Tips van onze kunstcritici: verdwaald tussen feit en fictie, Toni Erdmann en meer

Onze critici verzorgen wekelijks een selectie uit het kunstaanbod. Deze week: Boudewijn Büch, Toni Erdmann, Dennis van de dierenwinkel.


Film

De jonge Duitse regisseur Maren Ade noemt Andy Kaufman (1949-1984) als haar grote inspiratie tijdens het maken van haar nieuwe film Toni Erdmann. En dat zien we, vooral in scènes waarin tragiek en humor volmaakt in elkaar overvloeien. Wat lang blijft hangen is niet de lach gecreëerd door gekke bekken of bizarre situaties, maar een verontrustend gevoel dat het allemaal geen grap is, maar dodelijke ernst.

Deze stijl heeft Kaufman in de jaren zeventig vervolmaakt met zijn live shows in New York en daarna op televisie in de vorm van Saturday Night Live, The Dave Letterman Show en de sitcom Taxi. Een van zijn mooiste creaties was of is de weerbarstige, talentloze lounge singer Tony Clifton (na Kaufmans dood bleek dat dit personage soms ook door zijn scriptschrijver werd gespeeld).

Tijdens het kijken naar Toni Erdmann moest ik de hele tijd aan Tony Clifton denken: net zoals in het geval van Kaufman/Clifton is de stijl van de humor in Ade’s film deadpan, dat wil zeggen: de grap ligt erin dat de kijker constant onzeker is of er überhaupt iets te lachen valt.

Toni Erdmann gaat over een vader, Winfried (Peter Simonischek), die zijn dochter Ines in Boekarest opzoekt waar ze als consultant werkt voor een bedrijf dat outsourcing voor een oliemaatschappij moet regelen. De vader ziet meteen dat het chique baantje in de zakenwereld zijn dochter van haar menselijkheid heeft beroofd. Door zijn alter ego te spelen, een gladjanus met slechte tanden genaamd Toni Erdmann, probeert Winfried in eerste instantie zijn eigen demonen in toom te houden: eenzaamheid, het ouder worden, het verlangen naar vroeger. Maar tegelijkertijd wil hij zijn dochter een spiegel voorhouden: haar oppervlakkige leven van presentaties geven in mantelpakjes, zakenlunches en als een robot praten in management speak leidt tot geestelijke afstomping.

Ines wordt gespeeld door de uitstekende Sandra Hüller die een paar jaar geleden debuteerde in het schitterende Requiem, over een tienermeisje dat wel of niet door de duivel bezeten is. Haar rol in Toni Erdmann is haar op het lijf geschreven. Ze is een aantrekkelijke vrouw, maar in haar ogen is een zekere kilheid te zien, een gevoelloosheid die volgens haar vader niet rijmt met het vrolijke kind dat hij heeft grootgebracht.

Natuurlijk, ze is volwassen geworden. Maar toch: Ines is Ines niet meer, en slechts Toni Erdmann kan haar nog redden. Dat betekent: valse, naar voren staande tanden in de mond, vieze pruik op en slecht maatpak aan. In die gedaante stalkt de vader zijn dochter, bijvoorbeeld wanneer ze alweer in een hotel afspreekt met wat zakenmannen die ze moet fêteren.

Wanneer Erdmann verschijnt – en Kaufmans Tony Clifton voor het geestesoog komt – gruwt Ines aanvankelijk, maar al gauw speelt ze het spel mee. Regisseur Ade zegt het niet zo direct, maar de implicatie is dat Ines haar vader simpelweg gewend is. Dit is hoe hij altijd al is geweest: een man voor wie de werkelijkheid op een onaanvaardbare wijze vulgair en fantasieloos is.

De enige manier om dit levenloze bestaan te bevechten is niet slapstick of stand-up of cabaret of iets wat doorgaat voor ‘satire’, maar met datgene wat tot stand komt in het grijze gebied tussen hilariteit en ernst. Twijfel dus, en vertwijfeling. En in het magistrale Toni Erdmann zien we hoe heilzaam en volledig bevrijdend het droogkomische kan zijn.

Nu in de bios

Gawie Keyser


Televisie

De komende documentaire over Boudewijn Büch heeft de logische ondertitel ‘Verdwaald tussen feit en fictie’: hij was kampioen fabuleren. Zo schreef hij een roman die bestseller werd en waarvan hij het fundament (de dood van het zoontje van hoofdpersoon Boudewijn) voor autobiografisch liet doorgaan, ook tegenover intimi. Ach, daar ben je schrijver voor: te vaak gaat het bij romans over het ‘waar gebeurd’-gehalte en te weinig over het boek – zeker op de televisie. Maar je laten bewenen om een gestorven kind dat springlevend en niet jóuw kind is – dat gaat misschien wat ver. Verbluffend trouwens dat Eva De Rover, bezig met Büchs biografie en gids in de film, in gesprek met de man op wie ‘de kleine blonde dood’ gebaseerd is, toch nog probeert Büchs vaderschap als mogelijkheid overeind te houden. Ze zal behoren tot degenen die positief gefascineerd waren door ‘het verschijnsel BB’ – iets dat mij nooit is gegeven. We zien fans bij zijn uitvaart. Een vrouw: ‘Hij wist het hoogdrempelige laagdrempelig te maken.’ Daarmee verwoordde ze zonder twijfel precies de opvatting van de Vara die hem in allerlei formats ruim baan gaf, en die van de CPNB. Want hij propageerde enthousiast en met veel lawaai het lezen van boeken. Verdienstelijke beschavingsarbeid waarschijnlijk, maar ik kon slecht tegen zijn stijl en de oppervlakkigheid van zijn waardeoordelen.

