Tijdloos verlangen van een zestienjarige

MEG ROSOFF
NIEMANDSBRUID
Vertaald door Jenny de Jonge Moon, 223 blz., € 16,95

Toeval is de rode draad in de (jeugd)romans van de Amerikaanse Meg Rosoff: God bestaat niet en ook het noodlot is een menselijk verzinsel. Toch zijn haar boeken niet nihilistisch. Rosoff schrijft razend knap vanuit het perspectief van adolescenten, die veelal nog geloven dat ze op de een of andere manier kunnen ontsnappen aan de alledaagse werkelijkheid en hun prille leven eigenzinnig en hoopvol richting kunnen geven.
Dat leverde tot nu toe drie bewonderenswaardig verschillende verhalen op over vallen en opstaan en over kiezen en onverwacht verliezen: Rosoffs veelvuldig bekroonde debuut Hoe ik nu leef (2004), waarin Daisy (15) kiest voor liefde maar in chaos belandt in tijden van oorlog; het droogkomische, licht absurde Het toevallige leven van Justin Case (2006), die als vijftienjarige het noodlot probeert te misleiden en ontlopen, maar ontdekt dat het leven slechts ‘een speelveld vol oorzaak en gevolg’ is; en Wat ik was (2007), een weemoedige terugblik van een eenzame honderdjarige wiens leven hem is ontglipt toen hij als zestienjarige niet voor liefde durfde te kiezen.
Rosoffs nieuweling Niemandsbruid onderscheidt zich van haar voorgaande verhalen daarin dat Rosoff deze keer opvallend en gedurfd heeft gekozen voor een veilige afstand in jaren. Veilig, omdat niemand van haar lezerspubliek het Britse plattelandsleven rond 1850 kent, anders dan uit geschiedenisboeken. Het uitzichtloze leven van Rosoffs vrouwelijke jonge hoofdpersonage Pell blijft daardoor ogenschijnlijk een leven van toen: van Charles Dickens’ Hard Times, toen honger en levensbedreigende ziekten het dagelijkse leven nog voortdurend vergezelden, ontwrichtten en aldus bepaalden. Toen mannen nog volgzaamheid en slaafsheid van (hun) vrouwen konden eisen omdat het ongehuwde alternatief veelal nog grotere armoede, of hoererij, betekende. Toen kindersterfte en analfabetisme nog heel gewoon waren en mannen hun geluk in dranklokalen zochten. Kortom: toen leven nog synoniem was aan overleven.
Toch, omdat Rosoff namens Pell ook in Niemandsbruid de universele vraag oproept in hoeverre wij mensen daadwerkelijk in vrijheid kunnen kiezen wie we willen zijn en in hoeverre wij vervolgens verantwoordelijk zijn voor de gevolgen van die keuzes, kun je deze historische roman probleemloos naar onze tijd tillen.
Aanvankelijk lijkt Pells keuzevrijheid behoorlijk groot. Wanneer haar buurjongen Birdie besluit dat het eindelijk – want altijd in de lijn der verwachtingen gelegen – tijd is om Pell te trouwen, een huis te bouwen en dat ‘barstensvol met kinderen’ te stoppen, weet Pell dat het tijd is om te vertrekken. ‘Ze hoefde alleen maar naar haar moeder te kijken – versleten en vormeloos met een lekkende blaas (…) en borsten zo plat als een wijnzak om Birdies plan af te wijzen.’ Dus ze vlucht. Ze vlucht met haar paard Jack en Bean, haar stomme stiefbroertje dat haar onbedoeld is gevolgd: weg van haar dronken vader die predikant is, weg van de honger, weg van haar levende zussen en dode broers, weg van het eentonige werk en de onveranderlijkheid van het leven nu en in de toekomst. Haar doel is de paardenmarkt in Salisbury, waar ze als hoefsmid – het vak heeft ze bij Birdie’s vader in de smederij geleerd – haar geluk hoopt te beproeven.
Mooi, vol poëzie en hoopvolle verwachting geeft Rosoff Pells vrijheidsdrang gestalte. ‘Het recht om niemand te zijn na al die jaren waarin iedereen precies had geweten wie ze was, doet haar bloed sneller stromen.’ En het aanschouwen van ‘de open weg’ betovert Pell en bezorgt haar ‘een visioen van blauwe lucht, maagdelijke heuvels en smalle paadjes (…) en van vrij zijn – vrij en hongerig, vrij en koud, vrij en nat, vrij en verdwaald – wie maalde daarom, gezien het alternatief?’
Pells vrijheidsdrang blijkt echter een tijdloos, heftig verlangen van een zestienjarige, dat zo onbestemd is dat Pell ongewild van aanvaller in slachtoffer verandert: slachtoffer van het toeval, van de willekeur die het leven is, slachtoffer van haar vrouw zijn, van de omstandigheden waaronder en de tijd waarin ze geboren is, en slachtoffer van haar gevoelens, van haar diepe liefde voor alles waaraan ze is ontsnapt.
Een tekortkoming van Meg Rosoff? Nee. Pell is zowel vanuit menselijk als vanuit historisch perspectief zeer levensecht. Anno 1850 bestond er geen leerplicht en geen carrièreplanning en feministische golven hadden de Britse kust nog niet bereikt. Dus blijken Pells zielenroerselen vanzelfsprekend meer uit haar daden dan uit haar woorden, zoals haar wanhopig zoeken – ten koste van haar vrijheidsstrijd – naar Bean en Jack als die verdwenen zijn en haar liefdevolle adoptie van een zigeunerhond.
Moeiteloos ga je met haar mee op haar zoektocht en word je bevangen door de troosteloosheid van het Britse platteland dat Thomas Hardy’s Tess of the d’Urbervilles in herinnering roept. Rosoff kan zinnen laten zingen, woorden laten dansen en op hol geslagen paarden laten vliegen. ‘Stel je eens voor: een snelheid van water dat over steen stroomt, een gewaarwording van glijden, zweven en duiken terwijl de wereld om je heen tolt en de wind je vel strak over je botten trekt.’
Maar hoe Rosoffs taal je ook vervoert, bitter is de conclusie dat Pell uiteindelijk niets te kiezen heeft wanneer blijkt dat de richting van haar ‘open weg’ bepaald wordt door onverwachte gebeurtenissen, ongewenste verbintenissen, onvoorziene problemen en verliezen die aan haar hart knagen. Moegestreden en zich bewust van het menselijke onvermogen om in vrijheid het leven vorm te geven, kiest Pell voor een bestaan in eenzaamheid met een zielsverwant die ze tijdens haar omzwervingen heeft ontmoet. Uit liefde, of noodzaak?