Tijdsbelasting

Sinds het kabinet bij monde van de koning de ‘participatie­samenleving’ muntte, kleeft dit begrip als een sticker aan de blauw-rode coalitie. Een glimp van hoe zo’n samenleving eruitziet, wordt getoond in het voorstel voor een nieuwe Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) dat momenteel bij de Raad van State ligt.

Medium commentaar 41 2013 tijdbelasting

Staatssecretaris Van Rijn lijkt deze Wmo te hebben geschreven met een Hollands spreekwoorden- en gezegdenboekje erbij, open­geslagen bij het lemma ‘voor wat hoort wat’. Wie ondersteuning nodig heeft, kan in de toekomst dringend worden verzocht om ook zelf een steentje bij te dragen. Zo moet de bejaarde die thuiszorg ontvangt, gaan voorlezen op de basisschool. En die gepensioneerde boekhouder in een rolstoel kan prima aan de slag bij de gemeentelijke schuldhulpverlening. Zoals het wetsontwerp jubelt: ‘Het mes snijdt aan twee kanten.’ Vrijwilligerswerk is ook goed voor de mensen zelf. Want wie vrijwilligerswerk verricht, doet mee aan de samenleving en is dus minder eenzaam.

De plannen passen bij de wens van Rutte II dat burgers hun lot zelf in handen nemen, maar in het geval van de nieuwe Wmosteunt dit ideaal op kromme redeneringen. Ten eerste wordt de suggestie gewekt dat ondersteuning een geschenk is van een genadige weldoener. En dus mag je in ruil voor die gunst best een beroep op iemand doen. Maar in werkelijkheid is het andersom. Hulp wordt betaald uit collectieve middelen, plus een eigen bijdrage. Maatschappelijke ondersteuning verlenen is iets terugdoen voor burgers die belasting betalen.

Wie ondersteuning nodig heeft, kan in de toekomst dringend worden verzocht om ook zelf een steentje bij te dragen

Daarbij is het verkopen van vrijwilligerswerk als oplossing voor iemands eenzaamheid een klassiek voorbeeld van paternalisme. In het buurthuis willen werken om onder de mensen te kunnen zijn, dat past nu zo mooi onder het kopje ‘dat kunnen mensen zelf regelen’. Daar is het duwtje in de rug door de zorgambtenaar echt niet voor nodig. En wie serieus meent dat burgers het meer zelf moeten rooien, tuigt niet per gemeente een ambtelijke infrastructuur op om te zorgen dat zoiets gebeurt, zoals het Wmo-voorstel beoogt.

Het retorisch kunst- en vliegwerk van de Wmo-nota leidt bovendien af van de subtiele verschuiving in hoe burgers en staat zich tot elkaar verhouden, een verschuiving waar dit wetsvoorstel aan bijdraagt. In toenemende mate is niet alleen inkomen, maar ook tijd iets waar de overheid een deel van opeist om haar taken uit te voeren. Wie in de bijstand komt, kan worden gevraagd om het plantsoen te schoffelen. We noemen het werk met behoud van uitkering, maar in feite is het een manier om aan goedkope arbeid te komen.

Sinds het afschaffen van de dienstplicht is de tijd van volwassen burgers volledig geprivatiseerd. Een goed burger betaalde belasting en besteedde vrije uren naar eigen inzicht Maar nu het economisch tegen zit, is tijd herontdekt als alternatieve belasting. Ook een tweede pijler van de nieuwe Wmo laat dat zien. Wie hulp nodig heeft moet langs de zorgambtenaar, die beoordeelt hoeveel tijd jouw sociale netwerk kan missen. Op deze manier is de ‘participatiesamenleving’ een verkapte lastenverzwaring. Want er moet nog steeds voor publieke diensten worden betaald, zo niet met euro’s dan met uren. Immers: tijd is geld.