Al gauw zien we ook het opzienbarende kusje dat hij drukte op het dodenmasker van Goethe, met Mick Jagger zijn grootste held. Maar in de reeks(!) die hij over het Weimarse genie maakte vestigde hij het wereldrecord ‘schrijversportret dat op geen enkele manier over het oeuvre gaat’. Anekdotes, faits divers en de eigen liefde voor het object vormen de kern. Laagdrempelig maar inhoudsloos.

Overigens gaat de documentaire niet over zijn twee ambachten: schrijven en presenteren. Wel over zijn ongrijpbare seksuele identiteit, en zijn relaties en vriendschappen, voorzover hij daartoe in staat was. Büch had en heeft bewonderaars en haters; daar zit weinig tussenin. De film geeft beide groepen wat wils. Conclusie van De Rover: ‘De feiten kloppen niet, maar het gevoel klopt wel.’ Wat me bij een verzonnen dood kind toch wat curieus voorkomt. ‘Het was geen aardige man’, zegt een getuige, al bij begin. Nee. Maar wel ging ik mededogen voelen. Een man, zo beschadigd en worstelend. Los daarvan zou ik makers, producenten, omroepen en fondsen willen verzoeken een periode van minstens tien jaar geen muziek van Arvo Pärt onder hun beelden te zetten. En als dat te veel gevraagd is, dan niet weer Spiegel im Spiegel. Ook meesterwerken kunnen tot cliché gemaakt.

Leo de Boer, Boudewijn Büch: Verdwaald tussen feit en fictie, NTR Het uur van de wolf, maandag 14 november, NPO 2, 21.00 uur

Maandag was in EYE de feestelijke première van een nieuwe tv-serie. Voortreffelijke locatie omdat het prachtgebouw allure geeft die past bij de kwaliteit van Schuldig (Human) en omdat de arena van die zesdelige documentaire ook in Amsterdam-Noord ligt. Maar de tegenstelling tussen de ‘rijke’ filmtempel en de armoe van de Vogelbuurt is groot. Het wijkje is een armoe- en schuldeneiland. De camera zoomt in op wanbetalers, hulpverleners, schuldeisers, ambtenaren, deurwaarder. Zoiets is alleen maar te maken door filmers die groot vertrouwen genieten bij de zwakste partij in deze ketting: zij die zijn aangewezen op Voedselbank en andere vormen van hulp, bij voorbeeld die van vaak even armlastige familie. Regisseurs Sarah Sylbing en Esther Gould kennen problematiek, buurt en bewoners al lang, en maakten eerder films over sociale onderwerpen, waaronder De rekening van Catelijne over een probleemgezin in de Vogelbuurt. Veel dichter bij mensen aan de onderkant – hun zich vaak opstapelende sores, maar ook hun hoop en soms veerkracht – kun je niet komen.

Medium waltertv

Ik zag de eerste aflevering, waarin Dennis van de dierenwinkel (tegelijk praathonk) tobt met afnemende klandizie en omzet door supermarkt en internet; vrolijke Carmelita op haar scootmobiel voor zes maanden toegelaten wordt tot de Voedselbank, die streng selecteert (wie 180 euro per maand of meer ter beschikking heeft na aftrek van vaste lasten komt niet in aanmerking; Carmelita houdt maar 56 over); Ditte, na een jetsetbestaan op Ibiza maar door ziekte teruggeworpen, creatief probeert snippers van dat vorige leven overeind te houden; en Ramona en Ron met hun twee kinderen en Rons zieke moeder door gemeente met deurwaarder uit huis worden gezet en hun intrek moeten nemen bij Ramona’s moeder, die al een dochter met kind onderdak biedt. Vooral die laatste casus is bar en boos en je waant je in het Londen van Dickens. Maar je begrijpt ook dat er een eindeloze serie van waarschuwingen en handreikingen aan is voorafgegaan, die Ramona voor Ron verborgen hield. Er is dus een grens aan lankmoedigheid en iemand moet het doen, maar hulpverleners en sommige politici beseffen dat een harde aanpak de sociale problematiek en de maatschappelijke kosten alleen maar vergroot.

Het is complexe materie en ‘eigen schuld dikke bult’ is een armzalige analyse. Hulpverlener Paul neemt dan ook elke cliënt en elk probleem volledig serieus en zoekt (en vindt vaak) oplossingen. Als een boekhouder achter zijn bureau hoort hij aan, analyseert en zorgt dat wie drie dagen niet te eten had dat krijgt en dat wie twaalf jaar door haar man geslagen is dat niet meer zal overkomen. Of dat altijd lukt weet ik niet, maar het is intentie en wapenspreuk. En indrukwekkend. Persoonlijk zorgt hij ervoor dat het dochtertje van een cliënte op het punt van instorten de volgende dag een verjaardagstaart krijgt. Sterke televisie over een zwakke onderkant.

Sarah Sylbing, Ester Gould, Schuldig, Human, zes delen vanaf maandag 14 november, NPO 1, 22.00 uur

Walter van der Kooi


Beeld: (1) Schuldig (twitter.com/estergould); (2)