Tijdschriften (2)

Den Haag heeft een nieuw tijdschrift, Extaze. Het is geen lokaal blad waarin een nieuwe garde zich presenteert en zijn plek opeist, maar een vakkundig, literair-historisch en gedegen blad dat gericht is op de geest van een stad. Is dit de toekomst van het literaire tijdschrift?

Aan de rand van het park Frankendael is een veld voor schooltuintjes. Ieder schoolkind heeft een perkje van één bij drie meter voor het verbouwen van kropsla en radijsjes. Ik kan me herinneren hoe ik achter in park Clingendael een dergelijk tuintje had en we een maand lang snijbieten moesten eten, omdat ik dat grif gezaaid en geoogst had. Het verschil met park Frankendael is dat nu ieder kind zijn eigen naam op een plankje geschreven heeft dat is getimmerd tegen een houten paaltje dat voor aan zijn of haar tuintje staat. De schooltuintjes lijken zo op een kerkhof voor complete schoolklassen.

‘Hagenaars gaan weg’, schrijft Wim Noordhoek in Extaze. Extaze is een nieuw en strak vormgegeven tijdschrift, verzorgd en bijna vooroorlogs in zijn opmaak. Alleen het jaren-tachtiglogo van uitgeverij In de Knipscheer en de streepjescode detoneren op het bordeauxrode omslag. Noordhoek schrijft over Marcel van Eeden, van wie stemmige en filmische zwart-wittekeningen in hetzelfde nummer staan. ‘Een soort vitrage van wolken hangt hier over de stad’, zegt de kunstenaar volgens Noordhoek. ‘Schaduwen zijn lang en sterk, maar niet hard. Je krijgt een droomachtige sfeer door die sluier.’

Een nieuw literair tijdschrift, waarvan het nulnummer verschijnt pal voordat het advies van de Raad voor Cultuur wordt uitgebracht dat op tijdschriften zegt te willen bezuinigen. Het heeft iets nadrukkelijk a-modieus. In Extaze wordt her en der tegen de heersende tijdgeest geageerd. In veel van de korte verhalen en ook in de heldere analyse over de erfenis van de Haagse roman van filosoof en journalist Jan-Hendrik Bakker. Hij schrijft: ‘In de Haagse roman gingen welgestelde families langzaam ten onder, kwijnden jonge dames weg en hield men er kleverige zondes op na.’ Bakker heeft het vanzelfsprekend over Couperus’ Eline Vere, maar niet over die roman alleen. Een tijdlang na het verschijnen ervan was het etiket ‘Haagse roman’ een selling point. De Haagse roman gaat volgens Bakker over ‘het langzaam uit de tijd raken van de leisure class’. Op een gegeven moment is dat fenomeen wel voorbij, zou je zeggen. Maar Haagse krokodillen die in de dure wijken in goede huizen nestelen zijn taai. Het genre heet na de oorlog uitgestorven te zijn, al was voor antropologe Ethel Portnoy die met haar echtgenoot Rudy Kousbroek in Den Haag verzeilde de introverte deftigheid nog steeds een verademing. Op een bescheiden maar desalniettemin overtuigende wijze verbindt Bakker de vooroorlogse traditie van de Haagse roman met de boeken van Jan Siebelink, noemt terzijde de zuipend ten onder gaande welgestelde dames uit de boeken van Helga Ruebsamen en ook de melancholische reisverhalen van F. Springer.

Het is wat je van een Haags tijdschrift verwacht en als je het leest is het eigenlijk raar dat dit blad er niet al lang was. Hoogdravend is Extaze niet, maar dat is Den Haag ook niet. Er staan aardige bijdragen in, een aanstekelijk verhaal van de heringewijkelde Kees ’t Hart over het rondhangen en een aangrijpende monoloog van Nicolette Smabers, in de mond gelegd van een dame die verdwaasd bij een strandtent aankomt als haar tweelingbroer is gestorven. Er zijn gedegen essays die in de lijn der verwachting van een degelijk Haags tijdschrift liggen, over de schilder-dichter Willem Hussem en smakelijke herinneringen aan de schrijver Willem Bijsterbosch.

