DE TOEKOMST VAN AMERIKA

Tijd voor een nieuwe New Deal

Kan Amerika na de huidige crisis simpelweg op de oude voet voort, of is een ingrijpende koerswijziging van het economische, politieke en sociale stelsel onafwendbaar?

DE AFGELOPEN MAAND kwam de reality check voor Uncle Sam, voor een bedrag van vele biljoenen dollars (miljoenen maal miljoen). De Verenigde Staten zijn sinds 1980 afgegleden van de grootste debiteur tot de grootste crediteur uit de wereldgeschiedenis. De vraag is of dat onder Barack Obama kan worden omgebogen, of onder John McCain tot nóg onverantwoordelijker bokkensprongen zal leiden.
Deze vraag is onder meer onderzocht in het boek van Jan Nederveen Pieterse Is There Hope for Uncle Sam?, dat juist vóór de recente supercrash werd afgerond. Zullen de VS eindelijk hun messianistische claim op ‘exceptionalism’ opgeven en aanvaarden dat zij een gewone grote mogendheid zijn, te midden van andere? Of zullen zij steeds grotere financiële en militaire risico’s blijven nemen en proberen de kosten op anderen af te schuiven?
Een voorbeeld. Amerikaanse consumenten geven bijna tien biljoen dollar per jaar uit: tien keer zo veel als vier keer zo veel Chinese consumenten. Een groot deel van de producten in de grootste supermarktketen Walmart komt tegenwoordig uit datzelfde China; en een groot deel van de grotere aankopen wordt betaald met… geld geleend van China. De Amerikaanse economie leent drie miljard dollar per dag, de Amerikaanse overheid leent zelf een miljard per dag, net genoeg voor het betalen van de rente op uitstaande schulden. De Amerikanen zuigen zo driekwart van het spaargeld in de wereld op.

Jan Nederveen Pieterse, die deze en andere actuele observaties verzamelde, is een van oorsprong Nederlandse antropoloog en socioloog. Zijn vorige boek heette Globalization or Empire. Hij was tot nu toe hoogleraar aan de Universiteit van Illinois, verhuist binnenkort naar de Universiteit van Californië en is tussendoor gasthoogleraar in Maastricht en elders in de wereld.
Nederveen Pieterse schetst een ontnuchterend beeld van ‘America as it really is’, dat een beetje doet denken aan het zo genoemde boek van de teleurgestelde sovjetdissident Valdas Anelauskas van bijna tien jaar geleden. De ondertitel van Nederveen Pieterse’s nieuwe boek, Beyond the American Bubble, verwijst dan ook naar een bubbel in de dubbele betekenis van het woord: de financiële bubbel die nu is gebarsten, en de mentale bubbel waarin de machtselite leeft – zelfs overzee (in Hiltons met CNN). Sarah Palin, de kandidate voor het vice-presidentschap uit Alaska, is nog nooit in het buitenland geweest, net zo min als Bush uit Texas dat was voordat hij aan zijn politieke carrière begon. Tweederde van de chief executive officers van de honderd grootste multinationals heeft nog nooit langdurig in het buitenland gewerkt. Toch beslissen zij samen over het lot van de rest van de wereld.

Maar de problemen beginnen thuis. De VS kennen veruit de grootste sociale ongelijkheid van alle ontwikkelde landen. Sinds Ronald Reagan is die ongelijkheid verdubbeld en momenteel is die twee keer zo groot als bijvoorbeeld in Duitsland. Het inkomen van fabrieksarbeiders gecorrigeerd voor inflatie is de afgelopen dertig jaar voortdurend gedaald. Vrijwel de gehele economische groei kwam ten goede van een top van twintig procent. Het inkomen van de één procent rijksten is bijna tweeënhalf keer zo hoog geworden. Aldus Paul Krugman, de kersverse winnaar van de Nobelprijs voor economie, die eerder kritische boeken publiceerde.
Een ceo verdiende destijds 25 keer het inkomen van een fabrieksarbeider, tegenwoordig vijfhonderd keer (de top-honderd duizend keer). De 173.000 werknemers van de nu omgevallen investment banks kregen gemiddeld een bonus van meer dan twee ton, maar het merendeel daarvan ging naar de top. (Zoals Henri Paulson, die bij Goldman Sachs een reusachtige gouden handdruk kreeg voordat hij als minister van Financiën aan de belastingbetalers een blanco cheque van zevenhonderd miljard vroeg… om Wall Street te redden.) Het overgrote deel van het bezit is zo in handen van de top van vijf procent, en hun belastingen zijn voortdurend verder verlaagd.
Ondertussen leeft een permanente onderklasse van 37 miljoen mensen onder de armoedegrens (een zesde van alle kinderen). Veertig procent van hun inkomen gaat maandelijks op aan het afbetalen van schulden. De media suggereren dat alleen junks dakloos zijn, maar onder de daklozen bevinden zich steeds meer families met kinderen. Op sommige plaatsen is het (zelfs voor kerken) verboden om eten uit te delen, dat trekt immers anderen aan. 47 miljoen mensen hebben geen ziektekostenverzekering. (Laatst op de Nederlandse televisie: vrouw krijgt hartaanval, wordt naar ziekenhuis gebracht, krijgt rekening van dertigduizend dollar, kan dat niet betalen en verliest zo wellicht haar huis.) De levensverwachting voor mannen is de allerlaagste van de hele ontwikkelde wereld.

