Op zoek naar het politieke gedicht

«Tijdgedichten»

Nederland is al eeuwenlang arm aan gedichten met een politieke of maatschappelijke inslag. Na de Tweede Wereldoorlog is de stilte zelfs oorverdovend geworden; in onze ingedutte democratie lijkt een afkeer te bestaan van het politiek getinte gedicht.

Een van de bekendste gedichten tijdens lessen Nederlandse literatuur op de middelbare school is ongetwijfeld Joost van den Vondels Het stockske van Joan van Oldenbarnevelt, vanwege het aanschouwelijke onderwerp natuurlijk, de door de dichter teruggeziene wandelstok waarmee de staatsman het schavot betrad, maar toch ook door de felle, onverbloemde taal: «Myn Wensch behoede u onverrot,/ O stock en stut, die, geen’ verrader,/ Maer ’s vrijdoms stut en Hollants Vader/ gestut hebt op dat wreet schavot».

Een politiek getint gedicht, geen twijfel mogelijk, van een dichter die zich wel vaker hekelend in het publieke debat van zijn tijd begaf, maar kijk eens hoe het in de volwassen literatuurgeschiedenis wordt behandeld. In het meest uitputtende naslagwerk van de Nederlandse literatuur, Knuvelders Handboek tot de geschiedenis der Nederlandse letterkunde, met een dikke honderd pagina’s voor Neerlands grootste dichter, wordt het niet eens vermeld. Alsof zo'n populair politiek gedicht de moeite nauwelijks waard is. Het lot van Oldenbarneveldts Stockske typeert daarmee de positie van het politieke vers in Nederland. Het zal daarna niet echt meer goed komen.

Wat voor woelingen Nederland ook moet doormaken — de Napoleontische tijd, de Tweede Wereldoorlog — de poëzie doet er liever niet aan mee. Of iets preciezer: her en der worden wel politiek getinte gedichten geschreven, maar echte poëzie, nee, dat vinden we het toch niet. De verzetsliederen uit de Tweede Wereldoorlog kwamen dan ook terecht in een apart Geuzenliedboek en vonden zelden hun weg naar algemenere bloemlezingen. Karakteristiek voor de Nederlandse dichter is ook wat Willem Bilderdijk, opgewonden standje toch en bovendien vurig partijman (Oranjeklant), over politiek en literatuur te melden had. De letterkundige genootschappen uit zijn tijd waren hem veel te politiek gericht en aan Johannes Kinker schreef hij dan ook (in het Frans): «Je ne puis vivre si je ne sois exempt de toute existence politique.»

En niet alleen het politiek gedicht waarin de schrijver een partijstandpunt lucht komt in Nederland nauwelijks aan de beurt, ook het gedicht met de politiek-neutrale — of al was het slechts maatschappelijk betrokken — stoffering doet niet echt mee.

Heel eventjes flakkert er iets aan het begin van de vorige eeuw. Herman Gorter schrijft zijn socialistische Verzen en het grote gedicht Pan over de gemeenschap der mensen. En ook Henriëtte Roland Holst zou zich voortaan wijden aan gedichten ten behoeve van het socialistische paradijs. C.S. Adama van Scheltema, nog zo'n naam uit die verwachtingsvolle tijd; zijn engagement bestond uit eenvoudige gedichten voor de gewone man, het soort poëzie dat eigenlijk op muziek gezet had moeten worden en door moeders aan hun kinderen voorgezongen. Titels: Van zon en zomer, Uit stilte en strijd. Vind er nog maar eens wat van terug in bloemlezingen!

Ja, Gerrit Komrij nam in zijn befaamde bloemlezing van bijvoorbeeld Gorter behalve een grote hoeveelheid sensitivistische verzen ook het gedicht De arbeidersklasse danst een grote reidans op, maar je moet wel van Mars komen om daar geen ironische bijbedoelingen in te proeven. En zo is het ook met het geëngageerde gedicht Sombre gedachten schiep een sombre tijd waarmee Henriëtte Roland Holst mee mag doen en waarin de aandacht eerder valt op de wereldafzijdige poëtica dan op de door de schrijfster bedoelde oproep tot maatschappelijke betrokkenheid:

Dichters wendden zich van de levens-sferen

wederbegerend wat in d’ eeuwen sliep,

of loken d'ogen en verbleekten diep

beproevende op hun eigen hart te teren.

En zo is het. Wie de Nederlandse poëzie onderzoekt op politiek of maatschappelijk engagement komt van een grote, koude individualistische kermis thuis.

Voor ons ligt een hele bloemlezing met gedichten over het thema Het werk, in 1980 samengesteld door Wiel Kusters. Toch bij uitstek de gelegenheid om wat betrokkenheid te tonen, maar de bloemlezer haast zich om zijn lezers in de inleiding gerust te stellen: «Natuurlijk heeft Het werk geen politieke bedoelingen.» Nee, natuurlijk niet!

