Toen het Russische leger eind februari Oekraïne binnenviel, was het fotoboek dat hen moest tegenhouden net een week op de post. De Brits-Oekraïense fotograaf Mark Neville had al zeven jaar eerder besloten om het boek te maken, en sinds 2020 lag het ontwerp van Stop Tanks with Books bij de drukker.

‘Mijn doel was om de kracht van het medium van fotografie te gebruiken als wapen, om deze oorlog te voorkomen’, zei Neville later over zijn reeks portretten van Oekraïners. Zijn uitgever bleef maar uitstellen, tot Neville een paar maanden voor de invasie van uitgever wisselde. In hoog tempo begon die boeken te drukken om naar vijfhonderd invloedrijke mensen te sturen. Toen de Russische tanks begonnen te rijden, viel de eerste zending van 150 exemplaren net in de brievenbussen.

De Oekraïense fotojournalist Evgeniy Maloletka probeerde op dat moment ook om de kracht van fotografie tegen de invasie in te zetten. Een paar dagen eerder zag hij dat de inval aanstaande was en had hij zijn busje volgeladen. Met een collega reed hij naar Marioepol, waar ze gevechten verwachtten. Inderdaad vielen de Russen de stad aan, en binnen dagen was de stad afgesneden en later omsingeld. Twintig dagen lang legden Maloletka en zijn collega vernietigde gebouwen vast, dode mensen, graven, en probeerden ze de beelden ondanks groeiende problemen met elektriciteit en internet bij de buitenwereld te krijgen.

Een paar dagen voor de val van de stad reden ze naar de plek van twee grote explosies. Ze vonden daar een vernietigde kraamkliniek, en staf en reddingswerkers die nog bezig waren om gewonde zwangere vrouwen uit de ravage te redden. Nadat ze foto’s en video’s hadden gemaakt bood een politieman aan hen mee te nemen naar een plek met stroom en wifi. ‘Dit zal de loop van de oorlog veranderen’, zei hij. Maloletka was daar niet zo zeker van.

‘Toen we rondliepen, begrepen we wel dat dit een groot verhaal zou worden. Maar we begrepen niet hóe groot’, zegt hij via de telefoon vanaf een vliegveld in Spanje. Vanaf het moment dat Associated Press de foto’s online zette – van het vernietigde ziekenhuis en van twee hoogzwangere vrouwen – gingen ze de hele wereld over. Een beter bewijs dat Rusland niet alleen militaire doelen beschoot (zoals het Kremlin claimde) was nauwelijks denkbaar. En dus ging Rusland in de aanval. In de VN Veiligheidsraad toonde minister Lavrov de foto als bewijs van Oekraïens ‘nepnieuws’ en claimde hij (zonder bewijs) dat radicale Oekraïense milities ‘alle bevallende vrouwen en alle verpleegsters hadden verdreven’ uit het ziekenhuis, en er een militaire basis van hadden gemaakt.

Een paar dagen later kreeg een Oekraïense eenheid orders de twee fotografen Marioepol uit te smokkelen. ‘Als de Russen jullie vangen, zullen ze jullie op camera laten zeggen dat alles wat jullie filmden een leugen was. Alles wat jullie hebben gedaan, zal voor niets zijn geweest’, lichtte een militair volgens een verslag van Maloletka’s collega toe. En dus bleef de foto de wereld rondgaan. Maloletka later ook.

‘Voor mij als Oekraïner voelde het heel goed dat zoveel mensen deze foto zagen’, zegt Maloletka. ‘Ik bleef na Marioepol de oorlog fotograferen bij andere fronten, maar deze foto’s werden genomineerd voor prijzen. Dat was vreemd. In Perpignan, waar ik het Fotofestival won, keek ik naar mijn foto’s die daar hingen en leek het onwerkelijk dat ik daar, in Zuid-Frankrijk, was. Het is soms moeilijk om iets te winnen met zoiets vreselijks. En een van de vrouwen die we fotografeerden kwam in de problemen, ze werd ernstig bedreigd en werd onderdeel van de media-oorlog. Maar dat is niet mijn verantwoordelijkheid. We legden alleen vast wat we zagen.’

Een Oekraïense soldaat in de verwoeste staalfabriek van Azovstal staat onder een zonnestraal in Oekraïne, 7 mei 2022. © Dmytro Kozatsky / AP / ANP

Zeker in de eerste maanden van de oorlog waren foto’s en bewegend beeld van de oorlog overal te zien: in kranten en op televisie, op nieuwswebsites en nieuwsapps, in oproepen van ngo’s, op sociale media en berichten-apps. Sommige tweets en videoclips (zoals van een man die nonchalant rokend met zijn blote handen een mijn van een brug draagt, een bos in) werden binnen luttele dagen tien miljoen keer bekeken.

