Het beste land ter wereld

To be Dutch, or not to be

Niet alleen de VVD en de PVV benadrukken in hun verkiezings-programma’s het ‘typisch Nederlandse’, ook de progressieve partijen doen dat.

We hadden beter kunnen weten. Wie zich verbaasde over de lompheid waarmee premier Rutte in zijn brief aan ‘alle Nederlanders’ onderscheid maakt tussen ‘gewone’ Nederlanders en anderen (die terug moeten naar hun ‘eigen land’ als ze niet normaal doen), had blijkbaar het vvd-verkiezingsprogramma gemist. Daaruit spreekt namelijk een obsessie met Nederland en ‘Nederlandsheid’: er staat maar liefst 361 keer dat iets (typisch) Nederlands is. Een paar voorbeelden: ‘De typisch Nederlandse onverzettelijkheid – verantwoordelijkheid nemen als het even tegen zit – juist in moeilijke tijden’; ‘Optimistische en nuchtere Nederlanders die van aanpakken weten en waarde hechten aan onze typisch Nederlandse manier van leven’; ‘Typisch Nederlands, elkaar steunen als het moeilijk is.’

Rob Wijnberg nam wél de moeite om het programma te lezen en hij schrok al evenzeer. In zijn beschouwing op De Correspondent hekelt hij het opmerkelijk behoudzuchtige karakter van het vvd-programma en de ongezouten xenofobie. Hij citeert het programma: ‘We weten voor wie we het doen: (…) Nederlanders die zich zorgen maken over de internationale ellende die ze terugzien in hun eigen buurt.’ En schrijft dan: ‘De “internationale ellende in hun eigen buurt”. Ook wel: het gênantste synoniem voor allochtonen aller tijden.’

Het vvd-programma is extreem zelf-feliciterend: niet alleen is Nederland veruit het beste land ter wereld, en Nederlanders het leukste volk (‘overtuigingen die Nederlanders zulke leuke mensen maken’), andere landen en volkeren doen er in het vvd-programma nauwelijks toe. Bovendien zijn we altijd al zo leuk en typisch Nederlands geweest. Alles wat ons nu kenmerkt, heeft ons namelijk al eeuwenlang gekarakteriseerd: ‘In onze hele geschiedenis zijn wij Nederlanders voor niemand bang geweest. Onze geschiedenis is er één van nieuwsgierigheid, van handel en van lef. Van vrije meningsuiting, vrije godsdienstkeuze en gelijke rechten voor homo’s en hetero’s, al in een tijd dat andere landen in de wereld daar nog niet klaar voor waren.’

Medium gettyimages 458804319
Nederlanders zijn ‘het leukste volk’ © Frances M. Ginter / Getty Images

Het moet gezegd: in zo weinig regels zoveel onwaarheden, dat is knap. Zijn ‘wij’ werkelijk nooit bang geweest? Hoeveel Nederlanders zaten er ook al weer in het verzet in de oorlog? Altijd nieuwsgierig? Ook ten tijde van de verzuiling? Zijn joden en katholieken altijd op gelijke voet behandeld met protestanten? En hebben ‘wij’ altijd vooropgelopen als het gaat om vrouwen- en homo-emancipatie? Waren vrouwen in Nederland dan niet tot 1956 handelingsonbekwaam? Stemde een groot deel van de vvd-fractie onder leiding van Frits Bolkestein niet in 1996 (!) tegen openstelling van het burgerlijk huwelijk voor homo’s en lesbo’s? Deze zogenaamd tijdloze waarheden zijn niet alleen historisch onhoudbaar, ze roepen, ironisch genoeg, ook de vraag op of vvd’ers eigenlijk wel echte Nederlanders waren en zijn. De vvd is immers vaak een conservatieve kracht geweest in de Nederlandse geschiedenis, zeker ook als het om de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen (m/v) ging. Het is niet alleen pijnlijk dat de vvd plotseling ‘typisch Nederlandse’ zaken ten onrechte op haar conto schrijft, nog penibeler voor een liberale partij is dat ze claimt dat iedereen in Nederland hetzelfde moet doen en denken; anders hoor je er niet bij. Eindeloos zijn de opsommingen in het programma van wat ‘gewone Nederlanders’ doen en laten, waarbij de suggestie voortdurend is dat als je dat gedrag niet vertoont je dus geen Nederlander bent.