Dit alles leidt voorspelbaar tot grote sociale spanningen. Geen enkel ander ontwikkeld land kent zo veel vuurwapens op straat en zo veel moorden per dag. Onderzoek wijst uit dat zwarten voor dezelfde vergrijpen nog steeds zwaarder gestraft worden dan anderen en vaker de doodstraf krijgen (en soms achteraf onschuldig blijken). De war on drugs heeft voornamelijk tot gevolg gehad dat de VS meer gevangenen hebben dan enig ander land in de wereld, volgens officiële statistieken zelfs meer dan Rusland en China.
De armen hebben dan ook al decennialang geen vertrouwen meer in de politiek. Rond de vijftig procent van de bevolking gaat stemmen, waarmee de VS lager staan dan de honderdste plaats in de wereld, en lager dan de meest achterlijke ontwikkelingslanden. De meeste presidenten worden gekozen door slechts een kwart van de volwassen bevolking. De politiek is vrijwel volledig in handen van de middenklasse en de rijken. De verkiezingscampagnes van 2008 kosten meer dan anderhalf miljard dollar, onder meer aan slimme consultants en demagogische tv-spotjes. Dat geld komt voor een aanzienlijk deel van lobbyisten, en die willen daar later iets voor terugzien. Vrijwel alle senatoren zijn miljonair; de zeven villawijken rond Washington behoren tot de twintig rijkste van het land. Veel Democraten zijn rechtser dan de conservatieven in Europa. Links is in Amerika volledig gemarginaliseerd.
De grote media zijn allemaal commercieel en goeddeels in handen van grote corporations. Dat geldt met name voor de zes meest invloedrijke televisienetwerken. Bij militaire interventies lopen op de redacties liaison officers van het Pentagon rond; veel grote Hollywood-films worden door hen gecensureerd en van extra propaganda voorzien. Aan het begin van de interventie in Afghanistan drukte de directeur van CNN zijn ondergeschikten in een memo nog eens op het hart om toch vooral niet te veel stil te staan bij burgerslachtoffers. Irak werd vervolgens voorgesteld als de vierde militaire mogendheid ter wereld, maar had een economie ter grootte van die van Kentucky. De ‘deskundigen’ in de serieuze talkshows zijn nog steeds merendeels blanke mannen uit het veiligheidsapparaat. Af en toe is er een vluchtig schandaaltje, maar er is vrijwel nooit een serieuze follow-up.
Ondertussen geeft het Pentagon bijna evenveel aan bewapening uit als alle andere landen in de wereld bij elkaar opgeteld. Tachtig procent van de bewapeningscontracten gaat naar zes bedrijven, veertig procent wordt onderhands geregeld. Men heeft 370.000 militairen op achthonderd bases in 120 landen. De uitgaven van de zogeheten schurkenstaten zijn daartegenover volstrekt verwaarloosbaar. Ondertussen is het State Department steeds verder afgeknepen. De VS hebben meer mensen in militaire drumbands dan diplomaten.

Dat Jan Nederveen Pieterse soms wat polemisch van toon is, kan bij dergelijke feiten bijna niet anders. Maar zijn boek gaat vooral over de fijne kneepjes van de ‘hegemonic stability theory’, de verwevenheid van al die lijnen van beheersing in de maatschappij. Ook behandelt Nederveen Pieterse de heroriëntatie van economisch en politiek rechts op de achtergebleven zuidelijke staten zo’n dertig jaar geleden, en de heronderwerping van links en de vakbonden via volledige deregulering en de ‘vrije’ markt. Hij fileert de standpunten van publieke intellectuelen en media pundits daarover, van neoconservatieven tot ‘liberal hawks’.
Maar de hamvraag is natuurlijk of dat hele systeem na de huidige crisis simpelweg kan herrijzen en op de oude voet voort kan, of dat een ingrijpende koerswijziging onafwendbaar is. Nederveen Pieterse meent dat het ultraliberalisme van Milton Friedman na een kwart eeuw volledig heeft afgedaan en dat alleen het sociaal liberalisme van John Maynard Keynes een antwoord biedt. Met een betere welvaartsverdeling en meer diepte-investeringen in onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Zoals bij de New Deal van Franklin Roosevelt.
Hij ontleent daartoe een klein beetje hoop aan de uitspraak van de politicoloog Seymour Martin Lipset dat de Amerikanen de laatste decennia weliswaar vaak op conservatieve presidenten hebben gestemd, maar volgens opinieonderzoek toch veeleer programmatisch progressief zijn.

Jan Nederveen Pieterse, Is There Hope for Uncle Sam?: Beyond the American Bubble. Zed Books, 224 blz., £ 14.99