Timmeren aan de weg

JONATHAN COE
B.S. JOHNSON: EEN SCHRIJVERSLEVEN (1933-1973)
Uit het Engels (Like a Fiery Elephant: The Story of B.S. Johnson, 2004) vertaald door Nelleke van Maaren en Jan Pieter van der Sterre (fragmenten Johnson). Querido, 615 blz., € 42,95

‘Misschien is het de moeite om te kijken of de biografie van Jonathan Coe een andere kijk op het boek geeft dan wat ik op het eerste gezicht meende te zien.’ Met die slag om de arm – of retorische truc – besloot ik een paar weken geleden mijn bespreking van de vertaling van Ongeluksvogels, een losbladige roman in een doos uit 1969. Daarvoor had ik, eerlijk gezegd, de moeite van die zeshonderd pagina’s niet hoeven doen. Of het moet zijn dat ik nu weet dat het losbladige ideetje was afgekeken van een Fransman.
Wel geestig is de verdediging van Johnson dat zijn oplossing beter was, omdat Composition Nr. 1 van Marc Saporta door de pagina bepaald werd, wat pure willekeur was, terwijl zijn losse hoofdstukken al naar gelang de inhoud van lengte wisselden – de vorm werd dus ‘organisch’ door de inhoud bepaald. De vergelijking met Joyce, die nergens op sloeg, pareerde hij door te zeggen dat hij diens kunstmatigheid had weten te vermijden, ‘door de stijlkeus op een organische manier te laten bepalen door de aard van het onderwerp’. In de kunst vooral het ‘organische’ tot norm nemen, op zich al een contradictio in terminis, paste in Johnsons theorie dat elk verhaal een leugen was en alles wat niet direct de werkelijkheid weergaf in strijd was met de waarheid. Dat werd koorddansen, literaire toeren uithalen op het slappe koord van een dunne theorie. De willekeur van de losbladige roman Ongeluksvogels was volgens Johnson ‘een tastbare metafoor voor de willekeur in de werking van de geest’. Ook zijn biograaf zag dat zo’n naturalistisch dogma de dood in de pot moest worden. Niet alleen was zo’n letterlijk genomen realisme op papier een doodlopende weg; het werd volgens Coe zelfs een van de motieven voor zijn zelfmoord.
Eén detail uit die roman als voorbeeld. In het begin is er in de monoloog herhaaldelijk sprake van Wendy’s ‘verraad’, zonder dat de lezer te weten komt waar dat grote woord op slaat. Hier heette ze Wendy, in ander werk gebruikte Johnson zelfs haar werkelijke naam; over haar vertrek raakte de schrijver nooit meer uitgepraat. Verrader was iedereen die hem niet onvoorwaardelijk toegedaan en trouw was: vrouwen, vrienden, uitgevers, redacteuren, literair agenten, allemaal in het meervoud. Elk strobreedje in zijn literaire carrière moest uit de weg geruimd. Coe volgt die tocht linea recta naar de afgrond met als leidraad de aangekondigde dood door Johnsons zelfmoord.
Coe besluit zijn biografie met te herhalen dat je de romans niet als experimenten moet opvatten maar ‘als literaire ketterij’; als zou Johnsons ketterij ‘een aanslag zijn op onze meest fundamentele overtuigingen’. De uitleg dáárvan is regelrechte wartaal: ‘Ons geloof in de morele integriteit van “fictie”, ons geloof in het nut van een verhaal vertellen terwijl de dagelijkse waarheden van onze onzalige wereld schreeuwen om onmiddellijke praktische aandacht’ – kortom, geen woorden maar daden!
Nog eens het slot van mijn bespreking: misschien valt het oordeel over de roman uit 1969, Johnsons vierde, anders uit als je hem beziet in de context van de jaren zestig of binnen zijn oeuvre. Een vrome wens. Vanwege een paar uiterlijkheden, zoals het rechthoekige gat in twee pagina’s van de roman Alberto Angelo, de genoemde losbladigheid, het vertellen van een gebeurtenis vanuit meer gezichtspunten, werd Johnson een experimenteel schrijver genoemd. Dat was men in Engeland al gauw, waar rechttoe rechtaan de norm was. Terecht wees Johnson die benaming af, niet omdat hij van experimenteren geen kaas gegeten had maar omdat hij het publiek niet wilde afschrikken. Toen hij probeerde kennis te maken met Robbe-Grillet en Resnais noemde hij zich – te meer daar hij het filmen erbij deed – hun geestverwant, de enige avant-gardist van Engeland. Vertalingen leken hem de enige garantie om internationaal het aanzien te krijgen dat hij in eigen land niet kreeg; als hij bekend was, dan meer door zijn publiek gedrag dan door zijn werk.
Faam, aandacht, respect en uiteindelijk onsterfelijkheid, daar streefde hij naar; alles en iedereen stond daarvan in dienst. Praktisch bij elk boek speelde hij bij anderen leentjebuur. Zijn idee van het ‘naar het leven getekend’ oftewel het eerlijkheidsgebod had hij op zijn negentiende van My Life and Loves van Frank Harris. Het idee van een ongenaakbare vrouw die zijn muze was, een mythische oerfiguur waaraan vrouwen van vlees en bloed nooit zouden kunnen tippen, meteen een sjiek excuus, had hij letterlijk uit The White Goddess van Robert Graves. Een van Coe’s ontdekkingen is dat niet Ulysses van Joyce zijn voornaamste bron was geweest, zo hij het boek al gelezen had, maar Graves’ mythomane potpourri van oervrouwen. Beckett was Johnsons heilige. Als hij op het eind van zijn tweede roman, Alberto Angelo (1964), opeens uit de hoek komt met de uitroep ‘Ach, vlieg toch op met al die leugens kijk waar ik echt over probeer te schrijven dat is schrijven niet al dat gezever over architectuur’, adviseert hij zijn lezers: ‘Ga een straatje verderop voor hun leugens. Zo is het leven niet…’ Voor in het boek staat een passage uit The Unnamable van Beckett, maar daar is een personage aan het woord over het liegen, niet Beckett.