@ukraineupdatetop Ukrainian man removes Russian mine from under a bridge 🇺🇦🇷🇺👊🏻🌎 #ukraine #Russia #ukrainewar #ukrainevsrussia #Fyp ♬ shadow lady_portwave - я очень устала

In die stroom beelden vielen bepaalde categorieën op, zoals de traditionele fotojournalistiek, die niet de beste twintig jaar achter de rug had. Daarnaast waren er aan de Oekraïense en Russische overheid gelieerde accounts op kanalen als Telegram en Facebook waar een gecureerd beeld van de oorlog werd aangeboden. En daarnaast weer losjes bewerkte videoclips op sociale media, zoals Twitter, Instagram en met name het in de afgelopen jaren snel gegroeide TikTok. Oorlogsgerelateerde videoclips op TikTok waren zo talrijk, werden zoveel meer bekeken dan op andere sociale media, en waren vaak zo’n curieuze mengeling van oorlogsgeweld met TikTok-esthetica (kort, rommelig ge-edit, met vrolijke pop- of indiemuziek eronder) dat binnen een week al de term ‘Eerste TikTok-oorlog’ op internet opdook.

De laatste dertig jaar werd bij de aanvang van een nieuwe oorlog vaak geschreven dat die op een volledig nieuwe manier in beeld werd gebracht. Omdat media zo snel veranderen, plakten sommige journalisten daar vaak een mediaterm bij. Zo zijn inmiddels afgekondigd: de Eerste ‘TV-oorlog’ (Vietnam), ‘cnn-oorlog’ (Koeweit), ‘YouTube-oorlog’ (Irak) en ‘Facebook-oorlog’ (Syrië), waarbij steeds werd gespeculeerd of dit nu een waterscheiding was in de manier waarop we naar oorlog kijken. Wetenschappers plaatsten daar vaak de nodige vraagtekens bij, maar over de decennia bekeken veranderde onze blik op oorlogen sterk.

Het afgelopen jaar was geen uitzondering. Er was niet alleen debat over TikTok en andere sociale media, maar ook over de invloed van de Russisch-Oekraïense oorlog op het internationale publiek en de journalistiek. Op The Conversation, een academisch internettijdschrift, schreef journaliste Beena Sarwar dat ‘de vloed van oorlogsbeelden uit Oekraïne breed en diep’ is, en dat er op internet ‘veel meer afbeeldingen van dode of gewonde mensen worden gepubliceerd dan ooit tevoren’. Volgens haar zorgt dat ervoor dat ook professionele fotojournalisten en redacteuren er ‘lagere journalistieke standaarden’ op nahouden en heftiger beelden maken en publiceren dan tijdens eerdere oorlogen.

Ook nu zijn wetenschappers niet overtuigd. ‘Het klopt dat er op Instagram en andere sociale media heel heftige beelden circuleren. Wie ernaar zoekt, kan een ongefilterde blik op de oorlog vinden’, zegt de Britse kunsthistoricus Julian Stallabrass, lange tijd hoogleraar aan het Courtauld Institute in Londen. ‘Maar die transformerende invloed op fotojournalistiek zie ik helemaal niet in de Russisch-Oekraïense oorlog. In de verslaggeving door grote media en de debatten daarover zie ik juist veel continuïteit. Nadat er in Europese media foto’s verschenen van Russische misdaden in Boetsja, en foto’s die Lynsey Addario, de Amerikaanse fotojournalist, had gemaakt van een gedode familie in Irpin, volgden er in de VS en Europese landen debatten over de ethiek en smaak daarvan – precies zoals je bij eerdere oorlogen, zoals die in Vietnam of Irak, ook zag.’

Een Oekraïense soldaat in de verwoeste staalfabriek van Azovstal in Oekraïne, 19 mei 2022. © Dmytro Kozatsky / AP / ANP

‘Wat in deze oorlog opvalt, zijn twee andere dingen’, zegt Stallabrass aan de telefoon. ‘Ten eerste biedt Oekraïne een zeer gastvrije omgeving voor buitenlandse fotojournalisten. De Oekraïense overheid en burgers begrijpen de waarde van buitenlandse media-aandacht, en willen die journalisten ook echt graag hebben. Ze helpen hen en laten zich fotograferen. Er zijn daarom veel goede en bekende fotojournalisten naar Oekraïne gegaan. Het resultaat is ernaar: de kwaliteit van fotojournalistiek die uit Oekraïne komt is zeer hoog, ik zie veel krachtige en zeer zorgvuldig vormgegeven werk uit Oekraïne komen.’

