of het niet tijd wordt voor een nieuwe jubilee-campagne. Ze aarzelt. ‘Ondanks onze successen moet ik toch vaststellen dat er eigenlijk niets is veranderd aan het onderliggende probleem.’ Het is dezelfde dynamiek van de dominante dollar en roekeloze westerse crediteuren die de ontwikkelingslanden nu massaal in de problemen brengt. Toen duidelijk werd dat het coronavirus zou uitgroeien tot een pandemie ontstond er een acute kapitaalvlucht uit opkomende economieën, met nakende dollartekorten en een kelderende lokale valuta tot gevolg. ‘Dat maakt import alleen maar duurder, op een moment dat deze landen behoefte hebben aan medicijnen uit het buitenland.’ Op de korte termijn kan schuldverlichting zeker uitkomst bieden, maar zolang internationale kapitaalstromen niet aan banden worden gelegd, zal dit probleem zich onvermijdelijk herhalen, vreest Pettifor.

‘Hoekstra sluit bezuinigingen niet uit.’ Met één ontwijkend antwoord voor de camera’s van rtl-zwas het austerity-spook terug van weggeweest. Het is niet ondenkbaar, zei de minister van Financiën, dat de broekriem weer aangehaald moet worden als we de pandemie straks onder controle hebben. Dat riep onmiddellijk flashbacks op naar de kaalslag tijdens de eurocrisis. Hadden we onze les niet geleerd dat bezuinigingsbeleid meer kapot maakt dan je lief is? Merkten we in deze crisis niet juist hoe ‘vitaal’ de publieke sector was?

Toch zal de redenering van Wopke Hoekstra voor veel mensen intuïtief eenvoudig te volgen zijn. Tijdens deze noodsituatie laten we de begrotingsdiscipline even varen en deinzen we er niet voor terug om de staatsschuld op te laten lopen, maar als de storm straks is overgewaaid moet het dak gerepareerd worden. We hebben in Europa immers afgesproken dat het begrotingstekort niet meer dan zestig procent van het bbp mag bedragen. En door alle coronasteunpakketten overschrijden we onvermijdelijk de Brusselse begrotingsregels. Om dat tekort op den duur naar beneden te brengen zullen we wellicht moeten snijden in de overheidsuitgaven, zo sorteerde Hoekstra alvast voor op een toekomstige bezuinigingsronde.

Maar volgens economen als Hudson en Keen hoeven ontwikkelde landen met een sterke munt zich helemaal geen zorgen te maken over een hoge staatsschuld. Tenminste, niet zolang die schuld in handen is van de eigen centrale bank. ‘In tegenstelling tot private schuld hoeft publieke schuld in principe nooit terugbetaald te worden’, zegt Hudson. ‘Bedrijven kunnen failliet gaan, overheden niet. Centrale banken kunnen gewoon geld bijdrukken.’

Daarmee echoot Hudson de opvattingen van de ‘mmt’-school. Voor voorstanders staat die afkorting voor modern monetary theory, terwijl critici van de theorie, en dat zijn er nogal wat, gekscherend praten over de magic money tree. In hun ogen doen mmt-economen het voorkomen alsof geld aan de boom groeit. De conventionele monetaire theorie ziet geld als een ruilmiddel en daarmee als een schaars goed. Dat leidt tot opvattingen zoals die van Hoekstra: je kunt niet meer uitgeven dan je hebt en grote tekorten zijn gevaarlijk. mmt’ers zien geld – en schuld – in de eerste plaats als een wettelijk construct. Geld krijgt zijn waarde omdat de overheid er waarde aan toedicht en zoveel geld kan bijdrukken als nodig is. Anders dan een bedrijf kan een overheid dus in principe nooit ‘te weinig’ geld hebben. Dat maakt de theorie geliefd bij politici met gedurfde plannen waar een flink prijskaartje aan hangt. Zo liet ex-presidentskandidaat Bernie Sanders, wiens voorstel voor een Green New Deal zestien biljoen dollar zou kosten, zich adviseren door vooraanstaande mmt’ers.

