Arnon Grunberg

Tirza

Voelen is geen morele verplichting, schrijft Arnon Grunberg deze week bij monde van een van zijn alter ego’s, de wekelijkse columnist Yasha in de VPRO Gids.

Medium 01949514

Het zou een uitspraak kunnen zijn van Jörgen Hofmeester, de tragische antiheld in Tirza, de man die zowel thuis als op zijn werk overbodig wordt verklaard en bij alle rampspoed niet meer aan voelen toekomt. ‘Gevoelens, het is een woord waarbij hij even stil blijft staan als bij een attractie langs de weg.’

Tirza (2006) van Arnon Grunberg is volgens de literaire kenners van Nederland de belangrijkste roman van de 21ste eeuw. Een opvallende uitslag, en toch ook weer niet. Om met dat laatste te beginnen: al jarenlang is het duidelijk dat als Grunberg een nieuwe roman publiceert zijn collega’s hun kansen om in aanmerking te komen voor een literaire prijs aanzienlijk zien dalen. Zou dat de reden zijn dat hij nogal eens verwikkeld raakt in schimmige vetes en kinderachtige ruzies? Een van de respondenten van de enquête weet het wel: 'Ik geloof dat heel wat collega-schrijvers Grunberg niet kunnen zetten omdat hij volstrekt eigenzinnig, eigenlijk als een soort hippie après la lettre leeft en schrijft.’

Tegenover het niet-kunnen-zetten staat een hoop bewondering. Werd er ten tijde van zijn debuut Blauwe maandagen (1994) in recensies nog wel eens gemord over zijn vermeende wijdlopigheid, met de jaren groeide het respect voor de jonge Nederlandse schrijver die zich meteen ook tot een van de productiefste schrijvers ontwikkelde. Zijn werk wordt niet alleen hogelijk literair gewaardeerd, maar ook in brede kring gelezen. Anders dan sommige andere schrijvers die uit de enquête naar voren komen, is Grunberg niet alleen een writer’s writer, maar ook nog eens een reader’s writer.

Hij is met zijn 39 jaren nog immer jong, hij is ongrijpbaar, provocerend, alomtegenwoordig, gaat er steeds beter uitzien en is - om het grote woord maar te gebruiken - briljant. 'Het almaar groter wordende wonderkind’ wordt hij door een van de geënquêteerden genoemd. Om eraan toe te voegen: 'Hij lost een belofte in die in de jaren zeventig en tachtig grotendeels bleef liggen.’

Waarom het wél een opvallende uitslag is, is dat hij een lijst aanvoert die overwegend gevuld is met buitenlandse schrijvers. Wij vinden Grunberg kennelijk beter dan Ian McEwan, Cormac McCarthy, Philip Roth, al is het een beetje gechargeerd om dat zo te zeggen. Het zal eerder ongeveer zo zitten: hij is de enige Nederlandse schrijver die zich in onze ogen kan meten met een internationaal gezelschap, en is alleen al om die reden een absolute uitschieter. In de woorden van een van de respondenten op de enquête: 'Na Arnon Grunberg komt er heel lang niks als het gaat om een romanesk commentaar op onze tijd. We denken klein. We zitten in onszelf opgesloten. We weten niet waar we het zoeken moeten. Maar gek genoeg schrijft hier bijna niemand over die radeloosheid.’ Een andere respondent noemt Grunberg eveneens als enige Nederlandse schrijver die commentaar levert op het tijdsgewricht waarin we ons bevinden, en die zijn hoofdpersonage laat bezwijken onder de druk van de hedendaagse wereld.

Grunbergs thematiek is inderdaad onbegrensd, met evenveel gemak situeert hij zijn romans in Amsterdam-Zuid als in Wenen, of in het Midden-Oosten. Grote maatschappelijke ellende, klein sadistisch relationeel leed en vrolijke schelmenavonturen: hij zet het allemaal naar zijn eigen hand. De internationale allure die hij uitstraalt wordt nog vergroot door het feit dat hij Nederland fysiek al lang ontvlucht is. Vrijwel onmiddellijk na zijn debuut verhuisde Grunberg naar New York, en als hij weer eens bij een prijsuitreiking wordt verwacht, blijkt hij net op weg naar Irak, of kan er alleen even gebeld worden vanuit een taxi in Bogotá. Dat je hem niet snel tegen zult komen in de kroeg, noch zult zien als vaste tafelgast in een van de praatprogramma’s, verhoogt de mystieke waarde van zijn schrijverschap.

