Tobben over james bulger

HET KON NIET uitblijven: een bioscoopfilm over de Belgische kindermoordenaar Dutroux. Eind 1998 beginnen de opnamen. Om iedere verdenking van sensatiezucht vóór te zijn, licht het persbericht toe dat niet de man zelf centraal zal staan, maar ‘het systeem en de verschillende personen die Dutroux in staat hebben gesteld tot zijn handelen’. Dat klinkt alsof de Amerikaanse regisseur Oliver Stone zijn werkterrein verlegt naar Europa, maar nee: het wordt een Frans-Duitse co-produktie, hetgeen een andere categorie naargeestig drama belooft: ‘docu’.

Dat affaires als die van Dutroux over het algemeen door een groezelig soort journalistiek worden begeleid, wordt dagelijks op de televisie bewezen door programma’s als Netwerk, Opsporing verzocht en Vermist. Onder het mom van analyse of roep om informatie krijgt de kijker zogenaamde reconstructies van de misdaad in kwestie te zien, die vooral angstaanjagend zijn. De boodschap is: in ieders buurman schuilt een psychopaat.
Voor de schrijvende pers geldt iets soortgelijks. Het niveau van een krant of tijdschrift kan worden afgemeten aan de hoeveelheid kolommen die wordt ingeruimd voor kwesties als moord en doodslag. Blijkbaar is het onmogelijk om op een niet-ranzige manier aandacht aan een bepaald soort criminaliteit te schenken. De boeken die in de boekhandel op de schappen true crime liggen, zijn de ergste boeken van de ergste schrijvers.
Maar wat gebeurt er als een volkomen onverdachte schrijver die eerder bewezen heeft over een goede smaak te beschikken, zich over een zaak buigt waar tot dan toe alleen de boulevardpers niet over uitgeschreven leek te raken? De Engelse dichter/ schrijver Blake Morrison, vooral bekend door het autobiografische boek over zijn vader, En wanneer zag jij voor het laatst je vader? (1994), schreef in opdracht van The New Yorker over een misdaad die qua schokeffect vergelijkbaar is met de Dutroux-zaak. Morrison schreef er uiteindelijk een heel boek over.
AS IF, NU net vertaald als Als dat zou kunnen, verscheen in februari van dit jaar in Engeland en riep daar nogal extreme reacties op. Morrison vermengt in zijn boek de feiten met persoonlijke verhandelingen en terugblikken op zijn eigen jeugd. Wat sommigen moedig en sensitief vinden, vinden anderen immoreel en onsmakelijk. In Engeland liggen de feiten nog vers in het geheugen; in Nederland is inmiddels de Dutroux-affaire het grote kwaad gaan vertegenwoordigen. De thema’s en vragen die Morrison aansnijdt, zouden echter ook zo op de zaak-Dutroux betrekking kunnen hebben.
Daarin schuilt meteen de zwakte van de op zich interessante onderneming van Blake Morrison. Zijn perspectief is dat van de zachtmoedige intellectueel die de dingen bij voorkeur toetst aan de eeuwige waarheden van de grote schrijvers, terwijl hij er niet voor terugschrikt zijn eigen ‘ergste’ ervaringen en emoties aan een nader onderzoek te onderwerpen. Sympathiek, maar voor een echte schrijver ook nogal onmachtig. Dichter bij het 'waarom’ van de misdaad - de vraag waar het hem om was begonnen - brengt hij uiteindelijk zichzelf noch de lezer.
De feiten. In februari 1993 werd in Liverpool de tweejarige James Bulger door twee jongens van tien uit een winkelcentrum meegenomen toen zijn moeder even niet oplette. Ze maakten met hem een tocht van vier kilometer naar een spoorbaan en bekogelden hem bij het vallen van de avond met stenen tot hij dood bleef liggen. De trein die later over hem heen denderde, spleet zijn lichaam in tweeën.
Sinister genoeg bleek de videocamera van het winkelcentrum de ontvoering te hebben vastgelegd. Het vlokkerig uitvergrote beeld van twee jongens met een kleiner jongetje aan de hand, met daaronder de cijfers van de digitale klok, werd eindeloos op televisie vertoond. In Engeland ontstond een run op tuigjes waarmee kinderen op straat vastgehouden konden worden. De hysterische golf van angst en woede werd van overheidszijde gesanctioneerd door een galmende John Major: 'We moeten iets meer veroordelend en iets minder begripvol zijn.’ Dit voorval kon niet anders dan het einde der tijden inluiden: kinderen die andere kinderen vermoorden.
Voor Blake Morrison, die zichzelf in een interview aanduidt als wimpy, oftewel softie, en die niet van misdaadverhalen houdt en berichten in de krant over gedumpte lijken overslaat, school de fascinatie voor deze zaak in het extreme karakter. Het beeld van het kleine handje in een iets grotere, vastgelegd door de videocamera, was voor hem de mythische uitvergroting van de onschuld die zowel dader als slachtoffer op het punt staan te verliezen.