Dat is een behoorlijke omslag. ‘De afgelopen twintig jaar was de wereld een bijzonder gevaarlijke plek voor oorlogsjournalisten. Dat begon in Irak. Zelfs voor Iraakse fotografen was het heel gevaarlijk om daar te werken. Mensen wilden zich liever niet laten fotograferen, en iedereen met een camera was verdacht. Buitenlandse journalisten werden vaak als aantrekkelijk doelwit of waardevol object voor losgeld gezien. Dat was ook zo in Libië en Syrië. In Oekraïne blijft het natuurlijk gevaarlijk, maar het is toch een compleet andere omgeving.’

Dat werkt door in de kwaliteit van de fotojournalistiek, maar heeft ook een inhoudelijk effect. ‘In Afghanistan en Irak werkten fotografen vaak vanuit de bescherming van het Amerikaanse leger, en in burgeroorlogen zoals die in Libië en Jemen was er vaak niet een “instant narrative” van helden en schurken voorhanden, of fotojournalisten en redacteuren beleefden dat niet zo’, zegt Stallabrass. ‘Dat kant-en-klare verhaal is er nu wel, omdat deze oorlog in het Westen in zwart-wittermen wordt begrepen. Die helderheid werkt door in fotografie.’

Het tweede wat volgens Stallabrass opvalt is – toch – de technologie. ‘In Oekraïne heb je een relatief rijke bevolking die handig is met technologie. Zij hebben nieuwe smartphones die tijdens het nemen van een foto allerlei visuele correcties toepassen op het beeld. Zulke telefoons imiteren professionele kwaliteit en maken verspreiding van beeld heel makkelijk. In Irak en Syrië waren er ook veel amateurbeelden, maar die waren vaak duidelijk van fotojournalistiek te onderscheiden. Nu is dat niet zo. Dat versterkt de indruk van een enorme hoeveelheid beeld.’

Het beeldmateriaal dat ons via Oekraïense overheidskanalen bereikt geeft tegelijk een waar beeld én een gewenst beeld

Niet iedereen is daar blij mee. In The New Yorker werd de bijna schilderachtige kwaliteit van nieuwe iPhone-fotografie beschreven als ‘knisperig koud en vaag onmenselijk’. Evengoed heeft die kwalitatieve vooruitgang er volgens Stallabrass voor gezorgd (samen met de toenemende scepsis over nieuwsbeelden en ‘nepnieuws’) dat fotografen zich op een van alle franje verstoken, klinische en bewijsgerichte stijl zijn gaan toeleggen. Het gebruik van kleur, waar Lynsey Addario bijvoorbeeld om bekendstaat, is erg uit, net als de korte trend om Hipstamatic-filters over oorlogsfoto’s te leggen.

Stallabrass ziet uit Oekraïne veel standaard onderwerpen van oorlogsfotografie komen: verwoesting in steden, vurende artillerie, en vooral portretten. Van Oekraïense soldaten, maar meer nog van slachtoffers. Zij worden vaak waardig en vastberaden afgebeeld, wat een bekend thema is in oorlogsfotografie. ‘Dat je mensen in oorlog, als alles om hen heen kapot gaat, in ieder geval waardigheid moet verlenen bij hun afbeelding, is een humanistisch idee dat na de Tweede Wereldoorlog erg dominant was. Dat zie ik in Oekraïne heel sterk terugkomen, zowel bij fotojournalisten als op sociale media. Ik vind het een nogal vlak soort humanisme, dat de standaardvorm is geworden van oorlogsverslaggeving.’

De foto’s die Evgeniy Maloletka op 9 maart maakte van de vluchtende Mariana Vishegirskaya tijdens de luchtaanval op de kraamkliniek in Mariupol gingen de hele wereld over als bewijs dat Rusland niet alleen militaire doelen beschoot. © Evgeniy Maloletka / AP / ANP

Een wijdverbreid idee is dat journalisten en militairen tegenstrijdige belangen hebben. Dat is een erfenis van de Vietnamoorlog, waar de overtuiging ontstond dat foto- en filmbeelden de steun van het Amerikaanse publiek voor de oorlog hadden ondergraven. Dat was een mythe, toonde onderzoek al snel aan, maar de overtuiging is blijven hangen dat legers in duisternis willen opereren, en dat het naar buiten brengen van expliciet beeld een anti-oorlogsdaad is.