Extaze beantwoordt daarmee niet aan het stereotiepe beeld van o o die mooie stad achter de duinen. Het is geen lofzang en het is evenmin een aanklacht zoals popdichter Herman Brand die ooit leverde met ‘den haag den haag wat ben je traag den haag mijn maag’. Er zijn geen typetjes in het nummer te vinden als Jacobse en Van Es of Haagse Harry en hun vele nazaten. En toch is het Haags, misschien juist des te meer. Als ik aan Den Haag denk, dan denk ik aan Cor Gout, de lange en wat excentrieke filosoof die een wetenschappelijke carrière afbrak om de punkband Trespassers W op te richten. Iemand die er altijd wat sjofel uitzag, in een lange jas liep met verwilderde haren en van wie ik pas in Amsterdam van een uitgever begreep dat hij van goede komaf is. Iemand die door Atilla the Stockbroker de dichter genoemd werd, hoewel hij bij mijn weten nooit een dichtbundel heeft uitgegeven. Iemand die met zijn band in het nummer Bodega Slavia een regel die alleen maar bestond uit het woord ‘elektriciteitsdraden’ zingbaar wist te maken, een regel die geregeld in mijn hoofd zit, samen met de melodie van het nummer.

Het is nu raar om te bedenken dat het eerdere tijdschrift dat hij oprichtte, precies zoals zijn band Trespassers W geheten, een oplage van tienduizenden exemplaren had, dat je het in een kiosk zag liggen tussen de kranten. De marge, ooit de schemercultuur genoemd, is wijdvertakt en uitgebreid. Zijn band Trespassers toerde door Oost-Europa en West-Amerika en had daarmee opgeteld een publiek waar menige landelijke topact van kan dromen, ook al gebeurde de uitgave principieel in eigen beheer en werden ze verspreid door een bedrijf genaamd Dicks koeienverhuur. Het is dezelfde Cor Gout die nu de drijvende kracht is achter Extaze.

Voor mij persoonlijk is dat in zekere zin ongemakkelijk en ook wel confronterend. Ik heb Cor Gout nooit direct met literatuur geassocieerd. Hij is van invloed, maar eerder in de pop- en jongerencultuur, waar hij op een gegeven moment als ‘The Reverend’ werd aangeduid. Invloed of macht interesseerde hem niet, denk ik, daar was hij veel te eigengereid voor. Op platen als Roots and Locations en 5, 4, 3, 2, 1, 0… staan juweeltjes, zoals ‘The Park’, ‘The Boy’ en ‘The Garden’. In het swingende Department Store signaleerde hij hoe kledingwinkels grip op de mode van de jeugd kwijtraakte: ‘If U2’s on top there’s lots of Bonos/ If Japan’s a trend you see kimono’s/ Bonos plenty kimono galore / there’s always more more more more / Now what’s going wrong at the department store / the point is that there is no core / there’s always more, always more’. Op dezelfde plaat, uit 1993, stelde hij Leni Riefenstahl als rolmodel voor de moderne kunstenaar. Gout is een kritische zanger, een denker. Navolging had hij niet of nauwelijks, de invloed van The Legendary Pink Dots op zijn melodieuze versie van punk was inmiddels gedateerd en out of fashion. Het weerhield hem er niet van om mooie muziek te maken. Hij werd altijd omringd door zeer goede muzikanten.

Cor Gout is Den Haag, zoveel kun je wel stellen. Behalve zijn songteksten zijn vooral zijn literair-journalistieke essays goed, zoals die over de Indorock en de mondaine geschiedenis van Scheveningen en de Haagse popcultuur. Een opvallende bijdrage in Extaze gaat over Captain H. Beefheart, een essay waarvan niet helemaal duidelijk is waarom de helft tussen aanhalingstekens staat, maar dat meeslepend is geschreven. Het is van Rob H. Bekker, die als dichter een jaar of negen uit zicht is verdwenen.

