Tips van onze kunstcritici: The Idol, Becoming Zlatan en meer

Onze critici verzorgen wekelijks een selectie uit het kunstaanbod. Deze week o.a. de nieuwe film van Hany Abu-Assad en een documentaire over het getalenteerde beest van Malmö, Zlatan Ibrahimovic.

Film – The Idol

Hany Abu-Assad, ‘Nederlands-Palestijnse filmmaker’ zoals hij steevast wordt genoemd, werkt aan een imposant oeuvre. Na Paradise Now (2005), een sterke thriller over twee Palestijnse zelfmoordterroristen, en Omar (2013), een nog betere film in hetzelfde genre over een Palestijnse agent die voor Israël werkt, is er zijn nieuwste: The Idol, een waargebeurd verhaal over Mohammed Assaf, een jongen uit Gaza die drie jaar geleden wereldnieuws werd toen hij de Arabische versie van het televisieprogramma Idols won.

De film opent met iets wat Abu-Assad heel goed kan, getuige soortgelijke scènes in zijn eerste films, namelijk dolle achtervolgingen in steegjes van steden die de littekens van oorlog dragen. Mohammed, een jongen van een jaar of tien, is met zijn vrienden op het strand bezig geroosterde vis aan voorbijgangers te verkopen. Wanneer een van de kopers zich per fiets uit de voeten maakt zonder te betalen, zetten Mohammed en de andere jongens de achtervolging in. De jacht op de wanbetaler is opwindend gefilmd, met een constant bewegende camera, snelle montage en opzwepende muziek. De achtervolging eindigt met een prachtige anticlimax: Mohammed die de fietser inhaalt, en rustig tegen hem zegt: u bent vergeten te betalen, meneer, dat wordt dan een sjekel alstublieft.

De scène heeft iets ontwapenends, wat de hele film kenmerkt. De zingende kinderen – Mohammed begint een bandje met zijn vrienden, met als doel aan Idols deel te nemen – belichamen het idee van onschuld, maar tegelijkertijd is duidelijk dat hiervan geen sprake kan zijn in de door oorlog geteisterde gebieden.

Als jonge man blijft Mohammed zich vastklampen aan zijn Idols-droom. Probleem is dat de audities in Egypte plaatsvinden en als Palestijn krijgt hij geen toestemming om erheen te reizen. Toch lukt dat hem, en bevindt hij zich in een hotel in Caïro waar hij op illegale wijze doordringt tot de opnamen. Uiteindelijk lukt het hem de finale te halen.

Op dit punt in het verhaal stijgt The Idol uit boven het niveau van een biografie over ‘de Palestijn die Arab Idol won’. Voor de westerse kijker is het tafereel in eerste instantie weerzinwekkend vanwege de welbekende, platte Idols-iconografie: de snobistische beoordelaars, de glitter en glamour, de nervositeit van wachtende kandidaten. Maar langzamerhand wordt duidelijk dat Arab Idol iets geheel anders betekent dan onze eigen Idols. Hier gaat het nergens om, maar in Palestina is de deelname van Mohammed een zaak van leven of dood – hij wordt een symbool van hoop voor mensen die generaties lang niets anders kennen dan bommen en bloed.

Dat Abu-Assad in de pakweg laatste tien minuten van The Idol gebruikmaakt van authentieke beelden van de momenten toen Mohammed won en heel Gaza in een grote feesttent veranderde, is een meesterzet. De vraag die de kinderen zich lang geleden op het strand stelden, namelijk of het mogelijk is door zang iets te veranderen in de wereld, wordt natuurlijk niet beantwoord. Maar Abu-Assad wil laten zien dat blijdschap, humor en liefde deel van het leven zijn in een plaats waar oorlog en haat alles overheersen. Hij wil iets vertellen over menselijkheid. In dit streven is hij geslaagd, en dat maakt The Idol tot een schitterende film.