Als de schrijver zelf al geen onderscheid maakt tussen personage en schrijver, zij Coe vergeven dat hij bij het doornemen van Johnsons boeken ze inhoudelijk meteen met een rijgnaald aan zijn leven vasthecht. De consequentie van theorie over waarheid en werkelijkheid was dat je alleen over eigen belevenissen kon schrijven. Het past bij Johnsons therapeutische opvatting van schrijven. De gedichten van Sylvia Plath noemde hij mislukt omdat de schrijfster er niet beter van werd. Hij had geen reden zich op te winden over de kritiek die wat hij schreef letterlijk nam. Iedereen moest weten dat de schrijver ter wille van Trawl (1966) drie weken participerend onderzoek op een schuit voor de kust van Noorwegen en Rusland had gedaan. Critici hadden het bij hem toch gedaan, tenzij een recensent zei dat Johnson een meesterwerk had geschreven, de grootste van zijn generatie was, Joyce en Beckett naar de kroon stak. Dan deed het er niet toe wie dat gezegd had. Hij citeerde de loze complimenten in elke brief, in elk interview, in elk cv. Beckett, arme Beckett, met wie hij ten slotte persoonlijk contact had weten te krijgen, adviseerde hem zulke ‘aanbevelingen’ in een aanvraag voor een beurs weg te laten. Echt boos werd Beckett toen hij zag dat een zin van hemzelf uit een brief aan de uitgever als wervende tekst op het omslag van een boek van Johnson stond. Alleen al uit de veelvuldige ontleningen kun je opmaken dat voor Johnson het geschreven hebben – het geuren met het resultaat – belangrijker was dan het schrijven. Ook zijn leven modelleerde hij naar literaire snit. Zelfs zijn zelfmoord was er een naar model: in bad, zoals de Romeinen bij Petronius.
Ongeluksvogels wordt er, wanneer je de roman in zijn tijd en het werk plaatst, geen haar beter op. Werk van Johnson is heruitgegeven en nu vertaald dankzij de biografie van Jonathan Coe (1961), onder meer bekend door zijn roman De regen voor hij valt. Maar wat heeft Coe, een heel ander type schrijver, een generatie jonger dan Johnson, ertoe bewogen vanaf 1995 ongeveer zeven jaar bezig te zijn met een man aan wie hij gaandeweg een regelrechte hekel kreeg? Hij is daar zelf nogal onduidelijk over. Hij moet nieuwsgierig geweest zijn naar het fenomeen, dat van een schrijver uit de jaren zestig, die toen Coe begon heel ver verleden leken, van wie nog wel de naam, een legende, over was maar het werk niet meer werd gelezen.
Het begint gaandeweg ook Coe te dagen dat het werk niet miskend of gewoon verouderd was, maar al toen het verscheen een afleggertje, tweedehands in vergelijking met de internationale avant-garde van toen en vroeger. Maar Coe doet keurig zijn huiswerk: na in het kort de zeven romans van Johnson doorgenomen te hebben, reconstrueert hij het leven aan de hand van 160 fragmenten uit literair en journalistiek werk, in 350 pagina’s. Ook dat leven is mager materiaal, zodat Coe uit armoede op zoek gaat naar geheimen. Twee ontdekkingen doet hij: dat Johnson er een verheven muze op nahield (The White Goddess) en vermoedelijk een duivelse souffleur heeft gehad in de persoon van een jeugdvriend die vlak voor zijn dood opdook.
Er is een moment van de waarheid voor de biograaf, wanneer hij toegeeft dat in een schrijversbiografie het belangrijkste wordt uitgespaard: de uren die de schrijver aan zijn bureau zit en schrijft. Het lijkt me niet vergezocht te denken dat Coe zijn biografie als een pastiche van het genre is gaan zien. En misschien is het hele boek wel satire, of op z’n minst een karikatuur. ‘Weer zien we dat Johnson ondanks het feit dat hij zichzelf als een avant-gardist beschouwde, ook gezien kan worden als een belegen, overjarige formalist door mensen die dieper in de tegencultuur van de jaren zestig verwikkeld waren.’
Portret van een blaaskaak, van een literaire vogelverschrikker. Een ander zinnetje bevestigt dat, de dodelijke lof die een criticus Johnson toezwaaide door van Ongeluksvogels te zeggen dat het ‘een belangrijk experiment in fictie’ was, maar ‘een bescheiden, oprechte, kleinschalige roman’. Coe zelf komt tot geen andere conclusie. Als hij Johnson eenmaal in het wat ranzige vet van de eigenroem laat gaarsmoren, demonstreert Coe de onmogelijkheid van een schrijversbiografie en dat werd een amusante roman over een dikdoend mannetje met een zelfrijzend literair ego – zelden zag ik zo minutieus beschreven hoe dat in z’n werk gaat, timmeren aan de weg.