Corona: Virusfilosofie

Tijdens de pandemie staat het denken niet stil

Giorgio Agamben, Slavoj Žižek, Yuval Noah Harari en Byung-Chul Han: allerhande filosofen proberen betekenis te geven aan het virus en lessen te trekken voor de toekomst. Maar het is nog lastig speculeren over de wereld ná de pandemie.

Artikelen in De Groene Amsterdammer over de coronacrisis zijn voor alle lezers gratis te lezen. Interesse om meer te lezen?

De Italiaanse filosoof Giorgio Agamben was er vlug bij. Op 26 februari, toen de quarantaine nog maar een deel van Lombardije betrof – pas op 10 maart ging heel Italië op slot – schreef Agamben in het linkse dagblad Il Manifesto dat de overheid ten onrechte de noodtoestand uitriep en, misbruik makend van de angst voor een virus, de aanval op de burgerlijke vrijheden had ingezet. Een tegengeluid liet niet lang op zich wachten: onzin, oordeelde de Sloveense filosoof Slavoj Žižek – nochtans net als Agamben een filosoof van links.

Žižek verweet Agamben ideologische verblinding, die het voor hem onmogelijk maakte de realiteit van de epidemie te erkennen. Dat Agamben had betoogd dat de gevolgen van het coronavirus in het niet vallen bij die van de gemiddelde griepepidemie, net zoals Trump en andere extreem-rechtse types later zouden doen, droeg weinig bij aan de overtuigingskracht van de Italiaanse denker.

De snelheid waarmee de maatregelen tegen de pandemie ons leven zijn gaan bepalen, tart iedere verbeelding. De tijd lijkt in een stroomversnelling: hoe lang geleden was het toen we met afstandelijke huiver op het journaal de beelden uit de Chinese stad Wuhan zagen, niet vermoedend dat Wuhan ons voorland was? Wat oppervlakkig gezien een Chinese specialiteit leek – een regering legt miljoenen mensen huisarrest op, onwezenlijk lege straten in een miljoenenstad – is een paar weken later onze dagelijkse realiteit.

In ijltempo zijn ook bij ons allerlei rechten buiten werking gesteld: het recht op vrij reizen en het recht op vrije vergadering bijvoorbeeld. Er zijn natuurlijk ook verschillen tussen Europa en China: het recht op vrije meningsuiting bijvoorbeeld is bij ons niet ingeperkt – niemand verhindert een openbaar debat over de modaliteiten van de huidige vrijheidsbeperking. Die lijken echter over het algemeen breed te worden gesteund, meestal als een vervelende noodzakelijkheid.

Er is – heel fascinerend – ook een deel van de publieke opinie dat kennelijk geilt op de mogelijkheid van een meer autoritaire, of zelfs totalitaire benaderingswijze. In Kamerdebatten ziet men Wilders en Baudet – doof voor rationele calculatie van regeringszijde – begeesterd pleiten voor krachtiger doorpakken. Maar niet alleen op extreem-rechts zijn er die gevoelig zijn voor de autoritaire verleiding. In een uitzending van het tv-programma Buitenhof pleitte de schrijver Bas Heijne voor meer dwang en verbod, en minder ruimte voor de eigen verantwoordelijkheid van de burger. Dat zou pas echt ‘leiderschap’ zijn, hield Heijne de burgemeester van Amsterdam voor, die tegen zulke praatjes terecht protesteerde.

Een schermutseling als deze laat tevens zien dat de intellectuele gedachtenwisseling rondom corona nog maar in de kinderschoenen staat. Gezien de ijselijke snelheid van de gebeurtenissen is dat misschien niet zo’n wonder. Velen hebben het gevoel dat deze pandemie niet zonder gevolgen kan blijven voor de organisatie van de economie, het internationale leven, het levensgevoel of de ideologie. Maar hoe en wat precies, is moeilijker te zeggen.

—————

Voor Agamben past de uitzonderingstoestand waarin Italië nu leeft, precies binnen zijn bekendste theorieën. In de geleerde verhandelingen Homo sacer (1995) en Stato di eccezioni (2005) onderzocht deze filosoof het spanningsveld tussen recht en macht, en definieerde hij de ‘soeverein’ als degene die de macht heeft een ‘uitzonderingstoestand’ uit te roepen – dat wil zeggen buiten het recht om te regeren zonder de wetten zelf af te schaffen.

In het boek uit 2005 demonstreerde Agamben dat aan de hand van de ‘Patriot Act’ waarmee de Amerikaanse regering van Bush na 9/11 de burgerrechten (deels) buiten werking stelde, en de manier waarop gevangen genomen Taliban en andere van terrorisme verdachte lieden niet als krijgsgevangen werden beschouwd maar in de rechtsvrije ruimte van Guantanamo konden worden opgeborgen. Dat de regering Bush jr. daarmee wegkwam, laat zich verklaren door de angst voor het vege lijf die de aanslagen van 9/11 alom teweeg brachten: de mens voelt zich bedreigd in zijn ‘naakte leven’ en is bereid ter verdediging daarvan al het andere aan vrijheden en recht te offeren.