Wie de Nederlandse poëzie van de afgelopen eeuw naast de politieke geschiedenis uit diezelfde tijd legt, ziet dan ook nauwelijks raakvlakken. De maatschappelijke ontwikkeling heeft eigenlijk geen vat op de gelijktijdige dichtkunst. Het zegt wel iets dat de televisie pas aangaat en de kranten pas weer worden opengeslagen tegen het einde van de twintigste eeuw, op het moment dat het politieke bewustzijn van Nederlanders de nulgrens nadert en onder invloed van het anything goes-principe niemand ergens meer iets van hoeft te vinden.

Loopt u even mee?

Na de marxistische heilsboodschappen van Herman Gorter en Henriëtte Roland Holst verwacht men misschien toch wat maatschappelijk en politiek engagement bij de dichters van het interbellum. E. du Perron bijvoorbeeld, toch altijd de mond vol van de verantwoordelijkheid van de mens. Maar in elk geval in zijn poëzie deed hij er het zwijgen toe, die bleef zelfs in zijn opvatting kennelijk bedoeld voor mededelingen van intiemer belang.

Wie flink sprokkelt vindt onder zijn generatiegenoten nog wel het een en ander, en niet toevallig juist onder de dichters die als journalist de kost verdienden: Jan Greshoff en Eric van der Steen. Greshoff is zonder concurrentie de enige Nederlandse dichter tussen de twee wereldoorlogen met een onvervalst politieke inslag, die bijvoorbeeld ook de dreiging in Duitsland poëtisch toonzette. In de bundel De najaarsopruiming sneert hij over de door dichter Binnendijk voor het koninkrijk opgestelde muurvaste code der zuivere poëzie en zet hij het prototype van de zelfgenoegzame dichter als volgt neer:

Ik ben een rustig gast, voor wie ’t wel en wee

Der Sowjetrepubliek en Nederland

Blijf ik volkomen onverschillig want

Wat of er ook gebeurt, ik doe niet mee!

Het heil van de gemeenschap laat me koud;

En van miljoenen is mij slechts verwant

Eén vrouw waar ik belachelijk veel van houd.

Ook Eric van der Steen keek beter dan de gemiddelde Nederlandse dichter met zijn intieme gepeins uit waar hij liep, al is zijn betrokkenheid en kritische commentaar bij de actualiteit wel heel wat kleinschaliger dan die van Greshoff: «De Singel wordt gedeeltelijk gedempt,/ ik noem het een versmalling, zij: verbreding.» Klein stadsnieuws, maar toch, hij las de krant.

Garmt Stuiveling, zelf de vergeten dichter van waarachtig een Landarbeiders staking — inclusief looneisen («Geen hand zal nu de late zaden winnen;/ Niet eerder zal het zichten hier beginnen/ Voor dat de boer een hoger loon toestaat») — schreef in de literatuurgeschiedenis van De Vooys over de gepatenteerde mooischrijver Jan Engelman: «De maatschappelijke strijd schijnt aan hem te zijn voorbijgegaan, totdat de Spaanse burgeroorlog hem ontstelde en hij in elke tijdgedichten zich uitsprak.» En waaruit blijkt dan Engelmans geraaktheid door het Spaanse leed? Regels als: «Wie maakt de fout, Heer, waar is het gelijk?/ Als blinden staan wij voor Uw lach te kijk.» Vrijwel niemand schonk enige aandacht aan deze a-typische gedichten. Maar Vestdijk karakteriseerde Engelmans standpunt in dezen als «transcendente neutraliteit». De revolutie werd er in elk geval niet in aangestoken.

«Tijdgedichten», dat is het woord: Nederland is arm aan tijdgedichten! En na de Tweede Wereldoorlog lijkt de maatschappelijke betrokkenheid alleen nog maar verder af te nemen.

Toegegeven, de Vijftigers bekenden wel degelijk kleur, vooral in het begin. Antiburgerlijk als ze waren maar ook wars van andersoortige breidels, stijgt soms een heus geëngageerd geluid op uit hun poëzie, al blijft die wars van ideologische trekjes. Beroemd is Luceberts Minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia met aan het eind de regels: «als op java plassen bloed zij stuiptrekt/ uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?»
Natuurlijk, het wordt nooit onversneden agitprop en ook op hun betrokkenst passen dit soort gedichten nog altijd in de Vijftigers-poëtica van taal- en beeldvernieuwing, maar je proeft in elk geval echte standpunten. Dat geldt ook voor de gedichten Korea, juni 1951 en Cuba libre van Hugo Claus waarin de schrijver zich engageert met onderdrukte volkeren. Maar het blijft bij incidenten in hun beider oeuvres.

