In Memoriam Tristan Keuris

Tijdloze versierder

De dood van Tristan Keuris is een hartverscheurend verlies. Had de interviewer veertien jaar geleden maar beseft dat hij dat ooit zou moeten zeggen.

IN SEPTEMBER 1995 interviewde ik voor Vrij Nederland Tristan Keuris (1946-1996). Aanleiding was de première van zijn Symfonie in D in Den Haag. Het werk trok mijn aandacht, omdat het een nieuwe fase leek in te luiden van Keuris’ dubbelzinnige vrijage met muziektradities.
Net als Strawinsky, de componist die in zijn vroege werk het sterkst aanwezig is, behoort Keuris tot het muzikantesk gewiekste spelerstype dat de muziekgeschiedenis tot jachtterrein verklaart en de kunst verstaat zijn plunderwerk zo naar zich toe te trekken dat het huisgemaakt lijkt. Het strawinskiaanse in zijn eerste meesterwerk Sinfonia wordt meteen een Keuris-dialect, zoals bij de neoclassicistische Strawinsky Bach een soort accent wordt van Strawinsky. Even ironiserend als zijn betrekkingen met grote roergangers is Keuris’ verhouding tot de tonaliteit. Ruim voordat hij tijdens de grote inhaalslag van zijn laatste levensfase harmonie en melodie bijna volledig rehabiliteert, laat de vrijzinnig atonale Keuris zich soms verleiden door een pesterige drieklankliefde, die hij met knipogende valse schaamte bot viert op de slotakkoorden van zijn Choral Music 1 (1969), zijn Sinfonia (1972-1974), later in zijn koorwerk To Brooklyn Bridge (1988-1989). Dat maakt hem evenmin als zijn medeplunderaar Strawinsky tot een romanticus, al werd hij vaak zo genoemd. Naar het tonale lonken deden er in de Nederlandse muziek van zijn tijd wel meer en daar kwam niet per definitie neoromantiek van. Keuris’ kiemcel-achtige intervalconstructies, ontsproten aan beklijfde Webern-indrukken en het seriële reinigingsproces waaraan zijn leraar Ton de Leeuw de jonge omnivoor had onderworpen, getuigen tot zijn laatste snik van een volstrekt twintigste-eeuwse manier van denken.
Zeer traditioneel is daarentegen Keuris’ nooit verflauwde liefde voor klassiek-romantische genres: strijkkwartet, vioolsonate, pianotrio, klarinetkwintet, concerten voor saxofoon(s), piano, orgel, viool en twee celli. Maar bovenal was hij de man van de briljant georkestreerde, hedonistisch klankrijke orkestwerken. Zijn post-strawinskiaanse Sinfonia, waarvoor hij in 1976 de Matthijs Vermeulen Prijs ontvangt, valt met zijn zinsbegoochelende orkestratie als een muzikanteske edelsteen in de nog half bevroren vijver van de nieuwe muziek. Keuris schrijft voor symfonieorkest, het Koninklijk Concertgebouworkest voorop, alsof de oprukkende ensemblecultuur niet bestaat, en werpt in 1992-93 de laatste resten valse schaamte voor Grote Gebaren van zich af met Laudi (1992-1993), een mahleriaans bezette ‘Symfonie’ voor mezzosopraan, bas, twee koren en groot symfonieorkest. Toch is de Symfonie in D een mijlpaal. Ditmaal schrijft Keuris een echte symfonie met klassieke vormen, een vroege Beethoven-bezetting en een echte toonsoort.
Ik vond in de bewonderde componist een sympathieke en scherpe gesprekspartner, die vanaf zijn privé-Olympus met het zelfbewustzijn van de echte vakman opgewekt raillerend dode en levende vakbroeders de maat nam. Na afloop beloofde ik hem het interview voor publicatie ter inzage te geven. Dat moest per post, omdat hij geen fax had. Het zou kort dag worden, met minder dan een week te gaan en de aanstaande bevalling van mijn vrouw als mogelijk complicerende factor. Ik schreef als een bezetene, holde naar de brievenbus, en wachtte op antwoord.
Op maandag, de dag voor de absolute deadline, hoorde ik tot mijn verbazing niets; redelijkerwijs moest hij mijn post hebben ontvangen. Toen de weeën begonnen en in de nacht van maandag op dinsdag mijn zoon werd geboren, dacht ik aan veel maar niet aan Keuris. De volgende middag, toen ik op bed van de verloren nacht lag bij te komen, ging rond vier uur de telefoon. Daar was hij dan, even aardig en belangstellend als de eerste keer. Van een VN-collega had hij de blijde tijding al vernomen. Hoe was het met het kind? Mooi zo, kinderen, prachtig. Maar zeg, dat interview, dat kon dus echt niet hè? De klachten? Och, te veel om op te noemen. Niet begrijpend belde ik VN om voor de vorm naar de bekende weg te vragen. Met het lood in de schoenen liet ik Keuris weten dat ik niets meer voor hem kon betekenen. Jaja, klonk het, dan zou hij naar bevind van zaken moeten handelen.
