Tik

Het is tegen middernacht en ik zit in mijn donkere werkkamer, bij het open raam. Er waait een lauwe bries naar binnen. Ik drink mijn laatste glas wijn, het derde dat ik onder die noemer inschonk. De klok boven mijn tafel is stil blijven staan op vijf over half zeven, zie ik, al is stilstaan niet het goede woord. De rode secondenwij​zer springt heen en weer, waardoor de klok zijn tikkende geluid blijft maken, al zit de tijd muurvast. Wat gebeurde er om vijf over half zeven? Hier niet veel bijzonders maar misschien elders wel. Een afscheid, een oplossing, de ontdekking van een geheim. Dat kan. Het boek dat ik uit las ligt op mijn tafel; het spookt nog door mijn hoofd. Wat moet ik eigenlijk met al die papieren mensen van wie ik ben gaan houden? Met hun griezeligste, intiemste gedachten en met hun moeizame, knullige levens? Weggeven kan ik ze niet of nauwelijks – maar vroeg of laat vullen ze mijn huis. Natuurlijk zou ik praktisch kunnen worden, maar vanmorgen zag ik Bob, die wij hier thuis Boekenbob noemen, omdat hij altijd met zijn enorme lichaam in een tuinstoel aan de schaduwzijde van de straat zit te lezen, met een e-reader op schoot. Ik mag daar van mezelf niet kinderachtig over doen. Omdat het te veel voor de hand ligt, met mijn hang naar het tastbare en mijn angst voor een tijdperk waarin iedereen achter een beeldscherm verdwijnt. Maar juist Bob, die ik daar al zomers lang dagelijks zie zitten, met een beduimelde pocket of een bibliotheekboek op schoot, zijn vlees puilend over de leuningen, juist uiterst fysieke Bob, met zo’n anoniem, glad apparaat in handen, dat niets verraadt over wat hij leest – om de een of andere reden stemde dat me treurig. Ik drink mijn glas leeg als ik merk dat de klok alsnog is opgehouden met tikken. Zonder stroom is het over, denk ik vals, terwijl ik mijn boek oppak en op een stapel leg. Geschiedenissen, levens, personages – als het scherm op zwart gaat is het niets.

Dood glas, waarin zich je gezicht weerkaatst.