De Russisch-Oekraïense oorlog toont (opnieuw) aan hoe ver dit naast de waarheid zit. Oorlogsfotografie wordt vrijwel altijd met een politieke strekking gemaakt (ook als dat een oproep tot vrede is), en kan vaak door de strijdende partijen voor een politieke lijn worden ingezet. In Oekraïne is dat kraakhelder. De politieke lijn van beelden die Europeanen bereiken, zowel amateurbeelden als journalistieke, is meestal: stuur meer hulp. Dat kan humanitaire hulp zijn, moral support, militaire hulp, of iets anders. Maar dat valt samen met de doelstellingen van het Oekraïense leger.

Die boodschap hoeft niet via gruwelijke beelden van Russische misdaden verkondigd te worden – misschien juist bij voorkeur niet. De lijn die de Oekraïense overheid kiest, is in ieder geval een andere. Op een heel scala van media, van Telegram tot Instagram en TikTok, zijn accounts van het Oekraïense leger en de overheid actief. Zoals Ukraine.ua, het account van de Oekraïense regering. Wie een indruk wil krijgen van de voorkeursimpressie van de oorlog kan daar langs de geposte foto’s en video’s scrollen. Net als de foto’s van Mark Neville’s Stop Tanks with Books zijn die foto’s tegen de Russische agressie gericht, maar Neville toont volstrekt alledaagse en weinig indrukwekkende Oekraïeners. Ukraine.ua toont daarentegen een Oekraïne dat op het eerste gezicht niet strak gecureerd lijkt, maar dat een zeer positief beeld op de samenleving geeft.

De Oekraïners op deze foto’s zijn vaak jong en knap. Ze maken een feestje van samen oorlogsschade opruimen en werken druk aan heropbouw, ze uiten hun woede over de oorlog en proberen thuis een zo normaal mogelijk leven te leiden. De soldaten zijn vastberaden en sterk, lopen en rijden altijd voorwaarts, worden vaak omhelsd en weten zeker dat Oekraïne gaat winnen. Het is vaak zonnig in dit Oekraïne, of een gouden herfst. Slachtoffers worden meestal in donkerbruine tinten, met christelijke iconografie afgebeeld. President Zelensky loopt vaak vooraan in een groep. Samen zijn burgers, slachtoffers, regering en leger een geheel.

Video’s vertellen hetzelfde verhaal: er is veel oorlogsschade, zeker, maar die wordt beperkt getoond in korte, donkere beelden, met daarna het Oekraïne van de toekomst dat om de hoek ligt te wachten. Soldaten dansen vaak: de moonwalk, op David Guetta of, zoals twee weken geleden, de Pikachu Dance. ‘Winter is nooit een obstakel geweest voor een goed humeur’, schreef het Oekraïense ministerie van Defensie bij het originele bericht. De knappe soldate, dansend terwijl de artillerie op de achtergrond knalt, is alleen al op Twitter tien miljoen keer bekeken.

Qua portret lijkt dit opvallend sterk op het beeld dat de beroemde oorlogsfotograaf Robert Capa schetste van de Republikeinse zijde in de Spaanse Burgeroorlog in de jaren dertig, in zijn reportages en zijn fotoboek Death in the Making. De (mannelijke en vrouwelijke) soldaten van Capa vochten natuurlijk samen, maar lazen vooral samen de krant, schaakten, sliepen op elkaars schoot, dansten, luisterden naar toespraken, kookten en aten samen, rouwden. Ze vormden een geheel met de bevolking die zij beschermden. Het was een portret van een samenleving die tegelijk echt bestond en een aspiratie was – en die vernietigd werd.

In Oekraïne is dit ongetwijfeld hetzelfde: het foto- en videomateriaal dat ons via Oekraïense overheidskanalen en -accounts bereikt toont iets wat tegelijk een waar beeld is én een gewenst beeld. Iemand hoeft niet in overheidsdienst te zijn om aan dat beeld bij te dragen of het te versterken. Gewone Oekraïense burgers dragen bij met hun eigen video’s en foto’s (het Britse onderzoeksplatform cir concludeerde bijvoorbeeld dat tachtig tot negentig procent van alle TikTok-video’s van Russische troepenbewegingen van burgers kwam), delen en kijken weer andere, en versterken daarmee een politieke lijn in het visuele aanbod. Europese burgers die achter Oekraïne staan, doen hetzelfde. Dat beïnvloedt het aanbod van beeld op sociale media.