Te zien vanaf 2 juni

Gawie Keyser


Televisie – Becoming Zlatan

Een van de verschrikkingen van de sportjournalistiek draagt de naam Joep Schreuder, Studio Sport. De onwaarschijnlijke hoeveelheid dieptepsychologische oppervlakkigheden die de man in zijn reportages en interviews weet te verwerken en de seibeltoon die zijn handelsmerk is, maken hem tot object van razernij. Omdat ik gelul rond sport meestal mijd moet ik hem pas laat ontdekt hebben. Ik was althans verbluft hem in een recente documentaire tegen te komen in een interview met Zlatan Ibrahimovic uit de tijd dat die bij Ajax speelde. Het zal in 2004 zijn geweest, kort nadat de geïnterviewde in de interland Zweden-Nederland Van Bronckhorst de elleboog had gegeven en Van der Vaart (zijn eigen aanvoerder bij Ajax) zodanig had getorpedeerd dat die geblesseerd eraf moest en ook niet mee kon doen in Ajax’ eerstvolgende competitiewedstrijd tegen NAC. Het Ajax-publiek haatte de Ajax-spits, die daar geheel niet mee zat (‘Van der Vaart is een waardeloze aanvoerder en als hij nog eens achter mijn rug om zit te lullen, hak ik zijn kop eraf’). Spits die met zijn twee eerste doelpunten de sfeer nog niet wist te doen kantelen, maar met een onbeschrijflijk geniale derde goal het opportunisme van sportmassa’s voor eeuwig en altijd aantoonde. Van ‘kruisigt hem’ tot ‘hosanna’ in één potje voetbal – Ibrahimovic als omgekeerde Jezus. Daarna vraagt Joep hem dus of hij even wil beschrijven wie Zlatan toch is, want Joep begrijpt het niet meer (alsof keiharde overtredingen en schitterende doelpunten elkaar uitsluiten). Zlatan kijkt Joep aan zoals elke voetballer Joep aan zou moeten kijken: ‘Ben jij gestoord of zo?’ En hij verdomt het antwoord te geven.

Deze kijktip gaat natuurlijk helemaal niet over lulletje Joep maar over het beest Zlatan, Malmö-topper van Bosnisch-Kroatische afkomst. Over wiens vroege jaren een fascinerende Zweedse film is gemaakt waarin, extra leuk voor ons, talloze Nederlanders aan het woord komen vanwege die Ajax-tijd. Zowel in recente interviews als in verrukkelijk archiefmateriaal. Zoals technisch directeur Leo Beenhakker, die aankoop voor een recordbedrag adviseerde nadat hij de jongen in de ogen had gekeken en daarmee groot risico nam want zijn weinig geciseleerd temperament was bekend. Toch vertrouwde hij die Zweedse ogen niet helemaal gezien zijn toevoeging: ‘Als jij me naait, naai ik jou: einde carrière.’ Coach Co Adriaanse stelde na een oefenpotje vast dat de jongeling heel wat kon maar dat hij het boek Alleen op de wereld te vaak gelezen moest hebben: geen teamsporter. En dan al die kleedkamergeheimen, waarin onder meer Mido een rol speelt, Zlatans concurrent voor de spitspositie, terwijl ze ook nog Machlas in huis hadden. Luxe! Mido, die terugkijkend vindt dat hij niet alles goed heeft gedaan maar nog steeds uit volle overtuiging zegt: ‘Als je mij niet opstelt heb je een enorm persoonlijk probleem.’ Wat hij dan gelukkig wel weer rechtvaardigt door duidelijk te maken dat ‘heel Egypte’ naar alle Ajax-wedstrijden keek vanwege zijn persoontje. Mido die trouwens een schaar vlak langs Zlatans hoofd gooide toen die niet ophield met zeiken over het feit dat Mido uit de idiootste hoeken kansloos op doel schoot terwijl Zlatan vrij stond. Maar wees gerust: de film gaat over Zlatan. Over een van de eerste migrantenkinderen uit achterstandsbuurten die dankzij uniek baltalent de Olympus beklimmen en hun straatcultuur meenemen.

Magnus en Fredrik Gertten, Becoming Zlatan, VPRO 3Doc, zondag 5 juni, NPO 3, 20.25 uur

