Tijdelijk veilig

Aleksandar Tisma, De kapo. Vertaald uit het Servokroatisch door Reina Dokter. Uitgeverij Meulenhoff, 334 blz., f39,50
De jury - Graa Boomsma, Yves van Kempen, Marc Reugebrink en Xandra Schutte - koos ditmaal De kapo van Aleksandar Tisma als boek van de maand. De andere kandidaten waren:
Kerstin Ekman, De dwaas (vertaald door Caroline Godfried en Mariyet Senders, uitgeverij Bert Bakker, 406 blz., f39,90). In De Dwaas komt de sprookjesachtige wereld van de grote vertellers uit de traditionele volksepiek weer tot leven, in een fantastisch expose over menselijke oerdriften en instincten.
Stefan Hertmans, Fuga’s en pimpelmezen: Over actualiteit, kunst en kritiek (uitgeverij Meulenhoff/Kritak, 208 blz., f36,90). Bevlogen essays over onder meer George Steiner, Jan Fabre en Slavoj Zizek, waarin Hertmans steeds manoeuvreert tussen postmodern onbehagen en de neiging tot fundamentalistisch denken.
K. Schippers, De vermiste kindertekening (Uitgeverij Querido, 152 blz., f34,90): zie de bespreking elders in dit nummer.
ALEKSANDAR TISMA ging weg uit het ontplofte Joegoslavie omdat hij het niet meer kon aanzien, het tellen van de doden, het beschuldigen van de anderen, het afschuiven van schuld. Hij moest wel vertrekken uit het ‘vraatzuchtige, boosaardig loerende Novi Sad’ zoals het in zijn derde roman, Het gebruik van de mens (1976) heet. In die roman - een smeltkroes van nationaliteiten en religies - overleeft het stadje aan de Donau alle slachtingen en bloedbaden aangericht door nazi- Duitsland en handlanger Hongarije. De personages zijn gebruiksvoorwerpen, onderworpenen aan lot, toeval en instinct. Niet hun overtuiging telt, alleen de wet van de oorlogsmachine, de terreur van de etnische politiek van bloed en bodem.

Aleksandar Tisma, zoon van een joods-Hongaarse moeder en een Servische koopman, belichaamt de burgeroorlog die op de Balkan woedt. Ook hij is hopeloos verscheurd. Novi Sad is zijn geboortestad, nu rust hij in een Frans dorpje uit van zijn vaderland. ‘Ik ben geen man van de daad’, zegt hij.
Wat is er overgebleven? Het leren van het alfabet van de ballingschap, zoals Dubravka Ugresic dat zo genadeloos heeft ontleed. De machthebbers hebben Ugresic haar Joegoslavische nationaliteit ontnomen en haar tot Kroatische omgedoopt. Maar zij is anationaal, zij hoort bij de anderen, de zwervers. Wat zegt Aleksandar Tisma? Over zichzelf: 'Ik blijf Joegoslaaf.’ En over Vilko Lamian, overlevende van Auschwitz in zijn roman De kapo (1987): 'Hij was een banneling, die zich nu ook bewust was van zijn ballingschap.’ Ugresic en Tisma hebben veel met elkaar gemeen. Zij weigeren zich te laten misbruiken door welk nationalisme dan ook. Er is niet een waarheid ten koste van alle andere waarheden.
Non serviam, er kan geen ander credo voor de schrijver bestaan. Geen concessie aan de terreur van de geschiedvervalsing of de verleidelijke onverschilligheid. De beste politiek is antipolitiek, een houding die door Gyorgy Konrad eens is omschreven als 'verwondering’ en door Nabokov als 'nieuwsgierigheid’.
ALEKSANDAR TISMA wil zichzelf overigens geen dissident of oproerkraaier noemen. Hij neemt waar met een glasheldere blik, registreert op meedogenloze wijze, heeft zichzelf onafhankelijk verklaard en overleeft als balling en als schrijver, verdreven uit een land waarin het menselijk lichaam slechts een sluitpost vormt. 'Het lichaam is een wonderlijk apparaat. Maar het is niet in staat de beelden in je hersenwindingen te absorberen.’ (De kapo).
