Tobbende popsterren

Nog tot en met 15 mei te zien in het Stedelijk Museum Amsterdam.
Mededogen is op zijn plaats als op driekwart van een concert de popfotografen de zaal betreden om in tien minuten tijd enkele plaatjes voor de krant van morgen te schieten. Stokstijf stilstaand tussen de dansende menigte ogen ze hulpeloos en kwetsbaar. Net op het moment dat ze willen afdrukken, komt die klap in hun rug van een te enthousiaste stagediver. Of de popartiest in kwestie kijkt tien minuten stuurs de andere kant op.

Dat laatste is vaak niet eens zoveel anders op de foto’s die popfotograaf Anton Corbijn momenteel in het Stedelijk Museum exposeert. Corbijn werkt echter onder geheel andere omstandigheden. Binnen de popfotografie geldt de Groningse fotograaf - inmiddels al jaren in Londen woonachtig - als een grootheid. Het is voor een rock-artiest een blijk van erkenning met Corbijn te mogen werken.
Corbijn verkreeg zijn eerste roem tijdens de hoogtijdagen van de new wave, begin jaren tachtig. Dat is weinig verwonderlijk, want Corbijns aanpak verstaat zich uitstekend met de doem van dat tijdperk. Zijn grofkorrelige foto’s worden gedomineerd door grote zwarte schaduwvlakken. De nagestreefde vertroebeling versterkt Corbijn in zijn keuze van de locaties. Een van de mooiste voorbeelden is een foto van Gary Lucas, geheel weerspiegeld in een rimpelig wateroppervlak.
De toonzetting in de foto’s is overwegend die van een zwartgallige melancholie. Het staat driedubbeldik te lezen op het getekende gezicht van Captain Beefheart, gefotografeerd met hoed in de hand in een desolate cactuswoestijn. Of is in naarbinnengeslagen vorm te zien bij de Schotse singer/songwriter John Martyn in een potsierlijk monnikenhabijt.
De fotobijschriften vermelden in veel gevallen niet meer dan de voornaam van de geportretteerde. We lezen ‘Michael’ (Stipe, zanger REM) en 'Kurt’ (Cobain, ex-zanger Nirvana) alsof het anonieme passanten betreft. Die presentatie is nogal curieus, omdat Corbijn in zijn foto’s het imago van de artiest zorgvuldig cultiveert. Daardoor leunt, denk ik, mijn voorkeur voor bepaalde foto’s met name op mijn sympathie voor de betreffende artiest. Als autonoom beeld bezitten ze minder zeggingskracht. Te midden van de parade van persoonlijkheden lieten de foto’s van mij onbekende personen me vrijwel koud.
Om de diepere motieven van Corbijns foto’s bij de horens te vatten is het raadzaam een uitstapje te maken naar zijn - eveneens geexposeerde - videoclips. Sluipt in de foto’s regelmatig een blijk van emotie - bijvoorbeeld in de beroemde foto van Miles Davis - in de videoclips is elke spontaniteit uitgebannen. Het zijn stuk voor stuk filmpjes waar Freud-exegeten jaren op kunnen kluiven: topzwaar van symboliek. Spuitende fonteinen, torens, eieren - de hele santenkraam der psychoanalyse zeilt om de haverklap aan het oog van de kijker voorbij. Om het even of het een single van U2, Depeche Mode of Peter Gabriel & Joni Mitchel betreft. Of Nirvana’s Heartshaped Box, waarin een dode man aan het kruis door pikkende kraaien wordt lastig gevallen.
Tegenover het noodlot van de mens plaatst Corbijn de heilzame werking van de natuur. De budgetverslindende videoclips switchen in tien seconden van Brandenburger Tor via Turks platteland en Newyorkse wolkenkrabbers naar de Mexicaanse woestijn (vol freudiaanse cactussen!). Aanvankelijk dienen cultuur en natuur louter het exotisme; aan het eind van de clip komen de zegeningen ervan ook in het verhaal naar voren. Dan ritsen bijvoorbeeld Peter Gabriel en Joni Mitchell samen liefdevol hun wigwam dicht.
De voorbeeldwerking van de natuur uit zich ook in de tientallen duiven, vrolijk lachende vissen en plezier makende pingui"ns die Corbijns clips bevolken. Ontsnap aan de tobbende mensheid om je heen, lijken ze de kijker toe te roepen. Maar die is er aan de wanden van het Stedelijk honderdkoppig mee omgeven.