Het klinkt bijna te mooi om waar te zijn: een eeuwig bloeiende geldboom. Als er nooit een geldtekort bestaat, waarom zou de overheid dan de hand op de knip houden? Waarom keren we dan niet allang iedereen een riant basisinkomen uit? Voor klassieke economen is het antwoord simpel: te scheutig omspringen met de geldpers zorgt voor inflatie. Een beetje is fijn en kan helpen om de schuldenlast draaglijker te maken, maar te veel inflatie kan een land in economische malaise storten. Het doembeeld is de hyperinflatie die plaatsvond in de Weimar-republiek. De Duitse overheid drukte veel geld bij om te voldoen aan de herstelbetalingen, wat resulteerde in een ongekende waardevermindering van de mark. mmt-plannen die gefinancierd worden door de centrale bank geld te laten scheppen, zoals het debt jubilee-voorstel van Keen, kunnen leiden tot soortgelijke taferelen, vrezen critici.

Maar volgens mmt-economen is inflatie nu niet de grootste zorg; de ecb voert immers al jaren beleid om de inflatie te verhogen, tot nog toe zonder succes. Nu de wereldeconomie de grootste crisis sinds de jaren dertig doormaakt, is deflatie door vraaguitval een waarschijnlijker scenario. Overheden kunnen de staatsschuld dan ook prima laten oplopen, zonder dat ze in de problemen komen, vindt Hudson. ‘Er is geen enkel bewijs dat monetaire financiering automatisch tot inflatie leidt. Dat is een mythe.’

Als ondersteunend bewijs wijzen mmt’ers graag naar Japan. Daar bleek de grote private schuldenberg – meer dan twee keer het bbp – onhoudbaar, wat begin jaren negentig leidde tot een crisis. Om de economie te ondersteunen besloot de Japanse overheid de portemonnee te trekken, en ze is daar nooit meer mee gestopt. De staatsschuld groeide van zestig procent van het bbp tot 240 procent in 2019. Al jaren voorspellen analisten dat de staatsschuld onhoudbaar is en tot hoge inflatie zal leiden, maar het bewijs hiervan is nog niet geleverd. Belangrijk is dat Japan met de yen een sterke munt heeft en dat het merendeel van de staatsschuld in handen is van de eigen centrale bank; Japan is daarmee zijn eigen schuldeiser. Ook de euro is een sterke munt en de ecbzou in deze crisistijd zonder problemen de begrotingstekorten van de eurolanden kunnen financieren, gelooft Keen: ‘In Europa maakt men zich zorgen over de staatsschuld van Italië met 130 procent van het bbp. Maar er is alleen een probleem omdat er een probleem van gemaakt wordt door de begrotingsregels.’

Een verhaal over schuld is een verhaal over de toekomst. Leningen nemen een voorschot op welvaart die nog gecreëerd moet worden en zijn onmisbaar voor ontwikkeling – daarover zijn alle economen het wel eens. Maar op dit moment worden we vooral achtervolgd door de schulden uit het verleden. Arme landen gaan gebukt onder onhoudbare leningen van buitenlandse schuldeisers en in veel rijke landen groeide de private schuldenberg tot angstaanjagende hoogtes. Nu het coronavirus de mondiale economie op haar grondvesten doet schudden, zien we hoe kwetsbaar dit op schulden gestoelde bouwwerk is.

Een nieuw jubeljaar kan voorkomen dat de boel in elkaar stort, maar de pleitbezorgers van zo’n schone lei weten ook dat er eigenlijk een nieuw fundament nodig is om een eerlijkere economie te bouwen. Een fundament waarbij consumenten geen woekerleningen door hun strot krijgen geduwd, ontwikkelingslanden niet ten prooi kunnen vallen aan parasitaire financiers en beleidsmakers niet automatisch op de bezuinigingsrem trappen als de staatsschuld oploopt.


Met dank aan Daan Stoop