Walter van der Kooi


Televisie - All you need is me

Drie schilderende broers, dat is bijzonder. Als die ook nog eens tegelijk aan één doek werken en dat in een galerie doen met publiek erbij (‘live painting’), dan lijkt het Guinness Book of Records niet ver weg. Aan welke periode en wat voor kunst moeten we dan denken? Eén van hen, terugkijkend: ‘Naschilderen was in die tijd helemaal uit. Best wel revolutionair dat wij dat weer deden: landschappen, boerenstukjes, naakte wijven.’ En helemaal revolutionair als zo een wijf op een auto geschilderd wordt. We zien op een filmpje dat ze ernaast ligt te poseren in de berm tussen de weilanden. Zowel ‘in’ als ‘naar de natuur’. Oftewel, we hebben het over de late jaren tachtig, begin negentig: ‘After Nature’. Het motto: ‘Ga schilderen, schilder veel en schilder wat je ziet.’ Weg met kunsttheorie en conceptualisme. Dit zijn Gijs, Justus en Aad Donker. Die in het kielzog van het bekendste lid van de groep, Peter Klashorst, subsidie kregen voor een reis naar de VS. Maar ja, die liet het geld op zijn eigen rekening storten, reed opeens in een Jaguar, en veel hebben ze er niet van gezien (zeggen ze). Of dat veel uitmaakte? Toen ze in een geweldig appartement zaten hingen ze zo de beest uit dat ze eruit getrapt werden en in een ijskoude loods belandden. Een zich herhalend verhaal waar ze redelijk trots op lijken. Een Leids, volks, dwars, spuitend, slikkend, zuipend, naaiend, vervend ratpack. Goud geld verwachtten ze en soms gloorde dat ook, maar het werd uiteindelijk niks.

Behalve dan voor de jongste, Aad. Die miljardairsdochter Amy aan de haak sloeg. Al is die formulering misleidend: hij viel op Amy, zij op hem en pas na een tijdje werd duidelijk dat ze geld had, later dat ze rijk was, nog later dat ze schathemeltjerijk was. Wim van der Aars documentaire All You Need Is Me opent met een atletische, grofmooie jongen die op een bokszak ramt en daarna in extreme close-up, licht stotterend, zegt: ‘Ik ben Aad Donker. Ik vecht met vuist en penseel om te leven.’ Zelfbewust. Duidelijk de leider van het trio. Maar dat gevecht zal hij verliezen. Dat doen we natuurlijk allemaal uiteindelijk, als we al vechten, maar bij hem ging het extreem.

Medium all 20you 20need 20is 20me 201 20c vpro.jpg

We zien al kort na de opening beelden van een ezel en een doek dat door meerdere jongemannen beschilderd wordt, terwijl muziek, gepraat en gelach klinken en er geconsumeerd wordt. Ernaast staat een kist met een uitgeteerde dode. Dat is diezelfde, maar onherkenbare Aad, die er op zijn 31ste een eind aan maakte. Dat die mensen bij die wake waren, mag een mirakel heten omdat hij, zwaar verslaafd en volstrekt verward, iedereen van zich vervreemd had. Een lange val die begon met de door haar familie bejubelde breuk met Amy en die uitmondde in heftige psychiatrische problemen.

Van der Aar vertelt het verhaal via de levende broers, zelden in beeld, meestal in voice-over. En met een gigantische hoeveelheid beeldmateriaal. Zoals ze ontelbare portretten en zelfportretten maakten, zo filmden ze ook eigen en elkaars leven – de selfietijd avant la lettre. En zo werden ze gefilmd door de cirkel om hen heen – onder wie uiteraard Amy. Dat levert een documentaire op die aanvoelt alsof de onzichtbare en onhoorbare Van der Aar een vierde broer was. Waarom ging het zo gruwelijk mis? ‘Verliefdheid is op zich al een stoornis’, zegt een broer, ‘een verliefde man is eigenlijk geestesziek. Als het niet meer beantwoord wordt komt die in de hel.’ Dat Aad over Amy bleef malen, waar ter wereld hij ook – in navolging van Gauguin op zoek naar zuivere aardse paradijzen – kwam (Suriname bijvoorbeeld), dat is duidelijk. Dat drugs het versterkende werk deden ook. Maar je ziet ook al voor de breuk een fascinatie voor de dood. Die je dan niet helemaal serieus neemt, zoals je ook veel van dat geschilder met enige distantie bekijkt. Althans ik. Een heftig verhaal.

Wim van der Aar, All You Need Is Me, VPRO 2Doc, woensdag 8 juni, NPO 2, 22.55 uur

Beeld: 2Doc All you need is me (VPRO)

Walter van der Kooi


Toneel - Fit to fly & Drie zusters

Achter hem ligt een landschap aan de branding, vol zwemvesten en schelpdieren. Hij staat, keurig in het pak, achter een clean spreekgestoelte. Zijn naam is Sander Vallinga. Hij sluit met een referaat zijn opleiding af tot psychiater. Onderwerp: Fit to fly – overdracht en tegenoverdracht in Narrative Exposure Therapy als onderdeel van de behandeling van het Post Traumatisch Stress Syndroom. Dat is een hele mond vol. Maar er stroomt bloed doorheen. Naast me sist een toeschouwer tussen snor en tanden: ‘Een lezing?! Ik kom hier voor toneel!’ Wel, dat gaat hij krijgen. Meer dan hij vermoedt. De man achter het spreekgestoelte is namelijk Vincent Linthorst, sterk acteur bij het Nationale Toneel. Het referaat loopt vrij snel uit op een vertelling die nog veel sneller een voorstelling wordt. Geschreven en geregisseerd door Casper Vandeputte, senior-junior in het gezelschap van de Residentie, een talentvolle en intelligente toneelmaker. Er ligt anderhalf jaar research aan ten grondslag, verricht samen met journalist Karel Smouter van De Correspondent. En de lezing loopt als voorstelling volledig uit de klauw, tot een ingrijpend drama, met een ingenieuze plot.