Ivo Andric, Mirko Kovac, Dubravka Ugresic, Danilo Kis, Aleksandar Tisma: zij allen zijn ballingen, auteurs die desnoods met terugwerkende kracht door de manipulatoren van taal en trots worden beroofd van hun identiteit. Ballingschap is een verzamelnaam voor alle vormen van vervreemding, schreef Kis, 'het laatste bedrijf van een drama, het drama van de niet-authenticiteit. De Middeneuropese schrijver zal ten slotte in de taal zijn enige legitimiteit vinden en in de literatuur die “wonderlijke en mysterieuze troost” vinden waarover Kafka het heeft. Een gehechtheid die zowel gevaarlijk als bevrijdend is: “een sprong uit de rijen der moordenaars”.’
In de marge en de kracht van zijn ballingschap creeert Aleksandar Tisma eilanden van intimiteit en warmte in zijn verhalen. Tegelijkertijd registreert hij een troosteloze terreur die zelfs aan de persoonlijke herinnering morrelt. Aan het slot van zijn roman Argwaan en vertrouwen (1983) beschrijft hij de legitimiteit van de taal: 'De wereld is immers zelf een lege ruimte, woestenij, kou, verlatenheid, onbegrip, niet geaccepteerd zijn, nergens je eigen gootje hebben. Vandaar die kunstmatige gootjes, die woorden die stuk voor stuk naar de wortels boren, naar het verleden, naar gewoonten en gebruiken, naar intimiteit.’
Zo verweren de verhalen van de balling Tisma zich tegen de bandieten van de etnische zuivering. Er bestaat geen ander literair alfabet in ballingschap.
De schrijver bedrijft geen partijpolitiek, hij schrijft een boek en dat boek is zijn identiteitsbewijs. Hij handelt op eigen verantwoording en nooit op gezag van anderen. 'Ik heb geen natie’, zegt Tisma. Hij schrijft dan wel in het Servokroatisch, maar hij wil niet dat zijn lot daarvan afhangt. Hij wil zich met geen enkele natie in het voormalige Joegoslavie identificeren. Daarom ook kiest hij in zijn romans voor verrassende, wisselende perspectieven die een lappendeken van noodlottige levenslopen oplevert. Tisma classificeert en catalogiseert als een bewogen boekhouder van de taal. Hij ziet af van commentaar dat uitsluitsel geeft over goed en kwaad. Daarom zijn zijn verhalen zo verontrustend. In het titelverhaal van zijn bundel De school der goddeloosheid laat Tisma de lezer bijvoorbeeld sympathie koesteren voor een beul die, gekweld door de gedachte dat zijn zoontje misschien wel doodgaat, een gevangene doodmartelt.
HET GEBRUIK van de mens is een magnifieke, alarmerende roman, maar De kapo is zijn meesterwerk. In deze schokkende roman gaat Tisma verder dan ooit. Hij schildert het portret van de Joegoslavische jood Vilko Lamian die door zijn grenzeloze overlevingsdrift in Auschwitz 'kapo van Hitler’ wordt, 'de allergrootste vijand, de allergrootste verrader, tot dusver verborgen in zijn hol, in zijn leger, onder het masker van een volgzaam burger die zich nergens mee bemoeit’.
Vilko Lamian is in De kapo permanent bezig zich te 'verbergen voor het toeval’. Een onmogelijke opgave, want op een dag wordt hij overvallen door zijn kampverleden, dat hij voorgoed van zich afgeschud dacht te hebben. Bij toeval krijgt hij een Hongaarse krant in handen waarin vele keren 'Szabadka’ staat, de naam voor het Noord-Joegoslavische grensstadje Subotica. Subotica is ook de geboortestad van Helena Lifka, een Joegoslavische jodin die door Lamian is misbruikt maar het kamp heeft overleefd. Hoewel zijn achtervolgingswaanzin verergert en hij bang is voor haar haat en walging, kan hij niet anders dan een zoektocht organiseren naar haar verblijfplaats. Hij, teruggetrokken ambtenaar van het kadaster, komt uit zijn hol. Hij verlaat zijn schuilplaats in het Bosnische Banjaluka om zich eindelijk bloot te geven aan die ene overlevende die weet wat hij heeft gedaan en nagelaten om te kunnen overleven. Alleen bij haar vindt hij misschien begrip en geborgenheid.
