De suikerpot wordt altijd
aangevuld zonder dat de onderste
klontjes zijn gebruikt.
Zo kunnen die er jaren liggen.

Eeuwigheid,
K. Schippers
Uit: Tellen en wegen,
Querido (2011)

Ik vind een notitie terug, 24 jaar geleden door mij gemaakt, op een bierviltje. ‘Klachtenlijn beginnen, wisselende tijden beschikbaar, niets terugzeggen.’ Weet ineens weer hoe dat op een avond besproken werd en ook met wie, terloops en lacherig en een beetje dronken (port, het waren de jaren van de rode port), maar blijkbaar niet dronken of terloops genoeg om af te zien van notitie. Het gewoonweg aanhoren van een klacht, namens iets of iemand desnoods, namens het onbenoembare, het toeval, het lot. Daar ging het om. Zonder antwoord, zonder oordeel. Andermans klachten zouden bovendien opbeurend zijn (zoveel waar jij nóóit last van hebt) of die van jezelf verdunnen, waterig maken, tot ze wegsijpelen – afvoerputwaardig, in verhouding tot wezenlijke exemplaren.

Nu, bij het lezen van die notitie, komen de ergerlijke vragen boven. Over het hoe precies en het waarom en volgens welke regels en trouwens, hoe lang zou zoiets draaglijk blijven? Is het moreel überhaupt in de haak, leven van andermans onvrede? Hoe het tarief te bepalen en hoe bewijs je dat je luistert als je zwijgt? Ik klink als gelijkgestemde ouders die benadrukken dat je met zoiets echt niet je brood kunt verdienen. En wat wakker je allemaal aan met een luisterend oor? Denk jij daar maar eens over na. Snotneus.

Er zouden mensen zijn die bellen over de blaffende hond van de buren. Over een verkeerd geparkeerde auto, over een boom, een schutting, een heg, over de buren zelf (geluidsoverlast, rare luchtjes in het trappenhuis, we zijn hier niet in Istanbul). Er zouden mensen zijn die bellen over kanker, over verlies, over uitzichtloos lijden, over kinderen met honger en gaten in hun schoenen – al zouden die geen geld hebben om te bellen. Er zouden mensen zijn die te hard klagen over iets zachts: ‘Hij haalt gewoon zo irritant adem dat het onleefbaar wordt!’ Of juist veel te zacht over iets hards: ‘Ik begrijp wel dat de zorg overbelast is maar ik had zo graag nog iets langer willen leven.’

24 jaar is niet zo heel lang. Het is een wereld, een heel geschiedenisboek, een onmetelijke periode, de opkomst en ondergang van ontelbaarheden, bedoel ik, maar het is niet zo heel lang. Veel is onveranderd. Roep ik niet minstens eens per maand dat ik wel groenteboer word, zoals de meeste mensen die scheppende arbeid verrichten eens per maand roepen dat ze wel groenteboer worden? (Al bedoel ik dat natuurlijk metaforisch, zoals de meeste mensen die scheppende arbeid verrichten dat metaforisch bedoelen; niet hoeven uitleggen wat je doet, waarom je het doet, blijft doen, in weerwil van nagenoeg alles.) Iemand te zijn met een duidelijke taak, een goed uit te leggen functie, waarna niemand nog twijfelt aan het nut of de zin, waarbij je bovendien op dagelijkse basis het tastbare hanteert, het troostrijke; dat je zacht in avocado’s knijpt, aan de binnenste blaadjes van een ananas trekt om de rijpheid te bepalen, een kilo aardappels weegt met je blote handen, omdat je handen weten hoe een kilo voelt. Hoewel ik van nut noch zin veel houd – ze vaak wantrouw, ze soms minacht – ben ik ze blijkbaar blijven zoeken, al minstens 24 jaar, als essentiële papieren, bewijsstukken die elk moment getoond moeten kunnen worden aan een norse douanier.

En toch, denk ik. Een paar woorden, op een bierviltje, die dan min of meer per ongeluk tot andere woorden leiden, allemaal even ongericht en ongeadresseerd, iets wat mogelijk tot niemand spreekt en waarop waarschijnlijk niemand antwoord geeft, dat is soms ook iets.