Tijdloze domheden

Ik heb het op het ogenblik niet zo druk. Ik ruim m'n bureau op. Boven op de stapel, uit de krant van enkele dagen geleden, een stukje van Jan Blokker over een aantal zeer verschillende boeken. Misschien had hij zijn bureau een paar dagen eerder opgeruimd. Het gaat, naar aanleiding van een nieuw boek van Thomas Elsaesser, onder andere over Fassbinder. De onvergetelijke Rainer Werner.

Blokker denkt daar anders over. Die vindt dat we Fassbinder wel kunnen gaan vergeten. Hij noemt Fassbinder ‘een kind van zijn tijd’ (alsof we dat niet allemaal zijn) en stelt dat hij door zijn werkwijze (met een hechte kliek medewerkers) gedoemd was om snel te dateren. Sterker nog, zonder kennis van het sociogram van Duitsland anno 1970 zijn Fassbinders films helemaal niet meer thuis te brengen. Alleen voor Berlin Alexanderplatz maakt Blokker een uitzondering.
Ik denk niet dat Blokker meer heeft gedaan voor dat stukje dan de drie boeken lezen die er onder worden genoemd. Het is niet aannemelijk dat hij nog eens een oude Fassbinder heeft bekeken om zijn stelling te verifiëren. Hij herinnert zich de films uit de jaren zeventig (en het door de VPRO uitgezonden Berlin Alexanderplatz iets beter dan de rest) en neemt aan dat ze zijn verouderd. Volgens mij is dat een luie redenering die door het herzien van de films weersproken zou kunnen worden. Twee jaar geleden werd Martha, een onbekende Fassbinder uit 1973, herontdekt en gerestaureerd. Van een film als Martha maakte Fassbinder er in die vroege jaren zeventig dertien in een dozijn. Bij de presentatie van de herboren Martha in Venetië was de internationale kritiek unaniem van mening dat het hier ging om een krachtig, indrukwekkend en vooral tijdloos meesterwerk. Zijn dan alle Fassbinders verouderd behalve Berlin Alexanderplatz en Martha? Ik weet wel beter. Het Blokker-stukje kan in de prullenbak.
Ook op de stapel de tekst van een lezing van een meneer uit Utrecht die zich Bertram noemt. Bertram was boos op mij en heeft me tijdens het Filmfestival te Rotterdam voor rotte vis uitgemaakt. Die rotte vis kreeg hij terug en Bertram beende boos de massa in. Enkele dagen later stuurde hij toch (met vriendelijke groet) zijn lezing. De aanleiding van zijn boosheid was een stukje dat ik over het uitspreken van die lezing in De Groene van 22 januari schreef. Ik maakte me daarin vrolijk over de nonsens die hij beweerde over de film Basquiat van Julian Schnabel. Basquiat was de openingsfilm van Rotterdam en Bertram sprak op een door Rotterdam belegde propagandabijeenkomst. In het hol van de leeuw liet hij zich in halfhartige termen uit over een film waar hij duidelijk geen enkele feeling mee had. Een goed verstaander heeft aan een half woord genoeg en als zodanig schreef ik mijn stukje. Bertram spaarde ik daarin; zijn naam komt er niet in voor en op het bestaan van het stukje heb ik hem zelf moeten wijzen. Bertram nu stuurde zijn tekst zodat ik kon nalezen dat hij helemaal geen 'negatief sturende’ dingen had beweerd. Vervolgens valt er te lezen dat de schilder Schnabel een poseur is en een charlatan die kitsch produceert en zich schuldig maakt aan jatwerk. Bertram verkondigt verder baarlijke onzin als dat de plot van Schnabels film simpel moest zijn omdat hij houdt van het brede dramatische gebaar (!?). De film zou op 'zijn Hollywoods’ zijn gemaakt en gemodelleerd zijn naar de mythe-Van Gogh. Nu is Van Gogh niet steenrijk en wereldberoemd als Basquiat gestorven en in Hollywood krijgt een kunstschilder echt niet de kans om zijn voorliefde voor surfvideoclips in een film uit te leven zoals Schnabel dat in zijn (zelf geschreven, geproduceerde & geregisseerde) film doet.
Het grootste non-argument van Bertram is dat Schnabel de techniek van het filmmaken niet zou beheersen en daarom authenticiteit en fictie niet goed kon scheiden. Naar mijn idee vermengde Schnabel authenticiteit en fictie bewust en virtuoos op zijn palet.
Bertrams lezing kan achter Blokkers stukje aan. De rest van mijn voorjaarsschoonmaak zal ik de lezer besparen.