Tijger, tijger

In The Guardian van een paar weken geleden (die ik gedwongen was te lezen omdat er, verenigd Europa of niet, geen fatsoenlijke Nederlandse krant meer te krijgen is als je de zuidelijke wijken van Sittard eenmaal voorbij bent) werd het idee geopperd dat, na het sensationele succes van de Afrikaans-Amerikaanse golfer Tiger Woods op de open Amerikaanse golfkampioenschappen, duizenden zwarte Amerikaanse jongeren zich nu ook op de golfsport zouden werpen.

Je hoort dat wel meer: grote sportieve successen zouden een aantoonbaar effect hebben op de populariteit van een sport. Jongeren laten zich makkelijk beïnvloeden door het opportunisme van de winnaar, schijnt het. Het toejuichen van de underdog is kennelijk meer iets voor volwassenen.
Even afgezien van de vraag of deze theorie gewoon onzinnig of totaal absurd is: zou het alleen opgaan voor sport? Wat mij het meest bezighield na de eclatante overwinning van Hugo Claus op het Libris-festijn was de vraag of Belgische jongeren, gestimuleerd door dit succes van hun landgenoot, zich nu en masse op het schrijven zouden storten.
Het moet voor de Belgen, de negers van de Lage Landen, een immense triomf zijn geweest. Hier zag men, in een voormalig kapelletje in het hart van de Amsterdamse grachtengordel, het exclusieve bastion van Hoog-Nederlanderschap, te midden van de literaire kantoorklerken en knuffelallochtonen, eindelijk een vooraanstaande Belg met de eer strijken. Sinds Elsschot (de Jackie Robinson van de Belgische literatuur) en Tom Lanoye (in veel opzichten de Arthur Ashe der Vlamingen) is er geen grotere stimulans voor jonge Belgische schrijvers geweest, zou je zeggen. En die kunnen alle aanmoediging gebruiken die ze kunnen krijgen. Niet alleen worden ze door Nederlanders niet voor vol aangezien, hun landgenoten kopen ook hun boeken niet. Een Belgische uitgever heeft me eens voorgerekend op wat voor verkopen hij kon rekenen in het zoete Vlaamse land: een aantal van 4000 is genoeg voor een bestseller, en mochten er 10.000 worden verkocht, dan staat het boek een jaar lang in de Knack- en Humo-toptiens.
Nu is het al een raadsel hoe een minuscuul taalgebied als het Nederlandse zo veel topzware schrijvers kan dragen, maar een Belgische schrijver moet het wel bijzonder zwaar te moede zijn. En zelfs een buitengewoon getalenteerde, hyperenthousiaste jonge Belgische schrijver zal de moed in de schoenen zijn gezonken toen de grote voorganger der Belgische literatuur in zijn finest hour zei dat hij de prijs niet verdiend had en dat zijn boek het slechtste was dat de jury had kunnen kiezen.
Wat bezielt zo'n man? Vanwaar die onzinnige en onechte bescheidenheid? Als hij werkelijk meende wat hij zei, moet Claus al tijdens het schrijven geweten hebben dat het niks zou worden. Toen hij het manuscript aan zijn uitgever overhandigde, moet hij zijn schouders hebben opgehaald: ‘Nou, hier is het. Het is niks.’ Het werd genomineerd, het werd bekroond, maar de grote Pooh-Bah van de Belgische letteren wist: het is niks. Iedereen was beter dan hij.
Kijk, zo word je natuurlijk nooit een goede schrijver.