De gemoedstoestand van Lamian is weerspiegeld in de verhaalopbouw. Verleden en heden wisselen elkaar op de meest onverwachte momenten af, bovendien schiet de vertelling op cruciale plekken - als de nood hoog is en de dood dichtbij - van de hij- in de ik-vorm, zoals aan het begin van het hoofdstuk waarin Lamian een vrouwenlichaam gebruikt: 'En toch, toen de tranen uit Helena Lifka’s ogen stroomden, had hij daarin niet zijn eigen joodse tranen herkend. Want toen was ik geen jood meer, maar een kapo, ik hoorde niet meer bij de soort van de vernederden, ik hoorde alleen bij mijzelf, bij mijn lichaam, dat ernaar streefde zich te ontspannen, zich van zijn banden te bevrijden, om te overleven.’
DE KAPO is een roman van maskerade, het bedrog, de identiteitsverwisseling. Deze keer echter niet als literair spel, maar uit een diepgeworteld instinct. Vilko Lamian geeft zich voor een ander uit om zijn hachje te redden. Lamians ouders, gewillig slachtoffer van sluimerend antisemitisme, laten Vilko niet besnijden en dopen hem zelfs.
In zijn puberteit wordt hij 'beschikker en bezitter’ van vrouwenlichamen en reageert hij ontwijkend op zijn afkomst. Hij ontwikkelt zelfs een vorm van zelfhaat, indirect besmet door de ideologie van bloed en taal van Kroatische nationalisten die een natie zonder vreemde smetten verlangen. De joden bleven opdringerige vreemdelingen. 'Ze waren zwak, zonder wortels in de stad en de akkers eromheen, onzeker vanwege het toeval dat hen hierheen had gebracht en dat hen wankelbaar en daardoor juist opvallend, onplezierig maakte.’
De kapo stelt op een zeer indringende wijze, namelijk door de presentatie van een jood als dader, de schuldvraag aan de orde. Is iedereen die het kamp heeft overleefd schuldig? Alleen al het stellen van die vraag doet pijn. Natuurlijk probeeert Vilko Lamian zichzelf en zijn moordpartijen goed te praten, want niets onmenselijks is hem vreemd. Tegelijkertijd ziet hij zichzelf als afval, als 'verrotting die zich alleen voedde om het verrotten te verlengen’. Hij is een schuldige overlevende die verteerd wordt door wantrouwen en die geen vertrouwen kan geven, wellicht alleen aan die andere overlevende, Helena Lifka. Hij verlangt naar 'het beslissende volgende ogenblik’, hij wil weg 'uit de mist van bedrog’. Want wie is hij uiteindelijk? Iemand die haat met haat vergeldt, een SS'er, een kapo of 'de jood Lamian die bang was in het donker’? Hij had overleefd omdat hij had gedood. Anderen zouden toch hetzelfde hebben gedaan? 'Ze hielden zich allemaal aan de voorschriften, want dat was de voorwaarde om het volgende ogenblik te bereiken, iedere kapo, iedere “Haftling”, iedere “Zugang”, iedere Duitser. En zo bedrogen ze elkaar allemaal…’
Aan het slot van De kapo is dit menselijk afval eindelijk terechtgekomen in het huis van Helena Lifka. Maar hij is net te laat, zij is geen overlevende meer. Hij krijgt een van zijn rilaanvallen maar wil blijven, 'alleen hier was hij veilig, beschut, al was het ook maar tijdelijk, tot het volgende moment,…’
De kapo is een onrustbarend boek over een slachtoffer dat dader wordt, over een dader die slachtoffer blijft. Het is een roman over een onderduiker en een balling die heel diep in het vlees van de lezer snijdt.