‘We staan in alle vroegte op om naar ons werk of naar school te gaan’, zo lezen we bijvoorbeeld in het programma, waarbij we mogen raden wie er niet bij deze ‘hardwerkende Nederlanders’ hoort. Of het vvd-beleid werkelijk strookt met de belangen van de meeste Nederlanders verdwijnt uit beeld in deze gedepolitiseerde alledaagsheid. Dit thema van ‘hardwerkend’ versus ‘parasitair’ is overigens niet nieuw voor een vvd-programma en zien we ook terug bij conservatief-rechts in andere Europese landen (‘La France qui se lève tôt’ was in 2007 een slogan van Sarkozy). En heet De Telegraaf toevallig de krant van ‘wakker Nederland’?

Het vvd-programma is uiterst behoudend, op een ingewikkelde manier: juist de verworvenheden van de jaren zestig worden ingezet om nieuwkomers buiten te houden. ‘Wij’, moderne Nederlanders staan dan tegenover migranten en asielzoekers, met wie ‘we’ eigenlijk weinig tot niets gemeen hebben. ‘Wij’, de natives, hebben het als ‘optimistische en nuchtere Nederlanders’ erg met onszelf getroffen en het is bijzonder onwaarschijnlijk dat nieuwkomers ooit Nederland ook zo ‘prettig’ (zeven keer genoemd in het programma) zullen gaan vinden. Vandaar de herhaaldelijke aansporingen – door Rutte in Zomergasten en in zijn open brief, in dit vvd-programma – om vooral te vertrekken als je niet precies zo bent als ‘wij’.

Wie durft te betwijfelen wat ‘wij’ in Nederland ‘normaal’ vinden, diskwalificeert zichzelf als on-Nederlands

Dit radicaal nativisme is nieuw voor de vvd. Tot nu toe leek de partij vertrouwen te hebben in de ‘assimileerbaarheid’ van migranten en was ze groot voorstander van integratie- en taalcursussen. Nog steeds worden migranten in het vvd-programma gemaand om te integreren, maar tegelijkertijd wordt hun duidelijk gemaakt dat ze weinig kans maken om ‘echt Nederlander’ te worden. Door het verkiezingsprogramma te doordrenken met ‘typisch Nederlandse’ kenmerken maakt de vvd migranten duidelijk dat ze zich hier nooit werkelijk thuis zullen voelen en daarom beter weg kunnen blijven of weer weg kunnen gaan. Het is dus niet een milde vorm van nativisme waarin migranten in de loop van de tijd steeds Nederlandser kunnen worden (bijna zo worden als de natives), het is een harde vorm van uitsluitend nativisme zoals we die tot nu alleen van de pvv kenden: migranten (zeker met een moslimachtergrond) en Nederlanderschap zouden incompatibel zijn.

***

Het hoeft geen verbazing te wekken dat het pvv-verkiezingsprogramma (één A4) Nederland al evenzeer voor Nederlanders claimt (‘Nederland weer van ons!’). Wel is de framing opmerkelijk hetzelfde als bij de vvd. De pvv omarmt namelijk al evenzeer de ‘gewone Nederlander’: ‘In plaats van het financieren van de hele wereld en mensen die wij hier niet willen, geven we het geld uit aan de gewone Nederlander.’ Sterker dan bij de vvd wordt deze normale Nederlander gecontrasteerd met een verspillende elite (‘Geen geld meer naar ontwikkelingshulp, windmolens, kunst, innovatie, omroep, enz’). Bij de pvv zijn er dus twee ‘ongewone’ groepen: migranten én degenen die het voor hen opnemen in de politiek, niet enkel de ‘linkse kerk’ maar ook de ‘multiculturele vvd’. Tezamen vormen zij een ondemocratische minderheid die niet luistert naar de meerderheid: ‘Miljoenen Nederlanders hebben schoon genoeg van de islamisering van ons land. Genoeg van de massa-immigratie en asiel, terreur, geweld en onveiligheid.’

De toon die de pvv hanteert lijkt overigens sterk op die van de vvd: opkomen voor ‘gewone Nederlanders’ moet blijkbaar in een volkse taal (‘pleur op’). Opmerkelijk genoeg schaart de sgp zich in al even krasse bewoordingen in dit populistische koor: ‘Bij integratie hoort verder dat de nieuwe inwoners zich verdiepen in de Nederlandse geschiedenis, cultuur en gewoonten. Wie dat weigert, kan een voortgezet verblijf wel schudden.’ En voor een staatkundige partij niet minder straattaalachtig: ‘Sharia moeten we hier natuurlijk al helemaal niet hebben.’ Overigens claimt ook de sgp ‘Nederlandsheid’ in haar programma (194 keer), hoewel enigszins duister blijft hoe zij zich tot het ‘moderne Nederland’ verhoudt. Waar vvd en pvv zich resoluut met het liberale Nederland identificeren (en homodiscriminatie als on-Nederlands diskwalificeren), moet de sgp alle zeilen bijzetten om niet buiten de consensus te vallen van wat typisch Nederlands is. Maar heel moeilijk maken de vvd en de pvv het de sgp niet, want de scheiding van kerk en staat, tot voor kort een van de kenmerken van ‘modern Nederland’, komt in de partijprogramma’s bijna niet meer voor. Sterker nog, de joods-christelijke traditie wordt nu bejubeld, en de vermeende War on Christmas wordt door de vvd tot heikele kwestie verheven.