DAT ZIJN belangstelling in eerste instantie intellectueel is, zal de lezer weten ook. Zijn verhandeling begint met het verhaal van de kinderkruistocht. Bladzijdenlang gaat hij door op deze middeleeuwse kruistocht, waarin onder leiding van een wat oudere jongen tienduizenden kinderen op weg naar het beloofde land hun ondergang tegemoet lopen. Wat deze religieuze onderneming precies te maken heeft met de moord op James Bulger, is niet direct duidelijk. Gelukkig legt hij het aan het eind van dat hoofdstuk uit: beide verhalen gaan over onschuld en het verlies ervan, over vertrouwen en het beschamen ervan. Maar vooral: beide verhalen lìjken over kinderen te gaan, maar eìgenlijk gaat het om de rol van de volwassenen. Waar waren zij?
Het is een van de terugkerende vragen in Als dat zou kunnen, en een van de belangrijkste. Wie zijn de eigenlijke schuldigen? Daarnaast wil Morrison weten: waarom? Afgezien van de vraag hoe het zo ontzettend mis kon gaan met deze jongens, vraagt hij zich af waarom zij James niet op een gegeven moment hebben losgelaten. Waarom moest hij dood? Waarom werden er batterijen naast zijn lichaamsresten gevonden? Was er ook sprake van een seksueel misdrijf?
Aanvankelijk verwachtte Morrison dat de waaromvraag gedurende het proces zou worden beantwoord. De enige vraag echter die in de rechtszaal werd gesteld, was: wisten de twee jongens het verschil tussen goed en kwaad? Hadden ze enig besef dat wat ze deden slecht was? Zo ja, dan konden ze schuldig worden bevonden.
Vanaf de publieke tribune beziet Morrison de getuigen-deskundigen die hierover hun zegje mogen komen doen, onder wie de schooljuf en twee psychologen, voor elke jongen één. Zijn ooggetuigeverslag van de martelende rechtsgang die bijna een maand in beslag zou nemen, behoort tot de beste stukken van het boek. Met zijn precieze observaties van ooggeknipper, kleding, gestotter en gewiebel weet hij niet alleen de subtiele mechanismen van een klassemaatschappij te beschrijven, maar ook een gevoel van medelijden over te brengen. Medelijden met de jongens wel te verstaan, die als kleine wilde dieren in een kooi midden in de rechtszaal voor iedereen te kijk zitten.
In zijn poging om een antwoord op het waarom te vinden, gaat Morrison zelf op pad. Zo loopt hij de route die de jongens hebben gelopen. ’s Middags hangt hij in het winkelcentrum rond, zoals de jongens (allebei aartsspijbelaars) wel vaker deden. Hier en daar pikten ze wat, tot daar dat kleine blonde jochie liep. Of ze nu van tevoren al het plan hadden een kind iets aan te doen, daarover leggen de jongens achteraf tegenstrijdige verklaringen af. Morrison loopt in gedachten met ze mee, die hele lange tocht waarbij James een paar keer valt, zijn hoofd bezeert, om zijn mama roept, en steeds weer verder wordt gesleurd.
Natuurlijk trekt het drietal onderweg de aandacht. In de rechtszaal komen de getuigen een voor een hun verhaal doen. Welke indruk ze hadden, wat ze zeiden, en wat de jongens zeiden, en waarom ze niet hebben ingegrepen. Ze hadden te veel boodschappen bij zich, of een hond die niet van kinderen hield… Betrekkelijk ongestoord belanden de jongens in hun eigen woonwijk, en dan wordt het zaak zich van James te ontdoen.
RONDLOPEND in deze naargeestige buitenwijk van Liverpool, waar iedereen elkaar treft in het kantoortje van de sociale dienst, filosofeert Morrison over het effect van zo'n omgeving. Wat gebeurt er met je als je ergens opgroeit waar je enige zekerheid de mislukking is? Zou het uitmaken als je van lezen houdt? Groei je dan minder gewelddadig op dan je leeftijdgenoten? 'Hoe weet je dat? Alles wat je weet is: je weet het niet.’
Misschien ligt een deel van de verklaring voor de gewelduitbarsting van de jongens in 'hoe kleine jongetjes groot worden’. Blake Morrison daalt af in zijn eigen jongensjaren om zijn jeugdzonden naar boven te halen. Als veertienjarige bezoekt hij een feestje en neemt deel aan iets wat het midden houdt tussen een groepsverkrachting en onduidelijk dronken gedoe. Zelf brengt hij het in ieder geval niet verder dan zijn tong in een mond te duwen. Met terugwerkende kracht vraagt hij zich af of hij niet had moeten ingrijpen, het meisje voor de anderen had moeten behoeden. Hij probeert zich weer de terreur van kinderen onder elkaar voor de geest te halen, de angst voor de leiders, het duwen, vechten, het met steentjes keilen. Tegelijkertijd twijfelt hij sterk over de mogelijkheid zich 'echt’ weer het jongetje van toen te voelen, in de tijd terug te gaan, om de jongetjes van nu te kunnen begrijpen.
