Kritiek op doorrekening verkiezingsprogramma

Tirannie van de haalbaarheid

‘SP kost banen’, kopte de Telegraaf _vanochtend met dreigende koeienletters. ‘CPB-cijfers slecht nieuws PvdA’, meldde _NRC gisteren op de voorpagina. Al in 2006 vroeg Koen Haegens voor De Groene: hoe betrouwbaar zijn de oordelen van het CPB zelf eigenlijk?

De VVD noemt zich sinds gisteren ‘banenkampioen’, D66 'onderwijskampioen’ en de SP is 'koopkrachtkampioen’. Met haar woensdag gepresenteerde doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s heeft het CPB de rapportcijfers uitgedeeld. Veel blije gezichten, want elke partij probeert zichzelf als winnaar te presenteren. Maar er waren ook onvoldoendes. Zo menen de rekenmeesters van het CPB dat de plannen van de PvdA economische groei kosten en die van de SP banen.

Daarmee doet het in 1947 officieel ingestelde Centraal Planbureau (CPB) wat het moet doen. De in internationaal opzicht unieke praktijk van het doorrekenen van verkiezingsprogramma’s heeft als groot voordeel dat loze beloften en irreële veronderstellingen worden doorgeprikt. Toch liggen het planbureau en zijn ‘verkiezingskeurmerk’ met de regelmaat van de klok onder vuur, en niet van de minsten. In een interview met deze krant gaf PvdA-leider Wouter Bos eind 2003 aan wel iets te voelen voor afschaffing: ‘De doorrekening is statistisch irrelevant, wordt ingehaald door de actualiteit en leidt af van de grote onderliggende keuzes, van waar je naartoe wilt met de samenleving.’ In maart 2002 merkte toenmalig voorzitter Jacques Schraven van werkgeversorganisatie VNO-NCW op dat ‘als het CPB in 1944 de landing in Normandië had moeten doorrekenen, dan lagen die boten nu nog voor de kust’.

Alle kritiek ten SPijt heeft het CPB deze verkiezingen meer klandizie dan ooit. Vrijwel alle partijen, van links tot rechts, laten hun programma doorrekenen. De vervroeging van de verkiezingen draagt verder bij aan de hectische sfeer op het kantoor aan de Haagse Van Stolkweg. Een krappe maand voor de presentatie van de doorrekening zijn ‘alle verloven ingetrokken’, meldt een gehaaste directiesecretaris Jacqueline Timmerhuis. Ze geeft graag even uitleg over hoe het doorrekenen in het algemeen verloopt. Maar concrete voorbeelden, daar wil ze niet aan: ‘Het ligt allemaal zo gevoelig. Alle partijen zitten ons met argusogen te bekijken.’

Het toont het belang van de toets. Wie daar niet aan meedoet, is bij voorbaat gediskwalificeerd in de verkiezingsstrijd. Wie er ook maar op enkele punten niet goed uitkomt, zal daar de komende maanden te pas en te onpas mee om de oren geslagen worden. De doorrekening gaat dan ook niet over één dag ijs. Er vindt veelvuldig overleg plaats tussen het planbureau en de partijen. Het eerste wat de CPB-medewerkers met de ingediende verkiezingsprogramma’s doen, is kijken of de voorgestelde maatregelen duidelijk en concreet genoeg zijn. ‘Vaak is dat niet het geval’, legt Timmerhuis uit. ‘Dan zegt een partij meer uit te willen geven aan onderwijs. Maar hoe? Betekent dat meer computers, kleinere klassen of iets anders? Het is ook wel eens voorgekomen dat een partij vele malen meer wilde bezuinigen op een bepaalde regeling dan überhaupt voor die regeling was begroot.’ Als alles helder is, gaat het planbureau met behulp van zijn modellen uitrekenen wat de effecten zijn van de voorgestelde maatregelen op bijvoorbeeld de koopkracht of de overheidsfinanciën. Ook naar aanleiding van die voorlopige resultaten vindt weer overleg plaats. Partijen mogen gedurende al die tijd nog programmapunten veranderen, zegt Timmerhuis: ‘Niet dat dat veel voorkomt, maar het gebeurt wel eens.’ Ten slotte worden alle bevindingen bij elkaar gezet en op 26 oktober gepresenteerd in een persconferentie. Dan kan meteen het Grote Interpreteren beginnen: elke partij zal haar resultaten uitleggen als de beste.