Het cda is qua toonzetting weliswaar het tegendeel van de volkse uitingen van bovengenoemde partijen, maar de christen-democraten hechten al evenzeer aan Nederlandse kernwaarden en tradities ‘zoals die in symbolen als het Koninklijk Huis en het volkslied tot uitdrukking komen’. Weliswaar zijn ook bij het cda deze tradities opvallend gemoderniseerd – zo gaat het bij ‘gezinnen’ om ‘alle gevallen waar mensen met of zonder kinderen duurzaam voor elkaar kiezen en zorgen’ – ook recente uitvindingen heten niettemin typisch Nederlands te zijn.

Wanneer ‘Nederlandsheid’ onomstreden is (vvd: ‘Omdat we onszelf willen blijven. Omdat we willen dat Nederland Nederland blijft’), staat iedere discussie over tradities gelijk aan een aanval op wie ‘we’ waren, wie ‘we’ zijn en wie ‘we’ willen blijven. Eigenlijk is er dus geen discussie meer mogelijk. Nativistische partijen weten wat ‘gewoon’ en ‘normaal’ is: ‘Zo doen we dat nu eenmaal in Nederland.’ Daarmee krijgen de programma’s van populistische partijen een curieus dichotoom karakter. Er is geen sprake meer van talloze politieke meningsverschillen; het gaat erom of je voor of tegen Nederland bent. Wee degene die iets durft te betwijfelen van wat ‘wij’ in Nederland ‘normaal’ vinden, die diskwalificeert zichzelf als on-Nederlands. En rest dan iets anders dan vertrek?

***

Waar het verkiezingsprogramma van de vvd vooral verwoordt wat tijdloos typisch Nederlands is, daar gaat dat van de pvda over de nationale samenleving die een dynamisch (‘nooit af’) en divers (‘verscheidenheid’) ‘geheel’ is. Niet de ‘BV Nederland’ maar de ‘samenleving als geheel’ dient iedereen gelijke kansen te bieden voor sociale mobiliteit, zo schrijft de pvda. Vrijheid wordt daarbij als dé essentie van Nederland gepresenteerd. Hoewel kenmerkend voor Nederland, is vrijheid toch ‘niet vanzelfsprekend’. Zij dient daarom verdedigd te worden tegen ‘uitsluiting, racisme en discriminatie’, wat ‘niet in Nederland thuishoort’. Vrijheid leidt bovendien tot ‘diversiteit’ en ‘kwetsbaarheid’ en daarom zijn er ook grenzen aan de vrijheid: ‘Vrijheid is een kwestie van mentaliteit, van tolerantie en respect voor onze waarden. Dat geldt ook voor nieuwkomers die hier willen komen wonen: ze moeten de Nederlandse waarden accepteren. Religieus extremisme werpen we verre van ons en hoort niet in onze vrije samenleving thuis.’

Lodewijk Asscher gaat mee in de suggestie dat links lange tijd niet trots was op Nederland

In het pvda-programma wordt vooral sociaal-economische gelijkheid als belangrijke progressieve waarde benadrukt, niet per se in termen van een ‘Nederlandse’ waarde. Sinds Lodewijk Asscher echter pvda-lijsttrekker is, manifesteert het thema ‘Nederlandsheid’ zich in de vorm van ‘progressief patriottisme’: ‘Waar Wilders nu roept “let’s make the Netherlands great again” en waar de vvd zegt “laat Nederland Nederland blijven”, moet links zich niet laten wegduwen. Nederland moet juist Nederland wórden. Een land waar iedereen trots op kan zijn. Waar iedereen een kans heeft om vooruit te komen. Progressief patriottisme noem ik dat: trots op Nederland en principieel tegen racisme en uitsluiting.’ Een niet onbelangrijk detail: Wilders koketteert sinds 2015 graag met het woord ‘patriottisme’, meer dan ooit in zijn recente toespraak op het congres van Europese rechts-populisten in Koblenz.