De uitzonderingstoestand en de reductie van de burger tot het vege lijf zijn, meent Agamben, de afgelopen jaren steeds meer de permanente toestand geworden – de terreurdreiging bestaat immers sinds 2001 voort en ook de bankencrisis van 2008 heeft de overheden aanleiding tot uitzonderlijke maatregelen gegeven, om een economische ineenstorting en de aantasting van de basisvoorwaarden voor het leven van de mensen te verhinderen.

Voor de Italiaanse filosoof zijn de maatregelen die in Italië en andere landen genomen worden tegen de coronapandemie een nieuwe schrede op dezelfde weg. Onder invloed van de angst voor de ziekte wordt duidelijk dat een samenleving als de Italiaanse, als het er op aan komt, aan niets anders meer gelooft dan het redden van het vege lijf en bereid is daarvoor vrijwel al het andere op te geven: de normale levensomstandigheden, werk, vriendschappen, religieuze en andere gevoelens en politieke overtuigingen.

Meer nog dan na 9/11 blijkt de samenleving bereid zich te laten reduceren tot de verdediging van het fysieke bestaan, en af te zien van alle politieke, sociale, menselijke en affectieve neigingen, betoogt Agamben. Angst verbindt niet, maar isoleert de mensen. Een samenleving die op onafzienbare termijn, dus quasi-permanent, in een staat van angst van onzekerheid moet leven, kan geen vrije samenleving zijn.

Zeer terecht spreken sommige politici dezer dagen dan ook van een ‘oorlog’ tegen het virus, meent hij. De gedachte aan ‘oorlog’ tegen een onzichtbare vijand die zich bovendien in ons genesteld heeft, is echter absurd. ‘In werkelijkheid gaat het om burgeroorlog. De vijand is niet buiten ons, maar in ons’, schrijft de filosoof in een recente bijdrage aan de Neue Zürcher Zeitung.

In dezelfde krant legt Slavoj Žižek de zwakten van Agambens redenering bloot. De Italiaan, meent zijn Sloveense collega-filosoof, veronderstelt ten onrechte kwade opzet bij de machthebbers in het kapitalistische systeem, die een pandemie zouden aangrijpen om hun hoger doel van perfectere en systematischer controle te verwezenlijken. Maar waarom zouden zij geporteerd zijn voor een ramp die de werking van het kapitalistische systeem in de waagschaal stelt? vraagt Žižek. Dat het gevaar van de pandemie wordt overdreven, zoals Agamben stelt, is bovendien niet met droge ogen vol te houden.

Žižek ziet in de pandemie eerder een mogelijkheid de mondigheid van de mens tegenover de machthebbers te bevorderen: ‘jullie hebben de macht, laat zien wat je kunt!’ Het coronavirus maakt de ontwikkeling van vormen van lokale en mondiale solidariteit mogelijk en toont bovendien zonneklaar aan dat het dringend nodig is de controle op de machthebbers te verbeteren. De manier waarop de overheid in China de burgers controleert in verband met het coronavirus is geen schrikbeeld voor Žižek – eerder vreest hij dat het Europa nog lelijk zal opbreken dat een kamerbrede controle van de bevolking bij ons niet goed voorstelbaar is. Want de Chinese methode lijkt redelijk te werken.

‘De uitdaging voor Europa is, te bewijzen dat wat China heeft gedaan, ook op transparanter en democratischer wijze gedaan kan worden’, meent de Sloveen. Wie in de bestrijding van het virus slechts een vuig kapitalistisch complot wil zien, verruilt de werkelijkheid van de pandemie voor de ideologie van het complot – net als Trump die in het coronavirus vooral een opzet van de Democraten wil zien om zijn herverkiezing tot Amerikaans president te dwarsbomen.

—————

De gedachte dat de Chinese benadering van de corona-epidemie misschien nog niet eens zo slecht is, duikt dezer dagen vaker op. De Israëlische historicus Yuval Noah Harari ziet de coronacrisis als een historisch kantelmoment: zaken die tot voor kort volstrekt ondenkbaar leken, worden opeens gerealiseerd en gaan permanent deel uitmaken van onze werkelijkheid, betoogt hij in een stuk voor de Financial Times.