De enige Vijftiger die waarlijk politieke poëzie bedreef is Jan Elburg. Hij was weliswaar afkerig van «een vers met onverteerde sociale leuzen en mededelingen», maar zag poëzie wel als «draagster van het verlangen naar een omgewentelde maatschappij». Elburg is dan ook direct de laatste politiek geëngageerde dichter van zijn eeuw die met zijn verzen de canon bereikt. Vooral in de bundel Laag Tibet van 1952 kolkt het nog van nauw bedwongen stalinistisch elan:

Kameraden, wie een eerlijk besluit

in een lied uit en bij zijn klasse staan gaat,

zal door hofmeiers, honden en verstokte cohorten

gezocht en gejaagd worden, gehaat worden

als veepest. Maar het zal lang laat worden

eer hij van zijn vermaningen aflaat.

Elburg kan, net als Greshoff voor de oorlog, dienstdoen als de regelbevestigende uitzondering, maar in de jaren zestig destaliniseert ook hij en raakt zijn poëzie haar politieke kantjes kwijt.

Wie vervolgens in de jaren zestig rondkijkt, vindt nauwelijks nog iets, of liever gezegd: hij stuit op het opmerkelijke tegendeel van politieke en betrokken dichtkunst. Ontzuiling alom, democratisering aan de universiteiten, Parijs 1968, Vietnambetogingen, «Johnson Molenaar», bestudering van de materialistische literatuurtheorie: de jaren zestig vormen ongetwijfeld het hoogtepunt van een brede politieke en sociale bewustwording in Nederland. Maar als je dacht dat de poëzie daar enige sporen van vertoonde, welnee! Misschien dat je bij dichters als Ton van Reen, Simon Vinkenoog of Manuel Kneepkens nog wat revolutionair kruit ziet liggen, maar toonaangevende dichters in die tijd staan juist nogal demonstratief met hun rug naar de wereld, het nieuws en de werkelijkheid. Hoe anders valt het te verklaren dat dé evergreen van die jaren, Jonge sla van Rutger Kopland, zich afspeelt tussen de gewassen op het akkerland. Haast alsof Nederland nog altijd per se een agrarisch land moet wezen.

Ook het grote nieuws van die dagen bereikt de dichtkunst nauwelijks. Een karakteristieke tekst is de volgende readymade van Cees Buddingh’:

Dordrecht 25 november 1963

L.S. wegens de gebeurtenissen in Amerika gaat de ouderavond niet door de avond wordt nu gehouden op maandag 9 december (over veertien dagen)

ook weer in de Meerpaal om 8 uur

de oudercommissie.

Zo'n beetje het enige en dan nog indirecte signaal dat de moord op John F. Kennedy, waar de rest van de wereld van wakker lag, ook tot de huiskamer van de Nederlandse dichters was doorgedrongen. Maar verder blijft de Nederlandse poëzie, waarin cao en wao toch zo mooi op elkaar beginnen te rijmen, er nadrukkelijk een zonder Maagdenhuis en Wijster.

Hier, Remco Campert met een heel klein sliertje Cubaans benul in «Dit gedicht is» uit de bundel Hoera hoera (1965): «terug uit Rotterdam half 11 Cubatijd/ nu wordt het toch nog oorlog/ maar zeur niet zei je.»

Het terecht niet onvermaarde gedicht De anatomische les (1966) van Riekus Waskowsky vat de gemankeerde belangstelling voor het politieke bedrijf en engagement onverbeterlijk samen:

Vanmorgen hebben wij in het Wilhelminagasthuis

ter gelegenheid van het jubileum van de Vara

een echte ouwe socialist ontleed.

Het was gek wat er allemaal tevoorschijn kwam:

halfvergane rode vlaggen, strijdliederen,

internationale broederschappen en solidariteit,

AJC een potje poepen en zes geschiedenisboeken

door P. Quack (antiquarisch).

In plaats van hersenen vonden wij: Een ver-

ontrustend rapport over de afnemende belangstel-

ling van de jongere generatie voor het dem. soc.’

Opmerkelijk eigenlijk dat die woelige tijden literair gesproken zo slecht in kaart zijn gebracht. Pas in de jaren tachtig, in de romans van A.F.Th. van der Heijden, krijg je er een beeld van, maar in de jaren zestig zelf had men kennelijk geen tijd of zin om de eigen, nieuwe cultuur te inventariseren of te verbeelden.

Het was meer tijd voor roes dan voor bewogen literatuur, misschien ook omdat het literaire op de een of andere manier in verband werd gebracht met de cultuur van de vorige generatie die juist werd bestreden.