In reactie op het nativisme van pvv en vvd pleit Asscher voor een assertieve houding van links. Daarvoor zou het nodig zijn om mee te bewegen met het dominante frame van rechts: ook bij Asscher draait het om de waarden van de natiestaat Nederland, waar we vooral trots op moeten zijn (‘we leven in een prachtig land’). Hij geeft aan deze waarden echter een linkse draai: zo benadrukt hij ook sociaal-economische onderwerpen van nationale trots (‘We moeten juist trots zijn op onze verzorgingsstaat. Trots dat we ervoor kiezen dat iemand die pech heeft hulp krijgt’) en pleit voor een ‘inclusieve’ invulling van Nederlandsheid. Hij zet zich expliciet af tegen racisme en verdeeldheid, en stelt daar een beeld van een diverse en samenhorige nationale gemeenschap met een nationale cultuur tegenover.

Net als de vvd claimt ook Asscher te weten wat typisch Nederlands is – en wat daarom ook altijd al Nederlands was. Dit brengt hem wel enigszins in de problemen want hij wil, naast een statische opvatting van Nederlandsheid, nu juist voor veranderingen pleiten. Enerzijds wordt de natie door hem dan ook als dynamisch gepresenteerd, in wording en nooit af, anderzijds hanteert hij een essentialistische logica: er is een Nederlandse kern, een constante door de tijd, die ons van anderen doet verschillen. Hij lost deze spanning op door te suggereren dat deze kern gradaties van zelfverwerkelijking kent. Voor Asscher bestaat er een ‘echt Nederland’ – als een soort Platoons idee – dat zich moet en kan realiseren: ‘Nederland moet juist Nederland wórden (…) Een land dat hetzelfde blijft door met de tijd mee te gaan.’ Dit paradoxale idee van ‘worden wie je bent’, of preciezer, ‘weer worden wie je ooit was, nu blijkbaar niet meer bent, maar in de toekomst weer zult zijn omdat je het ten diepste bent’, komt in zijn essentialistisch constructivisme erg dicht bij de opvatting van pvv en vvd over oer-hollandsheid.

Ook bij Asscher draait het dus om Nederland als natiestaat en om de wenselijkheid van een positieve houding (‘trots’). Wat daarnaast opvalt is dat de pvda al evenzeer de ervaringen van de ‘gewone’ man benadrukt; ervaringen die sterk negatief gekleurd worden door ‘migranten, Europa, globalisering’, dezelfde thema’s die vvd en pvv noemen. Het belangrijke verschil is dat terwijl met name de pvv deze problemen in termen van een clash of civilizations ziet (tussen moslims en elites enerzijds en het volk anderzijds), het pvda-discours primair sociaal-economisch van aard is: ‘Er is nog steeds veel ongelijkheid tussen mensen in inkomen, opleiding, wonen of werk. Mensen hebben te weinig het gevoel dat ze hier zelf iets aan kunnen veranderen en kunnen stijgen op de sociale ladder. Dat tast de onderlinge verbondenheid aan. Je voelt je niet gehoord, hebt geen grip op je leven. Europa, migranten en globalisering voelen als een bedreiging.’ Nationale samenhorigheid gecreëerd door zowel een gedeelde cultuur als sociaal-economisch beleid is dan vervolgens het antwoord op deze sociaal-economische ongelijkheden: ‘Het gevaar bestaat dat je je afsluit. We laten elkaar echter nooit los.’De probleemdefinitie mag deels anders zijn, de oplossing is opvallend vergelijkbaar: patriottisme. Niet alleen als antwoord op sociaal-economische kwesties, maar ook vanwege gevoelens van vervreemding en ontheemding, emoties die links veel te lang zou hebben verwaarloosd of zelfs geridiculiseerd. Zoals Asscher het in The Guardian verwoordt: ‘Progressive patriotism is the required antidote not only against the nationalist and xenophobic politics, but also as an alternative for the politics that ridicules or even throws suspicion on the longing for community or national identity.’ Asscher gaat hier mee in de suggestie dat links lange tijd niet trots was op Nederland.

Met deze herschrijving van de geschiedenis doet de pvda zichzelf echter zeer tekort. Door de ‘verworvenheden’ van de jaren zestig zag (progressief) Nederland zich immers lange tijd als ‘gidsland’ voor de rest van de wereld. Jan Pronk was bij uitstek de belichaming hiervan. Dit progressief internationalisme was niet een gebrek aan nationale trots, integendeel. Juist door de grote vanzelfsprekend ervan hoefden nationale specificiteit en progressieve superioriteit binnenlands niet van de daken te worden geschreeuwd. En internationaal kon Nederland zichzelf een voortrekkersrol toebedelen in het erkennen en verspreiden van vrouwen- en homorechten als universele mensenrechten.