Een nummer verder stond zijn ingezonden brief. ‘Aangezien Bas van Putten in zijn artikel veel van zijn eigen uitroepen en aanvullingen aan mijn antwoorden heeft toegevoegd, mij dingen heeft laten beweren die ik nooit gezegd kan hebben, ben ik hoogst verontwaardigd over deze gang van zaken.’ Zelden heb ik me zo geschoffeerd gevoeld. Mijn interview, ik steek er mijn hand voor in het vuur, was een vrijwel woordelijke weergave van ons gesprek. Een handvol minimale compositorische ingrepen zou ik met principiële dienstbaarheid ongedaan hebben gemaakt als hij bijtijds had gereageerd of had kunnen reageren, want misschien was die verdomde brief wel inderdaad te laat gekomen. Bewijzen kon ik niets, omdat ik geen bandrecorder had gebruikt.
De première van de Symfonie heb ik overgeslagen. Wel schreef ik een woeste tegenbrief, die ik nooit heb verstuurd. Een rest van sympathie weerhield me. ‘Je was ook zo snel weg opeens’, had hij bijna teleurgesteld aan de telefoon gezegd. Hoe kwam hij erbij? Moest het hoge woord nog komen? Ik had een halve middag met hem doorgebracht. Ik moest iets over het hoofd hebben gezien. Kort daarop hoorde ik dat Keuris ziek was. Anderhalf jaar later, in december 1996, las ik dat hij was overleden. Ik kreeg het obligate eerbetoon niet uit de pen.

VORIGE WEEK bezag ik het verhaal na veertien jaar opnieuw, sadder and wiser. Mij ging een licht op. Ik zie mijzelf met een soort puberaal instinct in troebel water vissen, speurend naar verborgen ongenoegens over muziekleven en tijdgeest. Ik zie een prikkelbare meester, getergd door de humbug en brutale minvermogendheid van een grote boze wereld die hem als romanticus verkettert maar geen notie heeft van wat zijn componeren inhoudt, in de schijnintimiteit van het gesprek mijn provocaties inkoppen. Ik zie hem door het voorzetgehalte van het interviewregime gaandeweg veranderen in een man die te hoog van de toren lijkt te blazen.
Rust aan mijn kop, moet hij hebben gedacht – niet gek als je beseft wat hij dat jaar aan nieuwe stukken produceerde. Daarom diskwalificeerde hij me – omdat het de gemakkelijkste weg was. De dertigjarige in mij denkt: had je maar godverdomme beter op je tellen moeten passen. De 44-jarige weet het zo net niet meer.
Nu die symfonie. Een paar jaar geleden beluisterde ik hem opnieuw. En schrok. Ik hoorde niet het neoclassicistische experiment dat ik er als dertigjarige in dacht te zien, toen ik me van de nog ongehoorde partituur een beeld trachtte te vormen. Het is een doemstuk. Schrijnend, met het ritmische élan dat vintage Keuris is, alleen verstoken van de uiterlijke glans die van zijn eerdere orkestmuziek het raison d’être is: een kale, beethoveniaanse kracht. Zijn dynamiek is vaal, bijna gemelijk volhardend in de werkmanspose, grauw als een levenslustig mens na de ontmoeting met zijn demon. Hier wordt iets uitgesproken wat Keuris met zijn quasi-nonchalante Prokofjev-finale niet meer ongedaan krijgt. Niet per se doodsbesef of bange voorgevoelens – ik weet niet eens of hij in 1995 al ziek was, laat staan of hij genegen en in staat was zich als musicus daarover uit te spreken – wel iets diep-menselijks dat je bij de late Keuris wel steeds vaker hoort maar nergens in die mate. Sindsdien knaagt het. Had hij gehoopt dat ik zijn diepere intenties zou doorgronden, dat ik in staat was door de technische façade heen te kijken? Had hij me daarom gezegd dat ik te snel was opgestapt? Verdomd, hij was een grootmeester.