‘Het is heel naïef om te denken dat we op sociale media naar een niet-gecureerd, niet-geëdit beeld van de oorlog kijken’, zegt de Zweedse mediawetenschapper Kari Andén-Papadopoulos, auteur van het boek Amateur Images and Global News, in een telefonisch gesprek. ‘Het is lastig om te zien, maar veel visuele informatie die we uit Oekraïne te zien krijgen, is strategisch geselecteerd. Vanuit het Oekraïense leger en de overheid worden beelden natuurlijk zeer gericht gecureerd, maar ook de online ruimte is een gefilterde omgeving, vol poortwachters, belanghebbenden en algoritmes. Allemaal belangen concurreren daar om prominentie.’

‘De Oekraïense overheid en het leger krijgen nog extra greep op het visuele aanbod omdat Rusland hier geen serieus tegenwicht biedt’, vervolgt ze. ‘Rusland is in feite een producent van desinformatie en propaganda geworden en probeert vooral het Oekraïense materiaal te ontkennen of een andere interpretatie te geven, en zet er geen kwalitatief antwoord tegenover.’

Andén-Papadopoulos vindt vooral de Oekraïense TikTok-video’s (waarvan de succesvolste ook op andere sociale media worden gepost) inventief. ‘De fotojournalistiek in Oekraïne is erg traditioneel. De foto’s zijn vaak zorgvuldig gecomponeerd en visueel indrukwekkend: schade aan infrastructuur en huizen, doden die zo worden gefotografeerd dat ze niet te schokkend zijn, en vooral waardige slachtoffers. Ze tonen veelal moeders met kinderen, rouwenden bij begrafenissen, hebben vaak iconische kwaliteit. Maar die professionele, iconische en zorgvuldig geframede foto’s creëren ook een emotionele afstand tot de kijker. Dat is waarom TikTok zo’n effectief tegenwicht is.’

‘Er komen heel veel TikTok-video’s uit Oekraïne, in de typische TikTok-stijl, met muziek, ironie, humor, snelheid’, vervolgt ze. ‘Zulke video’s sluiten veel beter aan bij de realiteit van veel kijkers, vooral jonge. De TikTok-humor geeft hun veel meer intimiteit dan iconische foto’s. Zulk gebruik van media is niet neutraal. Het gebruik van YouTube-humor door Amerikaanse soldaten in Irak humaniseerde wat ze daar deden, en Israëlische soldaten verdrijven ook vaak de tijd met TikTok-dansjes, die hun aanwezigheid in Palestijns gebied verzacht. Maar het werkt, ook voor Oekraïne. Deze video’s maken Oekraïense soldaten op een bepaalde manier embedded in het westerse publiek.’

De toevoeging van nog meer media, nog meer platforms en nog meer camera’s heeft daarom ook in deze oorlog geen vrij blikveld gegeven. ‘Dat voorspelden sommige mensen tien jaar geleden wel, dat je grassroots verslaggeving van oorlog zou krijgen’, zegt Andén-Papadopoulos. ‘Maar zeker is dat dat ook nu het geval niet is. Het is een heel interessante vraag. Er zijn nu overal camera’s – we zien beelden van bewakingscamera’s, uit drones, bijna alle soldaten en burgers dragen camera’s bij zich en hebben toegang tot allerlei platforms om te publiceren. Wat doet dat met ons blikveld, en wat ligt er nog steeds buiten? Ik weet het niet.’

Wellicht is het tekenend dat ook in deze wereld, waar de Russisch-Oekraïense oorlog content geworden is, het bewijs van oorlogsmisdaden via de beproefde weg naar buiten komt.

‘In Marioepol had iedereen een smartphone, maar na tweeënhalve week oorlog had vrijwel niemand nog lading in zijn batterij zitten. De mensen konden niet fotograferen wat ze zagen’, zegt fotojournalist Evgeniy Maloletka daarover. ‘Als iemand wel iets vastlegde, kon die dat niet versturen, want het mobiele netwerk lag eruit. Bij wegblokkades namen Russische soldaten telefoons af of wisten ze de inhoud. Er is heel veel in Oekraïne dat niemand heeft gefotografeerd en dat niemand heeft gezien.’