Dé kunstvorm van de jaren zestig was de popmuziek en voor de rest was men te zeer bezig met revolutie kraaien en stickies draaien om het allemaal ook nog eens op een rijtje te zetten. Wie maatschappelijke ambities had, kon zich beter bij een van de vele verse emancipatiegolven aanmelden: de homobeweging ontstond, het feminisme, de Derde Wereld werd ontdekt, alle onrecht die de standenmaatschappij en het kapitalisme veroorzaakt zouden hebben. Een tijd van vurige protesten in schoolkrantjes. Maar de dichtkunst, dat aloude «tijdverdrijf voor enk'le fijne luiden» waar Du Perron het over had, werd wellicht toch te veel geassocieerd met het verachte burgerdom en de regentenstand om er iets maatschappelijks mee te bewerkstelligen of te toonzetten. En zo werd in de jaren zestig het poëtisch geluid verzorgd door afstandelijke academici, sceptici en zoekers naar klein geluk.

Ook na de jaren zestig komt het niet meer goed. Van de Maximalen, met hun halverwege de jaren tachtig geformuleerde roep om meer onrust, zou je wellicht verwachten dat ze enig politiek benul ventileerden — al was het maar licht anarchistisch. Maar wie in het oeuvre van de betrokkenen rondkijkt, ziet niets. Joost Zwagerman, René Huigen, Pieter Boskma: geen politieke klacht ontsnapt aan hun lippen. Ook bij dichters als Arjen Duinker, K. Michel, Elma van Haren, Tonnus Oosterhoff, Nachoem Wijnberg, Erik Menkveld, Peter van Lier, Henk van der Waal, Marjoleine de Vos, René Puthaar zoek je vergeefs. Waarna de allerjongste generatie Menno Wigman, Ilja Pfeijffer, Ruben van Gogh, Ingmar Heytze, Hagar Peeters, Mustafa Stitou, André Verbart, Marc Boog: namen genoeg maar nergens één enkele politiek geladen kreet! Heus, de werkelijkheid staat volop aan in de hedendaagse dichtkunst en jonge dichters wentelen zich haast wellustig in de alledaagse realiteit, maar van enig politiek klimaat is geen sprake. Alleen Serge van Duijnhoven engageerde zich tot ieders verbazing een paar weken lang met de Balkanproblematiek.

En verder wolkt bij Robert Anker tijdens zijn grotestadstochten soms even wat op, in de vaart van heel veel beelden meer:

In een kerk demonstreer ik voor een dienstweigeraar.

Ik lees de krant en stuur een kaart naar Nicaragua.

Ik geef zijn hond een trap en bied de oude man een borrel aan.

Door het raampje van de Boeddha zie ik Marx in de regen staan.

Een verregende Marx, dat rest ons. En in een ander gedicht, over het antwoordapparaat van de dichter, geeft dezelfde Anker dan ook het volgende portretje van de vaderlandse dichter: «Hij slaapt en praat, dat is zijn hopeloos engagement,/ de demokraat: hier komt de piep, u kunt een woordje tot hem richten.»

De Nederlandse politiek heeft kortom nooit veel gelegenheid gehad om te leren luisteren naar betrokken dichtkunst. De vraag is natuurlijk of ze daar dan wat van had kunnen opsteken. De banden tussen politiek en poëzie zijn nooit warm geweest. Plato vreesde voor zijn ideale Staat de poëzie als de pest omdat ze tot een onwaarachtige kijk op de maatschappij zou leiden. En niet voor niets zijn het juist de contreien van onderdrukking en verzet, de Derde Wereldlanden en de landen achter het voormalige IJzeren Gordijn, waar de politieke poëzie floreerde. In ingedutte parlementaire democratieën als Nederland heeft het genre eigenlijk geen kans. En wie weet moeten we ons gebrek eraan ook maar weer een beetje zoeken in die allesverklarende calvinistische inslag van ons, met haar hekel aan vermenging van feiten en lyriek, van zakelijke feiten en onzakelijke woorden.

Wel leidde de publicatie van het onschuldige gedicht Oote boe van Jan Hanlo begin 1952 nog tot vragen in de Eerste Kamer. Of zoiets mals wel passend was in een door het rijk gesubsidieerd tijdschrift. En bleek in de jaren zeventig tijdens een nachtelijke radio-uitzending met Joop van Tijn dat Joop den Uyl het gedicht De vogels van Martinus Nijhoff zomaar uit het blote hoofd kon opzeggen; een vers over een stelletje steuntrekkers in de jaren dertig, die door de cavalerie worden weggejaagd:

Andere vogels hebben het niet zo.

Ik heb hen vaak op de brug gâgeslagen,

zij haalden brood op het stempelbureau.

Als die om kruimels van de hemel vragen,

een bioscoop, een fiets een radio,

komt de cavalerie de hoek om jagen.

Maar sindsdien is van actieve politieke belangstelling voor de poëzie hoegenaamd niets meer gebleken en dat genoegen blijkt nog altijd geheel wederzijds.