Menno Hurenkamp

Toch?

Wie vindt, heeft slecht gezocht, luidt een confuciaanse wijsheid. Het kan ook zo'n typische dichtregel van Rutger Kopland zijn, of beide. Maar waar het hier om gaat is het verschil tussen zoeken en vinden. De Amerikaanse econoom-activist Jeremy Rifkin hield onlangs een betoog in politiek cultureel centrum De Balie in Amsterdam. Daarin gaf hij, overigens zonder over Confucius of Kopland te beginnen, een modern bewijs van de stelling dat zoeken beter is dan vinden. Is het jullie opgevallen, vroeg hij, dat de dotcom-jeugd - zij die nu tussen de twintig en de vijfentwintig zijn - elke zin die ze uitspreekt afsluit met een vraagteken? Amerikaanse jongeren eindigen hun uitspraken niet meer met een punt. Ze laten hun toonhoogte steevast stijgen naarmate het einde van hun bewering dichterbij komt. Het is een nieuw verschijnsel en het heet ook wel upspeak. Mensen van eerdere generaties doen het niet. Die delen iets mee. Ze spreken drie zinnen uit en dan is de ander aan de beurt om te reageren. Rifkin had gemerkt dat de kwaal al in Engeland de kop opstak. Hij meende ook zijn kamermeisje in zijn Amsterdamse hotel erop betrapt te hebben. In de zaal zat niemand die het fenomeen ogenblikkelijk herkende. Wel zag je iedereen zich afvragen: hoe doe je dat, een zin eindigen met een vraagteken?

Rifkin zei dit natuurlijk niet zomaar: hij had er een bijpassende verklaring voor. Het kwam volgens de econoom doordat de jongste generatie - chique gezegd - vrijheid definieert als verbondenheid. Om autonoom te kunnen functioneren willen ze, móeten ze deel uitmaken van een netwerk. Juist om vrij te zijn, om mee te kunnen in de economische en sociale voorhoede, moet je de juiste mensen kennen. Je moet op de hoogte zijn van verschillende culturen en de nieuwste ideeën. Voor het onderhoud van dat netwerk volstaan traditionele structuren - zoals gezin, school, sportclub, werk - niet meer. Die verbanden brokkelen af of zijn te veel in zichzelf gekeerd. Dus zijn de dotcommers voortdurend op zoek naar verbindingen, maar ook naar bevestiging. Dat hoor je in hun taal. Met de upspeak sta je open voor «het nieuwe», voor andere, nieuwe netwerken. Ze willen hun gesprekspartner niet zomaar iets meedelen, maar ze willen horen dat deze het eens is met wat ze zeggen, of juist niet. Als maar een reactie volgt. De verhouding aangaan met de ander is belangrijker dan hem overtuigen.

Je zou kunnen zeggen dat ze willen zoeken, en niet willen vinden. Maar voor serieuze twijfel heb je een behoorlijke dosis zelfbewustzijn nodig, toch? Dat kun je toch alleen opbouwen door bij jezelf te rade te gaan? Lijkt upspeak zo bezien niet eerder een kenmerk van behaagzieke consensuszoekers dan van daadkrachtige hemelbestormers? Wat betekent het overigens dat het in Amerika en niet in polder-Holland ontstaat, waar je dit smachten naar dialoog juist zou verwachten? Gaan hier niet de zogenaamde individuen al pratend op in het grauw, in een letterlijk uitgesproken en tegelijkertijd ongedefinieerd totalitarisme van wederzijdse bevestigingen? Heeft Pim Fortuyn niet behoorlijk last van upspeak en is het dan wel een generatieding? Heb jij ook niet zoiets van: als dit vrijheid is, dan laat maar?