To be continued!

‘GENEESKUNDE IS cosmetica’, legt een arts in The Kingdom II uit aan een collega. ‘We doen ziekten er alleen minder erg uitzien.’

Was het maar waar. Even later opereert hij een minister en de patiënt komt kraaiend van seniliteit bij uit de narcose.
Waarom boezemen ziekenhuizen ons toch zo'n angst in? We zijn bang voor ziekte en dood, maar dit verklaart niets. In een ziekenhuis probeert men mensen juist te behoeden voor ziekten en de dood. Blundert de gezondheidszorg soms meer dan andere beroepsgroepen? Nee, al zijn de gevolgen er directer en zichtbaarder (om niet te zeggen: voelbaarder). Zijn artsen dan per saldo incompetentere of slechtere mensen dan advocaten of beurshandelaren? Ook niet. Waarom dan al die indianenverhalen over de gezondheidszorg en haar miskleunen?
Patiënten geven nogal eens aan dat veel buiten hen om gaat. Ze verdenken artsen van geheimschrijverij. En wat dan nog? We gaan zonder vragen te stellen elke dag de snelweg op in een levensgevaarlijk apparaat dat we auto noemen. Hoe het ding precies werkt, weten maar weinigen. Het interesseert ons niet, zolang hij ons maar brengt waar we willen. Stapt men een ziekenhuis binnen dan zou een patiënt ineens het naadje van de kous willen weten? Ook hier zou men het adagium kunnen huldigen dat het doel voorop staat: als je er maar weer gezond uitkomt.
De patiënt zijn complete medische toestand uit de doeken doen, betekent bovendien hem zowat een medische opleiding geven. Tegen die tijd is de patiënt overleden. Dus verschaft een arts vaak het halve verhaal. Een half verhaal is natuurlijk geen verhaal. Dat schiet niet op. Op zijn best neemt een patiënt er genoegen mee, gerustgesteld als hij is door een uitleg die hem geloofwaardig in de oren klinkt zonder dat hij er de essentie van begrijpt. En daar gaat het ook om: vertrouwen. Een mens hoeft niet te weten hoe een auto werkt om er gebruik van te kunnen maken. Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorg.
De hoofdreden voor angst bij de patiënt is dan ook niet het gebrek aan informatie maar het gebrek aan vertrouwen. Terwijl mensen er geen punt van maken om dagelijks met een dodelijke snelheid van 120 kilometer per uur over een weg te razen, doen ze het ineens in hun broek als ze hun cholesterol moeten laten prikken.
Het sleutelwoord is hier controleverlies. In een auto houden we een stuur vast en hebben we de illusie van autonomie. Hoewel iedere tegenligger die eveneens met 120 kilometer per uur op ons afraast een dronken automobilist kan zijn bij wie het stuur heel wat minder autonoom in de handen ligt, sussen we ons met een gevoel van zelfbeschikking. Essentieel aan een medische behandeling is dat men zich meer dan men lief is uitlevert aan de expertise van een ander, een arts. Dat is zeer bedreigend, zeker voor de westerse mens die denkt dat hij de natuur zo'n beetje meester is geworden. Maar niets is uiteraard minder waar: dood gaan zullen we, en ziek worden we ook nog steeds op zijn tijd.
De angst voor ziekenhuizen is irrationeel. Ze gaat terug op een even primitieve als fundamentele angst: het verlies van beschikking over het eigen lot. Angst scherpt de waarneming en irrationaliteit is haar brandstof. Het opmerkelijke is, de gemiddelde ziekenhuispatiënt vindt in feite weinig harde argumenten om zijn angst te voeden. Hij wordt omringd door een enorm apparaat van personeel, onderzoek en medische instrumenten. Het vormt geen garantie voor genezing, maar dat men zijn best doet staat buiten kijf, hoe ongeïnteresseerd men nu en dan ook lijkt. Waar de door angst aangescherpte waarneming geen observaties van belang doet en bange voorgevoelens niet worden gestaafd, daar baant ze zich een uitweg middels de fantasie.