Morrisons vrouw maakt zich ondertussen ongerust over de obsessiviteit waarmee haar man met de Bulger-zaak bezig is. Als hij belt vanuit zijn hotelkamer en zegt dat hij nog wat langer moet blijven, wordt ze boos omdat hij zich onttrekt aan de zorgen voor hun twee kinderen. Voor Morrison weer aanleiding zijn eigen vaderschap op de snijtafel te leggen, zijn erectie als zijn dochter bij hem op schoot zit, de momenten dat hij ze wel kan aanvliegen, de visioenen van alle verschrikkelijkheden die hun nog kunnen overkomen. Kortom: de knellende band van liefde, razernij en bezorgdheid waaruit je je als ouder nooit meer kunt bevrijden. Wat is de zin van kinderen krijgen? Is het om te voorkomen dat je alleen bent?
OUDERS en kinderen, ze zijn tot elkaar veroordeeld. Het is het grote thema in Als dat zou kunnen. Een van de pijnlijkste en onverteerbaarste kanten aan de moord op James Bulger is dat er zo veel getuigen zijn geweest van zijn ondergang. Hoe anders hadden de dingen kunnen lopen, ware het niet dat…
Ware het niet dat mensen meer om hun hond dan om hun kinderen geven, luidt het terloopse commentaar van Morrison. Ware het niet dat mensen het gewoon vinden dat kinderen huilen. Het gewoon vinden dat kinderen worden gekoeioneerd. Sterker nog: het gewoon vinden ze zelf te koeioneren, in reactie op hun grenzeloze ontembaarheid. Het is typerend voor de angstige, naar binnen gerichte blik van Morrison dat hij dit gegeven liever aan zijn eigen ervaringen toetst (wat is het toch een softie, denk je onwillekeurig bij zo veel geëtaleerde kwetsbaarheid) dan dat hij zich bijvoorbeeld meer verdiept in de families van daders en slachtoffer. Uit de weinige dingen die hij over hen zegt, of liever gezegd zich hardop afvraagt, blijkt een grote angst onkies te zijn. Zo merkt hij op dat de vader van een van de daders zich gedurende het hele proces niet laat zien in de rechtszaal. Vader blijkt het gezin een paar jaar geleden te hebben verlaten voor een andere vrouw, een oudere vrouw nog wel. Is hij gelukkig bij zijn nieuwe vrouw? vraagt Morrison zich af. En als hij leest over zijn zoon in de krant, plengt hij dan enige tranen? Meteen echter doet de zelfcensuur zijn intrede: laat de Sun en de Star en de Mirror deze man maar opsporen om hem die vragen te stellen…
Voor een weldenkend schrijver als Blake Morrison biedt het nadenken over een extreem gewelddelict blijkbaar vooral aanleiding tot zelfreflectie en niet tot wat meer onderzoeksjournalistiek of verbeeldingskracht. Shakespeare, Golding, Wilde en vooral Jean-Jacques Rousseau moeten hem helpen de onvoorstelbare werkelijkheid af en toe op een metaforisch niveau te tillen, maar zijn eigen pen laat hij tobbend boven het papier cirkelen. Het is vreemd dat hij, bij alle vragen die hij stelt, geen moment de bevrijdende functie van fictie overweegt. Van dit boek mag de lezer verwachten dat het de waarheid vertelt, zegt hij in een interview. Alsof de waarheid niet soms het beste kan worden verteld in de vorm van een verhaal.
IEMAND IN wiens voetsporen Morrison treedt als verslaggever voor The New Yorker, is Truman Capote, die begin jaren zestig voor deze krant over de moord op de familie Clutter in Kansas schreef. Ook Capote raakte geobsedeerd en schreef uiteindelijk In Cold Blood (1965), een mengeling van feit en fictie over toedracht en nasleep van een afgrijselijk drama. Het is vet en het is schokkend, maar tegen het inzicht dat dit boek biedt in handelingen en motieven kan geen wetenschappelijke analyse of cultuurfilosofisch essay op.
Zolang de verbeelding niet aan de macht komt, is de uitkomst van bespiegelingen over het ergste van het ergste blijkbaar nogal voorspelbaar. In het j'accuse-achtige slothoofdstuk klaagt Morrison het Britse rechtssysteem aan dat jongens van tien aan een volwassen rechtsgang onderwerpt. Hij vervloekt de barbaarse cultuur die niet op vergeving uit is, maar op straf, lees: wraak. Bang om in het vaarwater van de boulevardpers te komen, heeft de schrijver zich veroordeeld tot het onvermijdelijke oppakken van het zwaard van de moraalridder.