De SP gaat in haar programma al evenzeer uit van gedeelde Nederlandse waarden zonder een radicale ‘Ander’ te construeren. In plaats van groepscategorieën, zoals moslims of allochtonen, zien we een nadruk op insluiting (‘Alle Nederlanders’). Ook heeft de SP het weinig over authentieke Nederlandsheid. Wél staat ‘het nationale’ ook bij haar centraal, maar dan vaak geformuleerd in termen van sociaal-economische deugden: solidariteit en gelijkheid. Cultureel blijkt de SP echter sterk verdeeld: in eerdere uitspraken van Roemer werd diversiteit als problematisch voorgesteld, de recente toon is positiever en benadrukt de mogelijkheid om in diversiteit samen te leven. Daarvoor zijn echter wel weer typisch Nederlandse ‘fundamentele waarden’ noodzakelijk zoals vrijheid en tolerantie.

Bij GroenLinks zien we ook een sterke nadruk op sociaal-economische thema’s. De grote aandacht van rechtse partijen voor nationale identiteit wordt voorgesteld als een ‘goocheltruc’ die afleidt van de echte problemen die mensen ervaren. Maar Klaver gaat ook mee in de analyse dat veel Nederlanders zich vervreemd zouden voelen en dat linkse partijen dit onderwerp hebben verwaarloosd. ‘Maar we moeten ons ook inleven in mensen die zich zorgen maken over vluchtelingen die hierheen komen. Steeds meer mensen hebben het gevoel dat dit niet meer hun land is. Eigenlijk zijn zij op zoek zijn naar gemeenschapszin. De behoefte om te formuleren wat ons als Nederlanders bindt is door progressieve partijen te lang afgedaan als eng-nationalistisch.’ Hij pleit voor een verbindend collectief moment: ‘Voor een Onafhankelijkheidsdag. Een dag waarmee we teruggaan naar 1579, naar het Plakkaat van Verlatinghe. Dat is het moment waarop we voor het eerst opkwamen voor onze unieke godsdienstvrijheid, vrijheid van geweten en meningsuiting. Dat definieert ons als Nederland, het besef dat we een land zijn van allemaal minderheden.’ Op ’t eerste gezicht lijkt GroenLinks hier hetzelfde te doen als de overige partijen: de partij definieert zaken als typisch Nederlands en fundeert deze ook nog eens historisch. Maar al snel knaagt de twijfel: kent de geschiedenis enkel mooie typisch Nederlandse kenmerken ‘of ook donkere kanten’? Is het historisch funderen wel een goed idee als GroenLinks ook vindt dat ‘we tradities mogen aanpassen. Zwarte Piet is hiervan een voorbeeld’.

***

Waarom dan toch die accentuering van dat ‘typisch Nederlandse’ bij alle politieke partijen? Is er een gebrek aan gedeelde waarden in dit land? (Antwoord: nee, er is nauwelijks een eensgezinder land dan Nederland.) Is er een acute crisis in onze identiteit, weten we nauwelijks meer wie we zijn? (Antwoord: nee, alle partijen weten zeer welsprekend te vertolken wie ‘we’ zijn.) En komen partijen die het hardst roepen dat ze typisch Nederlands zijn dan het beste op voor de meeste Nederlanders? Ook dat is waarschijnlijk niet het geval. Maar om dat te bewijzen worden de linkse partijen gedwongen om ook de taal van het nationalisme te spreken: wij zijn beter voor Nederlanders! Daarmee wordt het speelveld tot nativistische proporties teruggebracht, en dreigen grote sociaal-economische en ecologische kwesties uit beeld te verdwijnen. Behalve wanneer links erin slaagt om nationale en internationale kwesties te verbinden, door te laten zien dat wat goed is voor Nederland ook deugt voor de wereld; en dat wat goed is voor Europa en The Global South uiteindelijk ook goed kan zijn voor de inwoners van Nederland. Nationalisten kunnen met tolmuren, invoerheffingen, hekken, taalpolitiek en xenofobie uiteindelijk maar weinig problemen oplossen. Solidaire, internationaal-georiënteerde partijen hebben ook aan Nederlandse kiezers uiteindelijk veel meer te bieden.


Jan Willem Duyvendak is hoogleraar sociologie aan de Universiteit van Amsterdam; Josip Kesic is docent Europese letterkunde aan de UvA