Op Oudejaarsavond krijgt Sander Vallinga een ‘spoedje’ op de eerste hulp. Het is een man die geprobeerd heeft zichzelf in de fik te steken. ‘Gharib, zo noem ik hem vanavond, kwam uit een land ten noorden van de evenaar en ten zuiden van de Middellandse Zee. In uiterlijk precies dat, de ontmoeting van de woestijn die achter de Mediterrané ligt en het warme, donkere zwarte Afrika. In dat gezicht blauwe ogen die daar alleen door een mutatie of een slippertje van een kolonisator terecht kunnen zijn gekomen. Gharib. Volgens Google Translate het Arabische woord voor vreemdeling.’ Dit is het begin van een weldadig feitelijk en onontkoombaar ongemakkelijk relaas over een vluchteling met een verhaal, tegenover een dokter die niet over verblijfsvergunningen gaat, maar die de getraumatiseerde mens die daarom komt vragen wel langdurig aan de praat moet zien te krijgen en te houden, waarbij allerhande narigheid boven tafel komt. Sander tegen Gharib: ‘Je praat alsof je het verhaal van iemand anders aan het vertellen bent om iets gedaan te krijgen. Maar er is niks om gedaan te krijgen. Ik lever geen verblijfsvergunningen.’ Gharib tegen Sander: ‘En dan vertel ik de waarheid. En dan is de waarheid niet goed. Dan is hij te snel verteld. Of te vrolijk. Of ik keek niet goed bij de waarheid. Dus ik vertel de waarheid voor de oren van de ander.’

Medium fit tot fly   het nationale toneel   vincent linthorst   fotograaf kurt van der elst 3 1

Het is een razend slimme en scherpe tekst en Vincent Linthorst opent in zijn spel een paar luiken en tuimelramen, die een gedetailleerde inkijk geven in de getroebleerde geest van Gharib, maar ook in het ravijn van menselijke onvolkomenheden waar psychiater Vallinga voortdurend gedwongen wordt in te kijken. De voorstelling Fit to fly (wat zoiets betekent als: de vluchteling is klaar om te worden teruggevlogen naar het land waar hij vandaan komt) is een soort mentale omsingeling, waardoor je als toeschouwer de maatschappelijke crisis van de vluchtelingen gaat voelen, als rugpijn, nekkramp of een tergend slapend onderbeen, als pijn dus. En ik voelde opnieuw, zoals zo vaak, aan mijn water: toneel is ooit onder meer bedacht voor dit soort mentale omsingelingen, voor dit soort zowel cerebrale als zintuiglijke doorspoelingen, die ze in ver van ons afgelegen eeuwen katharsis hebben gedoopt – een zuivering van bijverschijnselen en ruis, om tot de kern van leven en overleven en denken en overpeinzen te komen. Ik kwam gesloopt uit Fit to fly. En ik had geen seconde het idee dat dit een bedrijfsongeval was. Niks daarvan. Dat schoelje van die theatermakers waren daar op uit! Het Nationale Toneel doet er goed aan dit toneelstuk een flinke tijd op het repertoire te houden. Het is echt beter dan een reportage in Nieuwsuur of een opwindende aflevering van het Vragenuur in de Tweede Kamer.