Wat poëzie betreft is het nummer nogal uiteenlopend. Er is de Belgische performer Didi de Paris, met een hilarisch rijmelende en zingende ode aan een ziekenhuisverpleegster. En er zijn twee ingehouden gedichten van Gilles Boef: ‘Het was vuur dat je overal rook en water// Water dat niet meer bewoog// Ik proefde as die meekwam met de wind’. De middelste regel uit het citaat staat ook voorop op het omslag van het tijdschrift. Boef is een bijzondere dichter die inmiddels een lange adem heeft en al lang een vaste uitgever en breder publiek verdient. Hij debuteerde bij Perdu in 1998 onder de naam Jill Boef – er wordt over gespeculeerd dat hij toen nog een zij was – met de klassieke bundel Gedichten. Daarna verscheen een tweede bundel bij Meulenhoff, In het groene licht. Helaas was dat geen bestendiging, maar dat lag niet aan de dichter. Meulenhoff bracht heel veel nieuwe dichters vlak voordat de boel daar in elkaar stortte, wat even aardig leek maar op de langere termijn die dichters alleen maar met een kluitje in het riet stuurde. Boef heeft een sober en mooi precies beeldgebruik en is na zijn classicistische debuut minimalistisch, zonder dat zijn gedichten daar stroef door raken.

Hagenaars gaan weg, dat is waar. Hoewel ik er dertig jaar heb gewoond – waarvan tussenpozen in het buitenland – weet ik pas sinds ik er helemaal weg ben mijn werk aan Den Haag te koppelen. Of anders gezegd, Den Haag een plek te geven in dat werk. In Den Haag voelde je je als het goed is als jongere ook helemaal niet Haags. Uiteindelijk ontbeerde de ingekeerde schemercultuur er – Jan Siebelink gebruikte het woord indolent – vooral ambitie en belangrijker: hoop ooit onafhankelijk te worden als schrijver. Wat Den Haag daarboven miste, was een blad dat stelde: dit is goed en dit is niet goed. Iedereen die de amicale en komische schrijver Adriaan Bontebal kende, kon ergens voordragen. Extaze lijkt vooralsnog een antwoord op dat laatste gemis. Het biedt een mengeling van literair-historische gedegenheid en niet meer al te extravagante avant-garde. Of het stand houdt weet ik niet, dat hangt van het doorzettingsvermogen van Cor Gout af in weerwil van de afgunst van diverse Haagse ‘litéraire’ kringen – zoals Herman Brand ooit spottend dichte ‘de tri- en tripscenes die niet deugen’ – waar de middelmaat hoogtij viert. Of lokalisme het antwoord is op het huidige distributieprobleem van het literaire tijdschrift (wel of niet internet, is er nog wel plek voor in de boekhandel) weet ik niet, ik hoop het althans niet.

Ooit – moet ik dit wel toevoegen? Ja, waarom ook niet – stonden Cor Gout en ik mensen op te vangen die misselijk, ziek, half flauwvallend uit een zaaltje kwamen gestrompeld. Binnen werd een snuff movie vertoond, waarin iemand voor iemand anders lust werkelijk werd omgebracht. Cor wilde de film niet zien, en ik ook niet. Het was het slot van ‘Pasolini, een programma’. Eerder op de avond had Mustafa Stitou zijn eerste publieksoptreden verzorgd en Eric de Kuyper zijn verwantschap met Pasolini onderzocht. Film, literatuur, muziek en kunst liepen door elkaar. Mijn Indo-vriendjes wilden die snuff movie vertonen en aan iets als erover stemmen deden we niet, al kun je narekenen wie op de vertoning werd aangesproken in kraakcafé Het Brullend Breekijzer. Het is de avond dat ik Maldoror verliet en in gedachten ook al Den Haag verliet. Cor Gout is er gebleven.

Den Haag is een mysterie. Ik citeer opnieuw Siebelink, maar ditmaal onbedoeld. Leest u maar dat tijdschrift Extaze, dat zal het mysterie niet prijsgeven maar wel net genoeg sluiers oplichten in de nevel van die lange, fameuze schaduwen om u te betoveren. En nee, dat heeft helemaal niets met chauvinisme te maken, integendeel. Zie deze regels van Wim Noordhoek: ‘Er huist een heel kwade, zieke windgeest in de stad, vermoedelijk van het vrouwelijk geslacht, die alles aantast, zand tussen je tanden blaast en kou op je ogen. Sinds Den Haag ben ik kouwelijk. Zie de oogkassen van de portieken, hun schaduwen. De dood die huist in de matglazen stenen tussen het metselwerk.’ Het is zoals Noordhoek het eerder in zijn bijdrage noemt: ‘een lichte, Haagse extase’.

Extaze, 2011 – nr. 0. In de Knipscheer, 112 blz., € 15,-