Critici noemen het doorrekenproces een vorm van koehandel. Partijen zouden precies weten met welke financiële trucs ze een gunstiger resultaat uit de computer kunnen laten rollen. Loonkosten bijvoorbeeld zouden in de CPB-modellen zo bepalend zijn voor de werkgelegenheid dat iedere maatregel die ook maar de schijn wekt deze te verhogen taboe is. Het omgekeerde gebeurt ook: het CPB zou in het verleden onder druk van politieke partijen meermalen zijn modellen hebben aanpast. Sowieso wordt de onafhankelijkheid van het bureau van tijd tot tijd in twijfel getrokken. Voormalig topambtenaar en econoom Sweder van Wijnbergen stelde in een uitzending van Twee Vandaag zelfs dat het CPB, officieel onderdeel van het ministerie van Economische Zaken, door de regering gebruikt wordt als ‘een stok om alle discussie mee dood te slaan’. De vroegere LPF-minister en CPB-criticaster Eduard Bomhoff beweerde in zijn boek Blinde ambitie dat toenmalig directeur Henk Don onder druk van de VVD een cijfertje in de CPB-voorspellingen veranderde.

Timmerhuis wil niet weten van politieke beïnvloeding: ‘Het wordt regelmatig geprobeerd, maar ik durf met mijn hand op het hart te zeggen dat dat niet gebeurt. Onder politieke druk wijzigen wij nooit iets. Maar als mensen met goede argumenten komen – en dat kunnen ook medewerkers van politieke partijen zijn – dan zijn wij natuurlijk wel bereid aanpassingen te verrichten.’

Dat laatste kan GroenLinks-kamerlid en financieel specialist Kees Vendrik bevestigen. Als ‘jong jongetje’ was hij in 1994 betrokken bij de eerste doorrekening van een GroenLinks-programma: ‘Wat mij opviel was dat het CPB zo ontvankelijk was voor kritiek. Het ging toen over deeltijdarbeid, daar kon het planbureau niets mee. Ik was prettig verrast over de open mind die ze daarvoor hadden.’

Vendrik heeft weliswaar kritiek op sommige aannames die ten grondslag liggen aan de rekenmodellen van het CPB, maar dat vindt hij ‘vooral een debat onder economen’. Hij heeft meer problemen met de zogeheten ‘institutionele analyses’ die het CPB de laatste tien jaar steeds vaker maakt, van zaken als sociale zekerheid of infrastructuur. Vendrik: ‘Neem nu de WAO. Het CPB heeft daar rond 2002 wat aan gecijferd. Diezelfde berekeningen zag ik toen terug bij de beoordeling van de verkiezingsprogramma’s. Dat terwijl het CPB uitging van een aantal aannames waarvan ik zeg: daar zou ik nog wel eens een robbertje om willen vechten.’

Misschien nog wel belangrijker dan de economische juistheid van het gereken van het CPB zijn de gevolgen hiervan voor het politieke debat. Het planbureau betracht strikte neutraliteit. Al dragen uitlatingen als die van oud-directeur Henk Don, die zich in een afscheidsinterview met NRC Handelsblad positief uitliet over de daadkracht van dit kabinet op het vlak van sociaal-economische hervormingen, niet bij aan dat beeld. De analyse van de verkiezingsprogramma’s maakt volgens het CPB slechts duidelijk waarop de verschillende partijen de nadruk willen leggen – werkgelegenheid, milieu, collectieve voorzieningen – en op welke terreinen zij een mindere score voor lief nemen. Het planbureau probeert zo de trade-offs inzichtelijk te maken, legt Timmerhuis uit: ‘Kiezers kunnen dan een afweging maken, tussen meer economische groei en een grotere inkomensgelijkheid, bijvoorbeeld.’