Tirza neemt een opvallende plaats in in het oeuvre van Grunberg, omdat het een voor zijn doen tamelijk conventionele, sombere roman is die zich heel traag en precies, met minder uitweidingen en minder hilarische scènes ook, ontwikkelt. Het is een klassiek getoonzet drama, opgebouwd in drie delen, over een man in crisis, misschien wel dé man in crisis, die tegen de tijd dat hij de zestig nadert langzaam overal uitgerangeerd is geraakt. Hij is werkzaam als redacteur vertaalde fictie bij een gerenommeerde literaire uitgeverij, gehuisvest in een statig pand aan de gracht, en krijgt op een dag te horen dat hij nog nooit een auteur van betekenis heeft ontdekt. Het is te duur om hem te ontslaan, maar werk is er ook niet meer voor hem, dus hij wordt op non-actief gesteld. Om dit te verbloemen voor zijn gezin gaat hij in plaats van naar zijn werk iedere dag met een gevulde aktetas naar Schiphol, en zwaait willekeurig reizigers uit. Zijn vrouw raakt in de ban van een vroegere jeugdliefde en verlaat hem om op een woonboot te gaan wonen. Zijn dure woning aan de Van Eeghenstraat in Amsterdam-Zuid kan hij alleen behouden door een verdieping te verhuren, wat hem op een maandelijkse vernederende gang naar boven komt te staan om de huur te innen. Als hij dit taakje opgelucht aan zijn oudste dochter afstaat, blijkt haar lichaam op zeker moment in de ogen van de huurder bij de prijs in te zitten. Althans: zo interpreteert hij het tafereel dat zich voor zijn ogen afspeelt als hij een keer gaat kijken waar zijn dochter toch blijft. Ander saillant gegeven in dit verband: alle zorgvuldig opzij gezette huurgelden, belegd in een modieus hedge fund, blijken zomaar van het ene op het andere jaar verdwenen. Ver voor de kredietcrisis schilderde Grunberg een slachtoffer van zoiets onbeheersbaars als 'de wereldeconomie’.

We treffen Hofmeester in het eerste deel overigens tijdens de nauwgezette voorbereidingen die hij treft om het eindexamenfeest van zijn jongste dochter Tirza, zijn zonnekoningin, te doen slagen, en krijgen langzaam aan de hand van vele flashbacks het zicht op dit moeilijke leven van een allengs neurotischer wordende man. Een man ook die het flink op een zuipen kan zetten en zichzelf in de meest onverkwikkelijke situaties manoeuvreert, bijvoorbeeld door zich op de avond van het feest in het schuurtje te vergrijpen aan een klasgenote van zijn dochter. En zich dan ook nog met de broek op de knieën te laten betrappen door zijn dochter en een lerares. De ontrouwe echtgenote is een paar weken vóór het feest teruggekeerd op het oude nest, en hoewel hij van haar walgt en haar min of meer is gaan haten, is hij niet in staat haar de deur te wijzen. De obsessieve liefde voor zijn dochter, die sinds kort een vriendje heeft met een buitenlandse achtergrond in wie hij Mohammed Atta meent te herkennen, gaat definitief met hem op de loop als hij beiden weg wil brengen naar Frankfurt, waarvandaan ze naar Namibië zullen vliegen. In het slotdeel is Hofmeester in Namibië op zoek naar zijn dochter. De zwerftocht die hij onderneemt, met aan zijn hand het opgedrongen gezelschap van de negenjarige Kaisa ('Do you want company, sir?’), en die hem uiteindelijk de zo verlangde verdwijning zou moeten opleveren in de woestijn, behoort tot het aangrijpendste dat Grunberg ooit geschreven heeft. Eventjes is het helemaal afgelopen met de wisecracks, de oneliners, de spitsvondigheden waarmee een man zich een leven lang teweer kan stellen tegen de vernederingen van alledag. 'Ik twijfel’, legt Hofmeester uit aan zijn laatste gesprekspartner, het Namibische kind. 'Ik twijfel steeds meer. Ik bedoel: wat er is gebeurd en wat er niet is gebeurd.’ Voor de lezer is het tegen die tijd langzaam maar al te duidelijk geworden wat er is gebeurd, met Tirza en haar 'Mohammed’.

Bijna vier jaar na verschijning leeft Tirza nog volop. Niet alleen als boek, maar ook is er een toneelstuk naar gemaakt, en de roman wordt verfilmd. Hemeltergend, verontrustend, vlijmscherp; het zijn enkele van de superlatieven die over elkaar heen buitelen in de antwoorden van de respondenten die Tirza als belangrijkste roman naar voren schuiven. 'Zelden werd het menselijk onvermogen hemeltergender beschreven in een Hollandse roman.’

'Een vlijmscherp démasqué van een angstvallige burgerman wiens leven achter een façade van succes langzaam maar zeker voor onze ogen uit elkaar valt.’

'Een verontrustende roman waarin de schrijver ons meer dan ooit een spiegel voorhoudt. Ecce homo, zie de mens, lijkt hij te zeggen. In het bijzonder de zelfgenoegzame westerse mens die veel van zijn zekerheden heeft zien verdampen en in al z'n angstvalligheid en vertwijfeling het kwaad van buiten vreest, zonder te zien hoezeer het ook in onszelf schuilt.’

'Een boek dat bij de lezer ontzag, herkenning, afschuw, instemming en hilariteit oproept. In de beste passages zelfs tegelijkertijd.’

'De meest volwassen Grunberg so far, en daardoor des te verwoestender.’

Voorwaar een rondje zelfkastijding, dat leesgenot kennelijk niet in de weg staat. Waarom literatuur lezen als je er niet gelukkig van wordt, vraagt Grunberg zich hardop af in een van zijn recente blogs op zijn website. Om iets verderop het antwoord op deze vraag te verplaatsen naar de leveranciers van al dit ongeluk: 'Er moet een reden voor zijn dat de klassieken ons meer vertellen over ongeluk en lijden, dan over joie de vivre.’

Welke reden het ook is, ze gaat net zo hard op voor zijn eigen werk, zo blijkt uit deze uitverkiezing van Tirza als belangrijkste roman van de 21ste eeuw.


Beeld: (Guus Dubbelman / HH)