LARS VON TRIER is dit een kolfje naar de hand. In The Kingdom, zijn fabuleuze filmreeks over een Deens ziekenhuis, laat Von Trier uitermate wonderlijke dingen gebeuren. Dat hij niet vies is van een uitstapje naar het bovennatuurlijke, bleek al eerder in onder meer Breaking the Waves, waar Von Trier kerkklokken laat luiden boven volle zee. Was dat al wonderlijk, nog wonderbaarlijker was dat iemand die in deze film kampt met een dwarslaesie aan het eind ineens weer blijkt te kunnen lopen. Je zal als rolstoelpatiënt maar in de zaal zitten. Misschien dat hij er een bovennatuurlijke verklaring voor zal zoeken, want daar waar het botte verstand ergens niet bij kan, wordt al snel een greep naar bovennatuurlijke krachten gedaan. Maar waarom eigenlijk? Begrijp je iets niet, waarom er dan ook nog eens onbevattelijke duidingen bijgesleept? Maak de zaken nou niet nog onbegrijpelijker zou je denken, het leven is al curieus genoeg zonder hocuspocus.
In een vergelijkbare valkuil lijkt Von Trier in The Kingdom te stappen. Hij wil ons laten huiveren om het ziekenhuisleven en maakt er een horror-soap over. Maar wil je huiveren, hou je dan aan de werkelijkheid en zie de alledaagse banaliteit van het genadeloze gevecht tussen leven en dood dat we ziekte en verval noemen, recht in de muil. Daar kan geen horror-fictie tegenop.
Gruwelen en gruwelen zijn echter twee, maakt Von Trier al snel duidelijk. De alledaagse werkelijkheid van een ziekenhuis mag dan op zich huiveringwekkend genoeg zijn, maar dan op een wijze die verre van prettig is. Je ondergaat haar niet voor je plezier, en zeker niet uren achtereen zoals bij The Kingdom. En dit is wat Von Trier met zijn horror-soap nou juist wel voor elkaar bokst: zelden heb ik zoveel genotzalige huiveringen over mijn rug voelen rollen als tijdens de The Kingdom II. Er kwam uren achtereen geen eind aan, en dat kwam dan met name op conto van het geluid, langgerekte onheilspellende synthesizerklanken, want de fimbeelden zelf zijn, een soap eigen, zo clichématig dat je er met de beste wil ter wereld niet om kan gruwelen. Artsen bekijken verlekkerd bloederige geweldvideo’s, chirurgen inspecteren hun uitwerpselen of zijn anders wel erotomaan, in de spoelkeuken doen twee mongolen onheilspellende en profetische uitspraken (hoi Twin Peaks!), operaties op patiënten lopen uiteraard uit op complete fiasco’s, en de bovennatuurlijke verschijnselen waarvan het ziekenhuis zwanger is, blijken uit te gaan van een duivelsverering in de kelders. Dat laatste is jammer, want hiermee worden de raadsels langzamerhand min of meer concreet en dit is nou net waar we geen behoefte aan hebben, zeker niet bij een filmfeuilleton dat gebaat is op het zo lang mogelijk laten voortbestaan van verhaallijnen, liefst tot in de eeuwigheid. Een soap is een soap, daar hoort geen einde aan te komen.
BOVENDIEN berust het fascinerende aan het bovennatuurlijke natuurlijk juist grotendeels op het raadselachtige. Haal dat er af en je trekt de stop uit de aantrekkingskracht van New Age en een hoop Oosterse mystiek. Nee, dan Stig Helmer, de neurochirurg die ongehinderd door ook maar enige bovennatuurlijke beslommering veruit het interessantste en huiveringwekkendste karakter van de film is. En waarom? Omdat Helmer - o wonder - juist de meest realistische figuur is die in The Kingdom rondloopt! Want dat kan wel degelijk ook: genotzalig huiveren om de werkelijkheid. Samuel Shem bewees het in de jaren tachtig in zijn met name onder artsen zeer populaire The House of God (een heel wat sterkere titel trouwens dan het wat slappe The Kingdom), waarin deze arts-auteur zich wél aan de werkelijkheid houdt en onze huiver voor ziekenhuizen effectief exploiteert in een onderhoudende roman over het gruwelijke bestaan van een zich afpeigerende arts-assistent in een Amerikaans ziekenhuis, zonder er enige abracadabra bij te hoeven halen.
Von Trier is dat evenwel niet genoeg, hij neemt zowel de reguliere geneeskunde als het bovennatuurlijke op de hak. En hij doet dat met verve. Zoals mystiek mensen een uitweg verschaft uit de werkelijkheid, zo biedt Von Trier ons een nog veel aantrekkelijker alternatief: film. The Kingdom is een urenlange stap uit de realiteit en biedt datgene waarop een bezoek aan de bioscoop ook ooit mee begon: vaudeville, verstrooiing. Zijn sublieme horror-soap houdt de kijker uur na uur moeiteloos in de ban. Geen The Bold of GTST die hem dat nadoet. Het wachten is op de volgende reeks. To be continued.