Het beeld doemt op van de politiek als een supermarkt met verschillende merken, waaruit de burger mag kiezen. Wordt het prijs of kwaliteit, of toch maar die superaanbieding van de SP: ‘Een beter Nederland voor hetzelfde geld’? Het is echter maar de vraag of bijvoorbeeld hogere uitkeringen automatisch ten koste gaan van economische groei. Wat als het de overtuiging is van een partij dat het stimuleren van de binnenlandse vraag door goede sociale voorzieningen juist wel gunstig is voor de economie? Het CPB trekt op deze manier de lijnen waarbinnen de discussie over het sociaal-economische beleid moet worden gevoerd. Soms gebeurt dat impliciet, door het vooraf vaststellen van de mogelijke afwegingen. Soms gaat het ook expliciet, als het planbureau bepaalt dat een plan niet mogelijk of haalbaar is. Een partij kan dat punt dan beter alsnog uit het programma halen, wil zij gunstig uit de bus komen. Timmerhuis: ‘Als een partij bijvoorbeeld zegt dat we vanaf dit jaar niets meer aan de Europese Unie gaan betalen, kan dat niet. Nederland zit vast aan bepaalde afraken, dat is dus niet praktisch haalbaar.’

De één zal dit gezonde realiteitszin noemen, voor een ander is het de tirannie van de haalbaarheid. Sommige plannen mogen weliswaar niet stroken met het huidige dominante denken onder economen of politici, maar horen verkiezingen niet juist te gaan over ideeën, fundamentele keuzes en ideologie? Het is uiteindelijk aan de kiezer en aan niemand anders om te bepalen wat hij of zij haalbaar vindt.

Een concreet alternatief is echter niet direct voorhanden. Vendrik pleit al jarenlang voor een concurrerend Universitair Planbureau, vanuit de economische faculteiten: ‘Die concurrentie is belangrijk. Neem nu de vergrijzing; studies daarnaar zijn heel gevoelig voor aannames.’ Voorlopig lijkt van die competitie echter nog niets terecht te komen. Bomhoff probeerde het met Nyfer. Tevergeefs: het aan de universiteit Nyenrode gelieerde instituut bleek doorgaans even goed én slecht te voorspellen als het planbureau.

En al is hij een criticaster van het CPB, PvdA-kamerlid Diederik Samsom betwijfelt dan ook of een alternatief instituut de oplossing is: ‘Het zou het CPB kunnen prikkelen, maar het gevolg is wel twee doorrekeningen van al die partijprogramma’s. Dan wordt de chaos alleen maar groter.’ Samsom beschouwt het planbureau ook niet als hoofdschuldige aan het doorrekencircus. ‘Dat kun je het CPB niet verwijten. Zij zijn altijd de eersten om toe te geven dat hun berekeningen niet zaligmakend zijn. Maar politici en de media zouden de kritiek meer ter harte kunnen nemen. Die doorrekening van de verkiezingsprogramma’s wordt te veel verabsoluteerd.’

Daarmee legt Samsom de vinger op de zere plek. Velen in Den Haag zijn niet gelukkig met de dominante rol die de doorrekening is gaan spelen in de verkiezingsstrijd. Maar als puntje bij paaltje komt, moeten ze allemaal meedoen. Ook Samsoms partijleider Bos liet in de aanloop naar de vorige verkiezingen zien dat hij gevangen zit in de door hemzelf gekritiseerde logica. Begin 2003 rolde hij met Balkenende over straat over de kosten van de verkiezingsprogramma’s. Voor de televisie nodigde de aanstaande premier zijn tegenstander uit om direct na het weekend samen naar het CPB te gaan. De rekenmeester moest uitsluitsel bieden. Die maandagochtend mocht een beteuterde Balkenende – Bos stond in de file – na een onderhoud met de directeur uitleggen dat het planbureau toch echt geen trek had om op zo’n korte termijn met cijfers te gaan goochelen. De kemphanen moesten het zelf maar uitzoeken. Dat zou wel wat vaker gezegd mogen worden.


Op 27 augustus 2012 zijn de eerste alinea’s van bovenstaand artikel bijgewerkt om recht te doen aan actuele ontwikkelingen.