Tijdverspilling

Een wereld die wordt geregeerd door sociale media, en wordt bevolkt door verslaafden daaraan, vraagt om een nieuwe rubriek. Bij deze. De aftrap: durven we nog te lummelen?

Een week of twee terug verscheen in The Guardian een lang verhaal over tieners die sociale media de rug toekeren. In tegenspraak met het bekende beeld van de hopeloos aan Snapchat en Instastories verslaafde puber zei volgens ten minste één peiling ruim zestig procent van hen ‘[they] would be happy if social media had never been invented’. Een deel van hen voegde de daad bij het woord en verwijderde een of meerdere accounts in de hoop spaarzame tijd op een ‘waardevollere’ manier te besteden. Wat ontvluchten ze? Waar vluchten ze naartoe? Willen ze hun tijd liever niet verdoen? Of willen ze hun tijd wellicht beter verdoen?

Je kunt grofweg twee diametraal tegenovergestelde opvattingen van tijdverspilling onderscheiden: er is het ideaal en er is de gruwel. Niks doen in een ligstoel onder een parasol, bij voorkeur in Frankrijk. E-mails schrijven waarvan je weet dat ze in het beste geval half worden gelezen voordat ze met een welgemikte swipe in de prullenbak verdwijnen. Je kunt een pretentieloze film kijken omdat op geen enkele manier nadenken even aantrekkelijker is dan dat op wat voor wijze dan ook wél doen. Of je kunt zonder dat je nog weet waarom je je telefoon ook al weer oppakte plotseling beseffen dat je al een half uur een dom spelletje aan het spelen bent, louter en alleen omdat iemand anders goed heeft nagedacht over de prikkels die moesten worden ingebakken om je daartoe te verleiden.

Aan het begin van de zomer stuitte ik binnen een paar dagen eerst op The Art of the Wasted Day van Patricia Hampl (1946), een katholiek angehauchte auteur van enkele memoirs, en vervolgens op In Praise of Wasting Time van Alan Lightman (1948), MIT-fysicus, romanschrijver en speculatief essayist (‘What came before the big bang?’). En als twee dingen een beetje op elkaar lijken heb je in de journalistiek al gauw een trend te pakken, dus ik bestelde beide boeken direct.

We verdoen onze tijd en noemen het ontspanning en we verdoen onze tijd en gaan gebukt onder schuldgevoelens

Twee babyboomers met ieder een eigenzinnige lofzang op het lummelen. De een onderneemt een voor haar doen nogal seculiere pelgrimage naar het torentje waar Montaigne aan zijn Essais schaafde, de ander masseert een TED-talk uit tot een pleidooi voor tijdverspilling in tijden van wat je ‘technologische acceleratie’ zou kunnen noemen. Maar onder die twee totaal verschillende verhalen lijkt een min of meer gelijke vrees te schuilen, een vrees in de vorm van de vraag wat er overblijft van onze menselijkheid wanneer onze inner voice permanent wordt overstemd. Wat gebeurt er op het moment dat we het geluid dat in onszelf klinkt nooit meer horen omdat de buitenwereld wegen heeft gevonden om altijd en overal binnen te dringen?

Het ideaal en de gruwel: de meesten van ons houden beide beelden er gelijktijdig op na. We verdoen onze tijd en noemen het ontspanning en we verdoen onze tijd en gaan gebukt onder schuldgevoelens. We gruwelen van de gedachte lichtzinnig met onze beperkte tijd om te springen en we vrezen evenzeer dat we zo verkrampt deadlines, afspraken, sociale verplichtingen en willekeurige bucketlist-items najagen en afstrepen dat er geen greintje lucht meer in ons leven zit.

Wat Alan Lightman is kwijtgeraakt, zegt hij, is een deel van zijn ‘binnenste zelf’. Een deel van zichzelf dat droomt, fantaseert, onderzoekt en ontdekt. Hij noemt dat innerlijke zelf zijn ‘ware vrijheid’ en hij citeert zijn MIT-collega Sherry Turkle, die in haar boek Alone Together schreef: ‘Technologie biedt zich aan als de architect van onze intimiteit.’

Sommige online diensten die zich naar de gebruiker vormen doen op een vreemde manier aan precies dat door Lightman geschetste binnenste denken; ze vormen surrogaatwerkelijkheden waarin beelden en ideeën en gedachten als vanzelf komen aanwaaien op een wijze die vaag herinnert aan de manier waarop onze eigen gedachten schijnbaar uit het niets kunnen materialiseren, om even later weer te vervliegen.

Lightmans pleidooi is sympathiek, maar toch schort er iets aan. Het is niet dat het ontbreekt aan oplossingen, vaak gehoorde maar onterechte kritiek aan het adres van wie zich slechts ten doel stelt een probleem helder te krijgen, het is dat zijn analyse blijft steken op het niveau van een door individuen gedeeld probleem. Hij ziet de wijze waarop het probleem zich manifesteert, maar lijkt niet geïnteresseerd in wat erachter schuilgaat. Het is een pleidooi voor het inzien van de waarde van iets, maar het is blind voor dat waardoor dat waardevolle wordt bedreigd. Het probleem is niet slechts de situatie, het feit dat apparaten en commerciële diensten zich op alle mogelijke manieren een weg ons denken in weten te banen en zo onze innerlijke stem doen verstommen, maar hoe het zo ver heeft kunnen komen en hoe we er niet in slagen ons ertegen te wapenen.

Maar het probleem gaat dieper: in zijn verdediging van het lummelen komt Lightman telkens uit bij het nut ervan. De wijze waarop het verspillen van tijd ons in staat stelt creatief te zijn. Maar een dieper besef van de autonomie van ons denken als een nastrevenswaardig ideaal, als iets wat niet slechts waardevol is in de vorm van creativiteit die zich laat kapitaliseren, maar een voorwaarde voor ons mens-zijn, is iets wat niet om een onderbouwing vraagt. Tijdverspilling die door onszelf noch door anderen wordt gekapitaliseerd is inherent waardevol. Het is de kanarie in de kolenmijn van niets minder dan het denken zelf.