Tobberig naaikransje

De Zweedse schrijfster Kerstin Ekman (1933) beleefde drie jaar geleden een internationale doorbraak met haar ‘literaire misdaadroman’ Zwart water. Ook in Nederland werd dit boek een bestseller, waarschijnlijk door de bijzondere combinatie van exotische spanning en diepzinnigheid. De ontdekking van Ekman liep ongeveer parallel aan die van Peter Hoeg, die andere Scandinaviër die vergelijkbare thema’s als Ekman aansneed in Smilla’s gevoel voor sneeuw.

In beide romans, gesitueerd in een donker en koud continent, werd tegenover de technologische tijdgeest de onbeheersbare kracht van de natuur geplaatst. De moraal van die verhalen vond begin jaren negentig blijkbaar vruchtbare bodem: de westerse mens zou wat meer ootmoed mogen betrachten in zijn verhouding tot zijn omgeving. Zo pretentieus als ik Hoeg vond, zo overtuigend was Ekman. Haar lijfelijke proza, de manier waarop ze kaasjes liet stinken en grassen ruisen, had een grote poëtische kracht.
Aan Zwart water was te merken dat Kerstin Ekman een leerschool heeft doorgemaakt als schrijfster die begon met het schrijven van detectiveromans. Een daarvan, oorspronkelijk geschreven in 1961, werd onlangs in Nederlandse vertaling uitgebracht. Onder de sneeuw ontleent zijn belang uitsluitend aan het feit dat het geschreven is door de schrijfster van Zwart water. Herkenbare ingrediënten zijn de wrijvingen tussen de Zweden en de Samen, de geslotenheid van de kleine commune en het grimmige klimaat waartegen de bewoners zich alleen met drank en elandevlees kunnen wapenen. Anders dan in Zwart water, waarin de ontknoping van de misdaad niet de hoofdzaak was, houdt de schrijfster zich in haar vroege werk echter keurig aan de regels van het detectivespel. Het levert een spannend boek op, met vaart geschreven en vol couleur locale, maar ook niet meer dan dat.
In haar nieuwe roman Breng mij weer tot leven blijkt Ekman nog verder afgedreven van het detectivegenre. Weliswaar is er weer een dode, een jong meisje dat allang werd vermist, maar het gaat er nu helemaal niet meer om wie de moord op zijn geweten heeft. Haar functie is vooral om de onverschilligheid van de mensen in haar omgeving aanschouwelijk te maken. Dit klinkt net zo moralistisch als Ekmans roman feitelijk is. Bleef in Zwart water de moraal verteerbaar omdat ze onder het oppervlak van een meeslepende geschiedenis klopte, in Breng mij weer tot leven laat Ekman zich volledig gaan. In de zwarte bespiegelingen over de eeuwige wederkeer van het kwaad waar het boek bol van staat, deed haar roman mij denken aan het eveneens dit jaar verschenen De wereld is van glas van generatiegenoot Andreas Burnier. Beide boeken werden geschreven vanuit woede en ongerustheid over ‘de toestand in de wereld’. Zowel Burnier als Ekman projecteren het menselijk onvermogen in die 'jonge, fysiek goed toegeruste en getrainde mannen’ die overal ter wereld de wapens oppakken. Zelfs in de demonische voorstelling die ze maken van de nieuwe informatietechnologen, zijn de schrijfsters opvallend eensgezind. Oude-vrouwenangst (excusez) voor computers? Meer dan Burnier is Ekman echter uiteindelijk een 'echte’ romanschrijfster die haar stem alleen laat klinken bij monde van haar personages. Het neemt niet weg dat de uitwerking in romanvorm in feite mislukt.
Zo is het bijvoorbeeld bijna ondoenlijk om de zeven vrouwelijke hoofdfiguren in deze roman uit elkaar te houden. Het zijn vriendinnen die al jarenlang in het huis van een van hen in Stockholm bijeenkomen; de een noemt het een veredeld naaikransje, de ander heeft er meer hemelbestormende gedachten bij. Eigenlijk ligt het groepje al min of meer op zijn gat, vanwege onderlinge onmin en groeiende weerzin tegen de leidster. Deze was ooit de minnares van een schrijver die in de Tweede Wereldoorlog de bijeenkomsten van een soortgelijk mannengroepje notuleerde. Die mannen lijken de verbindende factor. Het jongste lid van het vrouwengezelschap is aan het promoveren op het werk van de notulerende schrijver. Zo vol de vrouwen lijken van het kwaad in de wereld en zo vastbesloten daar 'iets’ tegen te doen, zo blind tasten ze rond in hun persoonlijke leven en in het contact met elkaar. Als een van hen zich opknoopt na een confrontatie met het opnieuw opkomende antisemitisme, blijkt zelfs niemand iets van haar kampverleden te hebben geweten. Ze wordt pas na weken ontdekt door de buren.
'Wij tasten als zuigelingen. Onze greep op de werkelijkheid is zo zwak. En dan tasten we naar de planeten en de stemmen van de doden en de gedachten van andere mensen. Die er nauwelijks zijn. We tasten alleen maar.’ Het lijkt alsof Ekman deze verzuchting van een van de personages tot een zinnebeeldige leeservaring heeft willen maken. Ze benadert de vrouwen uitsluitend via hun innerlijke wereld. Dit levert eindeloze gedachtenstromen op, die hoge eisen stellen aan het associatief vermogen van de lezer. Te meer omdat de vrouwen zonder uitzondering in grote verwarring verkeren. Het zijn 'verkleumde wijfjes die van streek zijn’, zoals een van hen zo treffend formuleert. In hun persoonlijke levens is ook genoeg reden om somber of gek te worden. Echtgenoten overlijden of worden seniel of overspelig; een van de vrouwen wordt ontvoerd, een ander bedreigd; weer een ander wordt in elkaar geslagen. Al die tobberigheid zwelt aan tot een monotone klaagzang.
Hoeveel duisternis kan een schrijver zich veroorloven? Halverwege legt een van de personages aan haar vader uit: 'Als je een roman schrijft, moet je alles uitstallen als fijne vleeswaren. Daar ontkom je niet aan. Op de een of andere manier moet het tot consumptie uitnodigen, en er moet ook afwisseling zijn. Een rauwe vleesbrij zonder meer kan niemand door zijn keel krijgen.’ Bij vlagen is de meeslepende vertelkracht van Ekman in Breng mij weer tot leven te proeven: in de passages dat er een geschiedenis uit de doeken wordt gedaan, zoals de gruwelijke huwelijksnacht van Ulla, de redding van een gemarteld hondje door Sigge, de handwerkles van Kaja aan een stel pubers. Maar een rauwe gehaktbal heeft ze haar lezers niet weten te besparen. Zelfs van de natuur gaat geen enkele opwekkende werking meer uit. Voor zover er een buitenwereld is, is die uniform in haar lelijkheid: levervlekken op de handen, roos op de kragen, restjes Hüttenkäse tussen de tanden. Het is één groot ploeteren in een koude donkerte, waar natte sneeuw als een wondkorst alles bedekt.