KUNST: Peter de Grote

Tirannie

Een tentoonstelling over Peter de Grote is in Nederland een inkoppertje. Wij vreten het, dat verhaal van die jonge vorst die de wereld bereist, technologie inkoopt, vaklui rekruteert, alles om zijn land uit de stupor van de donkere Middeleeuwen te trekken. Een eenvoudige man ook, die met vorsten en burgemeesters gewoon ‘op zijn timmermans’ sprak, een kerel met ‘ijzeren wil, energie en voortvarende aanpak.’

De tentoonstelling in de Hermitage in Amsterdam kleurt het allemaal voorbeeldig in, vlaggen, vaandels, portretten, kostbaarheden, baby’s op sterk water, jassen en wambuizen, een modelletje van dat huisje in Zaandam, veel derderangs portretten, een Rembrandt. Weinig nieuws, eigenlijk.

Waarom is die historie zo populair? Omdat ‘wij’ ons al driehonderd jaar als kinderen gevleid voelen door Peters kennelijke belangstelling voor de Nederlanden. Zijn mythe sluit aan op die van ons: dat ónze bloei en grootsheid (en daarmee de zijne) gebaseerd waren op egalitaire soberheid, het zeegat uit, de spa in de grond, de handen uit de mouwen. Dat Peter de Grote tijdens zijn leven de reputatie had van een ongelooflijk botte kinkel, dat vinden wij alleen maar leuk – zie onze minister De Jager in het Brusselse euro-overleg. De tentoonstellingsteksten op zaal hebben dan ook een romantische, bijna jongensachtige toon. De jonge tsaar ziet de zee ‘en is op slag verliefd’, Van Brants was zijn ‘boezemvriend’, hij heeft ‘eerlijk eelt op de handen’ en als hij dood gaat wordt gelukkig ‘het Rusland van Peter gered!’ En natúúrlijk is het ontwerp van St. Petersburg geheel en al bepaald door het Amsterdamse voorbeeld, ook al is er op z’n best een oppervlakkige gelijkenis.

Een dikke honderd jaar later beschreef Astolphe de Custine (in La Russie en 1839) het door Peter zo voortvarend gemoderniseerde Rusland als een staat van permanente despotische tirannie, een natie van doofstommen, ‘bedwelmd door slavernij’: ‘Een tovenaar had zestig miljoen mensen in automaten veranderd.’ Custine raakte daarmee aan de mythe van de inherente passiviteit van de Rus die in deze presentatie ook een rol speelt. In de tentoonstelling wordt Peter voorgesteld als iemand die met die lethargie wilde afrekenen. Vooruit, zou het dan niet een idee zijn om eens te laten zien wat die modernisering eigenlijk bracht? Ja, de ouwe hap aan het hof moest zijn baard afscheren en een Europese jas aantrekken, heel geestig. Maar Peters moderniseringen bevrijdden de Russen niet van een donkere middeleeuwse tirannie: de tiran trok gewoon óók een nieuwe jas aan. Wat Peter daarna allemaal bracht, de militarisering van het overheidsapparaat, het knechten van de kerk, de introductie van een handiger alfabet, het monopolie op de drukpers, de scheepsbouw, de oorlogsindustrie, het waren eerst en vooral middelen om de macht van de tsaar verder te vergroten. De missie van Peter in Europa was de missie van een opportunistische despoot, niet van een verlichte geest, en de Amsterdammers begrepen haarfijn dat ze met een paar cadeautjes en een stukje vuurwerk kolossale contracten in de wacht konden slepen. Waarom blijft zo’n tentoonstelling daar nou volledig schtum over?

Aan het begin staat op de wand een kras citaat afgedrukt: ‘Ik weet dat ze me wreed en een folteraar noemen, maar dat zijn gelukkig alleen maar buitenlanders…’ Binnenkort komt het huidige Russische staatshoofd op bezoek. Die mag zich ook graag tonen als een man van ijzeren wil, energie en voortvarende aanpak. Het citaat had van hem kunnen zijn.


Peter de Grote, een bevlogen tsaar.
De Hermitage, Amsterdam, t/m 13 september. hermitage.nl