Een voorbeeld is de ‘electronic surveillance’ waarmee in China al veel ervaring is opgedaan. Door het traceren van mobiele telefoons en warmte- en andere soorten camera’s op straat wordt het mogelijk individuen in hun gang te traceren en na te gaan of ze wellicht verhoging hebben, of een te hoge bloeddruk. Omdat het eveneens mogelijk is na te gaan bij wie het individu in de buurt is geweest – iedereen wordt immers getraceerd – is het mogelijk dragers van een virus of bacterie op te sporen en te isoleren. Voorbij epidemie.

Net als Žižek betoogt Harari dat drastische maatregelen en technieken op zichzelf geen aantasting van de menselijke vrijheden hoeven te zijn, maar dat de toelaatbaarheid ervan staat of valt met waarborgen en regels bij de toepassing. Want niet alleen koorts en hoesten zijn biologische fenomenen – boosheid, plezier, verveling en liefde zijn dat evenzeer, meent Harari. Wanneer bedrijven of regeringen op grote schaal onze biometrische gegevens zouden kunnen verzamelen, ontstaat een situatie waarin de verzamelaars elk individu beter kennen dan het individu zichzelf kent. Dat opent ongekende mogelijkheden om producten of politiek aan de man te brengen. Om over de politionele mogelijkheden nog maar te zwijgen: wie er in een land op Noord-Korea op betrapt zou worden dat elke verschijning van de geliefde leider irritatie bij hem oproept, kan het daar wel schudden.

Harari’s betoog loopt uit op een behartenswaardig pleidooi voor meer internationale samenwerking bij de benadering van zulke vraagstukken – de kans daarop lijkt voorshands niet zo groot, met een Amerikaanse president die de pandemie grotendeels ontkent en de bondgenoten niet eens op de hoogte stelt, alvorens de Amerikaanse grenzen voor hun burgers te sluiten.

—————

De Duitse filosoof Byung-Chul Han, die overigens van Koreaanse origine is, lijkt eveneens met enige afgunst naar de Aziatische bestrijding van het coronavirus te kijken. De westerse samenlevingen, meent hij, zijn in de bestrijding van de pandemie ernstig gehandicapt door een traditie van individualisme, die in Azië grotendeels ontbreekt. Als gevolg daarvan zijn Aziaten veel minder gepreoccupeerd door de wens persoonlijke data te beschermen tegen inzage van de overheid.

Het mentaliteitsverschil, schrijft Han in Die Welt, wordt geïllustreerd door de volstrekt andere omgang met gezichtsmaskers. In China, Japan en Korea draagt vrijwel iedereen zo’n masker, maar in Europa is dat bijna een taboe – alleen misdadigers gaan bij ons gemaskerd over straat. En in plaats van het dragen van maskers te bevorderen, als een rationele beschermingsmaatregel, vooral op plaatsen als het openbaar vervoer waar de nabijheid van de mogelijke besmette medemens vrijwel onvermijdelijk is, gaat de overheid in westerse landen liever over tot irrationele maatregelen als het sluiten van landsgrenzen.

De geweldige paniek die het coronavirus in zoveel landen teweeg brengt, wijt Han onder andere aan het taboe op ‘negativiteit’ dat zich in westerse geïndustrialiseerde samenlevingen heeft ontwikkeld. In de wereld van de ‘likes’ op internet moet alles worden toegelaten en omarmd, afwijzing van andermans gedragingen en ideeën gelden eerder als dom en afkeurenswaardig. Wie echter alles en iedereen positief benadert, houdt geen vijand meer over en de werkelijkheid van het coronavirus is nu eenmaal vijandig. Die plotselinge confrontatie met een vijand leidt zo al snel tot paniek en irrationele afweerreacties.

Net als Harari hoopt Han dat de crisis van nu op den duur zal leiden tot grote veranderingen in de manier waarop de mensheid omgaat met bedreigingen, en dus ook in de manier waarop bestuurders en heersers omgaan met de belangen van de mensheid. Maar welke vormen dat kan aannemen, en in welke mate verhinderd kan worden dat lieden als Xi, Orban, Netanyahu of Trump de gelegenheid te baat nemen voor de vestiging van korte baan-autoritarisme staat nog te bezien.

Tijdens de pandemie staat het denken dus niet stil. Maar zoals het nog te vroeg is om vertrouwen te hebben in de goede afloop van de pandemie zelf, zo is het ook nog lastig speculeren over de wereld ná de pandemie. Voor Žižek staat één les echter al vast: het besef dat de mens een kwetsbaar en mogelijk tijdelijk verschijnsel is in het geheel der dingen. De primitiefste levensvorm op aard, het virus, heeft de meest ontwikkelde levensvorm, de mens, uitgekozen als vehikel voor zijn vermeerdering, meer niet, en vermag daarbij aan de mensheid een einde te maken. Dat noopt ons tot daadkracht, maar ook tot bescheidenheid over onze plaats in het geheel der dingen.


Menno Grootveld vertaalde voor De Groene opinieartikelen van Žižek en Agamben.