To be, or not to be?

‘We zullen allemaal verdwijnen’, schrijft Thomas Möhlmann, ‘maar niet op hetzelfde moment.’ Of daar troost van uitgaat of juist niet hangt ervan af hoe je tegen het leven aankijkt en wat je van de dood verwacht. Ik citeer Möhlmann uit Ik was een hond, net verschenen, en ik citeer even alsof het proza is.

De dood houdt me bezig, nu in mijn vrienden- en kennissenkring de een na de ander het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. Ook van mensen met wie ik geen persoonlijke band heb, treft het me dat ze doodgaan. Vorige week stierf Willy Courteaux. Ik geloof niet dat het één Nederlandse krant heeft gehaald, maar in Vlaanderen en in de vakbladen op toneelgebied werd hij herdacht. Courteaux heeft alle stukken van Shakespeare vertaald.

Hij heeft daarmee bijgedragen aan de meest indringende leeservaringen die ik heb gehad. Ik las Shakespeare in de Arden-editie, en tegelijk in alle vertalingen die ik ervan had. Op een grote tafel lagen bijvoorbeeld naast elkaar Shakespeare zelf (‘To be or not to be, that is the question’), Leendert Burgersdijk (‘Te zijn of niet te zijn, ziedaar de vraag’), Courteaux (‘Te zijn of niet te zijn, dat is de vraag’), Bert Voeten (‘Bestaan of niet bestaan, daar gaat het om’) en Gerrit Komrij (‘Er zijn – of er niet zijn, is het probleem’). Je gaat dan langzaam door de tekst, je leest vijf boeken tegelijk, zin voor zin, en dat is even wennen. Maar ik ken geen betere manier om Shakespeare te lezen.

Courteaux, in 1924 net als Louis Paul Boon in Aalst geboren, begon in 1955 met Hendrik IV: ‘Koning Hendrik komt op met Lord John van Lancaster, de Graaf van Westmoreland, Sir Walter Blunt en anderen.’ Hij vertaalde ’s avonds en in de weekeinden. Zestien jaar later, in 1971 was hij klaar, met de laatste regels van Pericles: ‘Heb dank voor uw geduld; moge geluk/ Uw deel zijn. Dit is ’t einde van ons stuk.’

Op alle vertalingen is van alles aan te merken. Alle vertalers hebben, zoals alle vertalers altijd, de nodige kritiek over zich heen gekregen. Courteaux is behoudend, vormelijk en een beetje preuts. Maar iemand die alle stukken van Shakespeare vertaalt, heeft mijn eerbied. Behalve Courteaux hebben alleen Abraham Seyne Kok in 1880 en Burgersdijk in 1886 de hele klus geklaard. Helaas heeft Komrij, van wie ons een complete Shakespeare in het vooruitzicht was gesteld, het bij vijftien stukken gelaten.

De dood. Die Kok, Burgersdijk en Komrij al naar het eeuwige heeft afgevoerd, en nu ook Courteaux. Maar we gaan door, hoop ik. Shakespeare is onsterfelijk.

In de bijbel, bij Shakespeare en bij Huygens is de slaap een oefening voor de dood. In de Statenvertaling kon je lezen: ‘Zie, gij zult slapen met uwe vaderen.’ En bij dat zinnetje was een aantekening: ‘Of, nederliggen; te weten, om te slapen; dat is, gij zult sterven. Alzoo wordt de dood een slaap genoemd, omdat de lichamen rusten tot den tijd der opwekking.’ Huygens schreef dat het bed waar hij in sliep niet meer was dan een zijden doodskist. De verwantschap tussen sterven en in slaap vallen zit in ons woord ‘ontslapen’. Shakespeare zag het net zo. De hertog in Leer om Leer zegt, volgens Courteaux: ‘Je beste rust is slaap,/ Je zoekt hem vaak, maar siddert voor de dood/ Die toch niets méér is.’

Je kunt je afvragen: als de slaap een oefening is voor de dood, welke plek nemen dromen daar dan in? Hamlet zegt, volgens Bert Voeten: ‘Doodgaan, gaan slapen, slapen, wie weet dromen…/ Daar zit de knoop; want wat wij in die doodsslaap,/ bevrijd van aardse onrust, dromen kunnen/ moet ons doen aarzelen; daarom rekt de mens/ in zijn rampzaligheid zo lang het leven.’ Vandaar zijn vraag: to be, or not to be? Hamlets angst is niet dat we er niet meer zijn als we dood zijn, maar juist dat we er wel nog zijn al is het dood, en dat we blijven dromen. En dus ook gemarteld zullen worden door nachtmerries.

Ik wens Willy Courteaux een rust in vrede toe. In een gedicht waarmee hij Robert Anker eert, schrijft Thomas Möhlmann (ik citeer hem weer even alsof het proza is): ‘de dood is een goede vriend met slechte timing, proza schrijf je omdat je niet leven kunt, poëzie omdat je niet kunt sterven.’

Waarom schrijven toneelschrijvers toneelstukken? En waarom vertalen vertalers die? Ik weet het niet, maar het is mooi dat ze het doen tijdens hun leven.