Tijdsoorten

In haar essaybundel Changing my Mind (2009) beschrijft Zadie Smith hoe ze in de beginfase van een nieuw boek lijdt aan ‘obsessieve verstoring van het perspectief’. Ze zwaait eindeloos heen en weer tussen hij-vorm, ik-vorm, verleden tijd, tegenwoordige tijd, enzovoort.

Meestal herken ik de werkwijzen van andere schrijvers totaal niet maar dit klinkt akelig vertrouwd. Tergend zijn de uren waarin je ikken in hij’s zit te Ctrl-F-vervangen, en eindeloos loopt te klooien met de werkwoordsvormen. Transponeren noem ik het zelf altijd, mogelijk om het banale handwerk nog een zekere glans te verlenen, maar ook omdat het proces inderdaad lijkt op het omzetten van een muziekstuk in een andere toonsoort.
Wat kruizen en mollen zijn aan het begin van een notenbalk, dat is de combinatie van tijd en perspectief in proza-alinea’s. Mijn obsessie hiermee voert zelfs zo ver dat ik er niet mee op kan houden bij het lezen van andermans werk. Zo ben ik Ik heb altijd gelijk van W.F. Hermans aan het herlezen, dat doodgewoon getoonzet is in ‘hij/o.v.t.’ (zeg maar de G-majeur van het proza) maar dat in tegenwoordige tijd (in ‘hij/o.t.t.’) veel krachtiger klinkt.
Oordeel zelf of ik gelijk heb: ‘Voetbal-Europa was maandagochtend uitgekomen. Toen zij wakker werden had het voor de drempel van hun kamertje gelegen. Riemers had het onder de deur doorgeschoven. Nog in bed waren zij begonnen het te bekijken. Op de voorpagina stond een verslag van de voornaamste wedstrijd die er de afgelopen zondag was gespeeld.’
Geen onaardige passage. Maar wat te denken van dit: ‘Voetbal-Europa komt maandagochtend uit. Als zij wakker worden ligt het voor de drempel van hun kamertje. Riemers heeft het onder de deur doorgeschoven. Nog in bed bekijken ze het. Op de voorpagina staat een verslag van de voornaamste wedstrijd die er afgelopen zondag is gespeeld.’ Ik zou zeggen dat het hier (ook omdat ik me wat stilistische verbeteringen heb gepermitteerd) in ‘E-majeur’ klinkt, frisser, actiever.
Je kunt natuurlijk ook voor ‘b-klein’ kiezen, de dramatische toonsoort, toekomende tijd: ‘Voetbal-Europa zal maandagochtend uitkomen. Als zij wakker worden zal het voor de drempel van hun kamertje liggen. Riemers zal het onder de deur doorschuiven. Nog in bed zullen zij het bekijken.’
Er is iets onbegrijpelijks aan tijden. Zoals een muziekstuk totaal van karakter kan veranderen door het alleen maar een paar hertz hoger te tillen, zo hoef je maar aan wat werkwoordsuitgangen te pielen en ineens hangt er een andere lucht boven je romanpersonages, is het hele klimaat gekanteld.
Van jongs af aan ben ik jaloers geweest op het Frans, met zijn absurde assortiment aan tijdssmaken (dichtbije toekomst, verre verleden, you name it en de Fransen hebben het), maar het echte besef dat werkwoordstijden ook stijlmiddelen zijn, kwam tijdens een les Latijn, waarin mevrouw B. ons de praesens historicum uitlegde.
Het is dinsdagmiddag in lokaal 13, met z'n rafelige gordijnen, en een vergeelde poster met Marcus Aurelius plus paard aan de muur, naast een papieren uitrolkaart van het Romeinse Rijk. Mevrouw B. stapt heen en weer langs het krijtbord, zoals altijd wanneer ze een tekst opdreunt of scandeert. Ze begint: ‘Ik lág in het grás en ik sliep…’ Dan staat ze stil, heft haar handen omhoog en roept: ‘En dán… kómt er een engeltje dat roept…’
Machtig vond ik dat. Met één minieme tijdsmodulatie kon je blijkbaar een bliksemschicht door je woorduniversum werpen, er iets uitlichten en het laten fonkelen. Zoiets als Vermeers parelmeisje, dat tot leven is gewekt met één penseeltje wit: twee stipjes in de ogen en één streek in de oorbel.
Alleen jammer dat zo'n modulatie in het Nederlands eigenlijk niet kan. Mijn enthousiaste poging om in een opstel Nederlands een subtiel praesens historicum in stelling te brengen, werd bekroond met een rood kruis. Inconsistent! Let op je werkwoordstijden! Dat was nu juist precies wat ik gedaan had.
Wat zou het mooi zijn als ook onze taal zoiets als een irrealis zou hebben, zonder daarvoor al die klungelige gedoogsteunconstructies met hulpwerkwoorden te hoeven laten aanrukken. O, konden we maar een pure conjunctivus hebben, anders dan in de gefossiliseerde vorm van bijbel of kookboeken (‘men neme drie pond kikkererwten’).
Het Latijn kwam me destijds voor als een marmeren paleis, ook door die regelmatige afwisseling van klinkers en medeklinkers, bogen en zuilen, lucht en steen. Hakkend, persend, grissend, syllabe voor syllabe moest je die gebeeldhouwde taal uitgraven en terugveroveren op de levenden. Onder die mysterieuze metriek kwamen stukje bij beetje menselijke sporen te voorschijn, losgetrokken met hulp van woordenlijstjes.
Zadie Smith schrijft dat ze na al dat uitproberen uiteindelijk steevast bij de conventionele keuze ‘derde persoon verleden tijd’ uitkomt. Uiteraard dondert dat niet en is dat transponeerproces wel degelijk nodig geweest. Zonder dat iemand het ooit zal weten, is de taal namelijk op reis geweest, en daarom kan die nooit meer dezelfde zijn als in het begin.