Het bewijs ligt voor me: elf cd’s en een dvd met het complete werk van Keuris. Alle vijftig officiële, bij Donemus en het Londense Novello uitgegeven werken zijn present. Een initiatief van de publieke omroep, voortreffelijk geproduceerd door Radio Nederland Wereldomroep. Het gros van de uitvoeringen en opnamen is van de hoogste kwaliteit. Een cultuur die zulke projecten voortbrengt is de naam waard. Dit is een van de belangrijkste cd-uitgaven van 2009.Aan zo’n postuum eerbewijs was Keuris toe. Hij mag een van de begaafdste Nederlandse componisten van de afgelopen veertig jaar zijn geweest, zijn werk was een eiland dat in 1996 onbewoond achterbleef. Keuris’ nalatenschap wordt niet bewaakt door grote pleitbezorgers die voor zijn oeuvre wereldwijd door roeien en ruiten gaan. Het is overgeleverd aan de markt waarop de Nederlandse componist voor spek en bonen meespeelt. Keuris is geen historische sleutelfiguur, geen scholenbouwer zoals Louis Andriessen, heeft geen mahleriaans universum opgetuigd, geen grensverleggende concepten uitgevent. Hij schreef gewoon excellente muziek, helaas voor hem zoals zovelen die, zoals zovelen, niet op hun individuele kwaliteiten worden getaxeerd omdat aan schoonheid weinig eer valt te behalen; interessant moet het zijn.
In de orkestsector, zijn natuurlijke habitat, spelen naast die handicap de mores van de branche hem parten. Beroemde solisten rijgen voor hun cv liever beroemde piano- en vioolconcerten aan het spit, gedirigeerd door ambitieuze dirigenten die na de pauze hongerig hun begeleidersstigma van zich afschudden met Beethoven of Brahms. Waarom het kostbare en niet eens avondvullende Laudi programmeren, als je voor hetzelfde geld een Beroemd Meesterwerk in huis hebt? Orkestwerken als Sinfonia, Antologia, de sublieme drie Preludes voor orkest en de zes andere orkestpreludes van Arcade vallen door hun onhandige beknoptheid licht in het vacuüm tussen servet en tafellaken. Daarmee is niet gezegd dat Keuris beter af was wanneer hij zich in bruckneriaanse lengten had begeven. In Nederland wordt snel vergeten. Een Nederlandse componist bestaat zolang hij leeft.
Keuris was een tijdloze, meeslepende versierder. Waarschijnlijk daarom was hij een echte orkestcomponist. Instrumentatie is componeren, zei hij zelf. Motivische substantie, harmoniek en ritme zijn bij Keuris functie van het coloriet. Het typische Keuris-motief is een expressionistisch onbesuisd compact gegeven dat als een hanig computervirus het orkestlichaam met Gilles de la Tourette infecteert om het op stoom te houden, tot het in Sinfonia en het veel stemmiger Antologia onder de hoogspanning bezwijkt als een overbelaste marathonloper voor de finishlijn. Zelfs in zijn vroegste atonale of seriële probeersels staat de Draufgänger achter zijn traliewerk van plichtsgetrouwe dissonanten al te trappelen om zich als travestie-Strawinsky te onthullen.
Tegelijkertijd hoor je hoe het atonale, zoekend springerige flieberwerk van die eerste worpen, dat bij gebrek aan harmonie de ballen in de lucht moet houden, tegemoetkomt aan zijn speelse inborst en kwieke reflexen; dat hij van de nood een deugd maakt die hem bijblijft, ook wanneer de eerste geil getoonzette Ravel-akkoorden hem te machtig worden. Titels als Play, Movements, Capriccio en Divertimento laten zien waar hij zijn grenzen trekt: bij het spelenderwijze. Zijn taal is lijfelijk, bewegingsleer, een dolhuis van hollen en stilstaan. Vanaf Sinfonia, met Strawinsky in elke maat, is de beheersende gedachte: godallemachtig, wat een kunnen. Maar de perspectiefwerking ontstaat vanuit het platte vlak, hij is suggestie. Zijn orkestpanorama’s bewegen zich als televisiebeelden en schilderijen in gefixeerde kaders. Ze zijn gevangen in de engte van de lijst, al lijken ze er uit te willen barsten. Dat verklaart wat al die opwinding soms iets benauwends geeft: het zoekt geen eeuwigheid. Wat moet je ook, als je geen thema’s hebt? De boel in beweging houden. De verfdoos leegkwasten. Dit is ornamentale muziek van een grafische wellust, eeuwig diverterend, smaakvol want ironisch epaterend en contrastrijk, een rusteloze stroom van lichtgevende piekmomenten, jubeltrillers en tettersaxen, met een kroon van iriserend hout en koper op de koel besneeuwde toppen, een schitterend banket van goddeloos ontzield genot. Het is muziek zonder psychologie en zonder Werdegang: history is what’s happening.