Van een geheel andere orde, een tikje onschuldiger, maar zeker niet minder goed gemaakt is een locatieproject van een ploeg jonge toneelmakers die een paar jaar terug zijn afgestudeerd aan de Amsterdamse Toneelschool. En die nu met hetzelfde toneelstuk zijn teruggekeerd naar dezelfde goddelijke plaats van handeling als toen: de duinen bij de zee. Om kort te gaan: ‘de lichting van 2013’ speelt opnieuw Drie zusters van Anton Tsjechov, in Bergen aan Zee. Sebastiaan Frowijn en Job Römer hebben de vieracter ingeklonken tot anderhalf uur. Hans Man in ’t Veld (1945) en Klemens Patijn (1976) voeren regie. Rondom ‘Het Zeehuis’ (1908), de voormalige vakantie-‘kolonie’ van het Amsterdamse Burgerweeshuis, zijn ze neergestreken. Het verjaardagsfeestje van de jongste zus, Irina, ze wordt hier achttien (in het stuk twintig) is een partijtje in een duinpan, met wodka, taart en ballonnen – een roze exemplaar waait tijdens de try-out die ik zie in zijn uppie door het landschap, locatiewind en zand genereren een schoonheid die niet te regisseren valt en voorbeeldloos vol met cadeautjes zit. De kaarten van het verhaal worden in dit eerste bedrijf gelegd, nog niet geschud. Het is een energiek exposé met stille voorecho’s van wat komen gaat.

Medium de 20drie 20zusters1

Er is daarna een wonderlijk moment in de voorstelling: bij het verlaten van de duinpan lopen we langs de karakters. Alsof de voorstelling ons vertellen wil: kijk nog maar eens goed, nu zijn ze nog energiek, zo gaat u ze niet meer terugzien, het verval komt eraan. Met tekstbordjes wordt vanaf hier aangegeven welke sprongen in de tijd we gaan maken – die lijken langer dan Tsjechov heeft bedacht. De degeneratie van de familie Prozorov, en met name van de broer van de zusjes en zijn bazige kenauvrouw, zet in tijdens de wandeling van de duinpan naar een grasveld, waar het tweede bedrijf plaatsvindt, de eerste botsingen tijdens het carnaval. Daarna belanden we in een ronde binnentuin met een veranda en huisjes, het pronkstuk van de kunstenaarskolonie die ‘Het Zeehuis’ in Bergen aan Zee ook is. Hier wordt de rest van het tweede bedrijf, en het derde (het dorp staat in brand) en het vierde (afscheid) afgewikkeld. Zoals ook het afscheid was ingericht van Gorki’s Zomergasten, dat een jaar geleden op deze zelfde locatie werd gespeeld door de ‘lichting 2015’, in De Groene destijds uitgebreid besproken.

Door de sprongen in de tijd (middels de tekstbordjes met ‘twee jaar later’) wordt het afscheid van Drie zusters schrijnender dan ooit. Er hangt geschiedenis in hun kleren. En dit is op afstand het beroemdste slotbedrijf, het bekendste afscheid in het Tsjechov-repertoire – de militairen die nog een beetje leven in dit rotdorp kwamen blazen (‘Naar Moskou, naar Moskou’ is hier ook de beroemdste samenvatting van het onvervuld verlangen naar verandering), zij gaan nu weg, en ze laten een ruïne achter van troosteloze leegte. Anna Keuning, Eline van Gils en Sophie Höppener spelen de zussen Olga, Masja en Irina werkelijk prachtig. Tim Teunissen en Huib Cluistra zijn sterk als de suffe broer en de nog suffere echtgenoot van Masja. Lilou Dekker is mooi als de bazige Natasja. Job Römer maakt van de inwonende huisarts een stille _Untergang-des-Abendlandes-_drinker, Jonata Taal speelt de wanhopige Baron, die maar niet de liefde weet te winnen van de jongste zus en dat lot draagt met een trieste glimlach. Sebastiaan Frowijn is de beroepsouwehoer en charmeur (de discrete charme van Weltschmerz) Versjinin. De muziek is in handen van Wendy Briggeman, die ook muziek maakt van de uit elkaar vallende huishoudster en van Soljony, de raadselachtige cynicus. Zij heeft een dampkring van fronsvragen rondom die laatste figuur gebouwd, waardoor je naar hem/haar blijft kijken.

Het is kortom goeie, harde nostalgie die je hier krijgt, geen flauwe Tsjechov-weemoed. Gemaakt door tien toneelspelers die er vol in gaan. U heeft nog even om te gaan zien hoe dat uitpakt.

Fit to fly is nog op 2, 3 en 4 juni te zien in het Nationale Toneelgebouw in Den Haag, www.nationaletoneel.nl. De tekst is uitgegeven bij De Nieuwe Toneelbibliotheek.

Drie zusters is nog op 2 en 3 juni te zien om 19.30 uur, op 4 juni om 16.00 uur en 19.30 uur en op 5 juni om 11.00 uur, www.karavaan.nl.

Loek Zonneveld

Beeld: (1) Fit to fly (Kurt Van der Elst); (2) Drie zusters (Sebastiaan Frowijn)