IK ZEG HET met enig voorbehoud. Wie vijftig Keurissen achter elkaar beluistert verliest zijn onbevangenheid. Na het zoveelste toffe opdrachtsaxofoonstuk ben je klaar met het roeptoeterende geschetter van het genre. Te midden van de meesterwerken springen de zwakke broeders in het oor. Het is even onvermijdelijk als unfair. Geen taal zonder stijlbloemen. Zolang de stokpaarden hun vaart maar niet verliezen.
En dan komt, in de laatste twintig jaar van zijn leven, de speler tot bezinning. De feilloze techniek raakt onderhevig aan een hoger doel. Een ernst die in het Pianoconcert voornamelijk nerveuze onrust is en in de stuur- en wezenloos hummende lento’s van de jongehonderige Keuris vaak meer contrastvloeistof dan hartekreet blijkt te zijn, een autistische imitatie van gezonde lyriek, krijgt vanaf de late jaren tachtig soortelijk gewicht. Het drama, in de beide strijkkwartetten innerlijk onbewogen nurkse stoerheid, verliest zijn ijzervreterige kilte en wordt kwetsbaar. In het koninklijk georkestreerde laatste saxofoonstuk, de Drie sonnetten voor saxofoon en orkest (1989), glijdt een esoterisch lyrische beleving van de dingen als een sluier over voormalig speeldomein. Met behoud van brille ruimen de virtuoze spasticismen en de Strawinsky-pandoer in een proces van versobering het veld, de aan de speeltafel begrensde klankruimte verwijdt zich en een menselijke kern wordt zichtbaar. Van de componist die zijn publiek graag voor de gek hield maakt zich een herfstig zelfbewustzijn meester dat op weg naar verder voor het eerst naar woorden zoekt: in 1988-1989 levert Keuris, die tot dan alleen instrumentale werken componeerde, met To Brooklyn Bridge voor 24 stemmen en ensemble zijn eerste vocale compositie af. Fred van Dijk maakt er in New York de film bij die in de Keuris-box is opgenomen en met zijn stemmige beelden van Brooklyn Bridge en Manhattan exact de goede toon treft. Dit zou de wereld volgens Keuris kunnen zijn: een object van verwondering, gezien en gevoeld door een buitenstaander die afstand neemt om haar in perspectief te kunnen waarnemen en voor het eerst veel meer ziet dan het louter picturale.
Dit kijken wordt de grondtoon van de vocale werken waarin Keuris alle koude drukte aflegt, en poëzie de brug slaat tussen de kijker en zijn uitzicht: de Michelangelo-liederen voor mezzo-sopraan en orkest en Laudi. Het is muziek met een horizon, en van een weidsheid die er bij de vleselijke Keuris van de jaren zeventig nog niet was. De zangers staren melancholisch in de verte naar de dingen die voorbijgaan. De harmoniek fixeert de intensiteit van dit kijken en de sensatie van verlies in diepe, brede, wagneriaans gestemde samenklanken met een air van loodzware concentratie die terugvloeit naar het instrumentale, waar de arbitrair gesticulerende Messiaen-harmoniek wordt geofferd aan de zoektocht naar het ene, alleszeggende akkoord, dat in de eerste van de drie Preludes als een panische aap uit de mouw komt.
Voor het eerst wordt melodie een thema, een bindende factor. Zelfs het tweemaal drietonige, diep melancholische leidmotief van het dubbelconcert voor twee celli en orkest, waarin de beide cellisten versmelten tot complex getourmenteerde eenzang, is melodisch gedacht en melodisch constructiemiddel, een even vormbepalend element als het beethoveniaans gedreven ritmische gegeven dat de trein op gang brengt. In het Orgelconcert en het Chamber Concerto voor accordeon en ensemble regeert een verstrooid zwevend melodietype dat, een beetje zoals het eerste thema van Bartóks Derde pianoconcert, werkende weg cantabel wordt, wanneer de losse motiefpartikels zich aaneenrijgen tot melodie, quasi-onaangedaan maar intensief op zoek naar de geheimen van het zingen. Weg is het kille Aspergergemak: de schitterende hobosolo in het Concert voor twee celli en orkest zingt van mens tot mens bevrijd bewogen, zoals de houtblazersparen van Laudi en de chromatisch dalende klaagzang van de tweede Prelude namens alle stervelingen wenen. De speelmuziekjes blijven, maar ze staan in een kader, dat we misschien gewoon maar lotsverbondenheid moeten noemen; het decoratieve is voorgoed van de baan.
Tristan Keuris’ dood is een hartverscheurend verlies. Had ik veertien jaar geleden maar beseft dat ik dat ooit zou moeten zeggen.

Bestel nu Tristan Keuris, de complete werken (11 cd box) voor € 49,99 via www.groenemuziekwinkel.nl