Robert Dallek

Toch echte boeven

Robert Dallek
Nixon and Kissinger: Partners in Power
Harper Collins, 752 blz., US $ 32.50

De beschrijving van de dagelijkse werkelijkheid die Richard Nixon en Henry Kissinger creëerden toen zij tussen 1969 en 1974 de wereld runden, blijft adembenemend. Ook bij Robert Dallek. Niet omdat de gevierde historicus met zoveel nieuws op de proppen komt, of omdat het zo’n spannend jongensboek is – dat is het ook – maar vooral door de intense slechtheid van beide mannen. Bij het lezen van Nixon and Kissinger: Partners in Power gaan nog steeds de haren in je nek overeind staan van het kille machtsmisbruik, de zelfdienende analyses, de verspilling van levens, de foute keuzes, de rijp-voor-de-psychiater-sfeer in het Witte Huis.

De verrassend vele Europese conservatieven met een zwak voor deze beide heren zouden verplicht dit boek moeten lezen om er opnieuw van doordrongen te worden dat het Witte Huis onder Nixon een criminele operatie runde, een term die niet lichtzinnig gebruikt dient te worden, maar hier toch zeker past. Democratische vormen, de rechtsstaat, andere belangen dan puur politieke, dagelijkse levens van soldaten en burgers in verre landen: alles maakten deze mannen kapot. Het dédain van Nixon voor democratische vormen en rechtsregels lijkt op de zachte staatsgreep die de regering-Bush/Cheney de afgelopen jaren heeft gepleegd. Er is iets met Republikeinse presidenten: Watergate, Iran-Contra en de excessen van de Cheney-bende staan in een traditie.

De geschiedenis herhaalt zich natuurlijk niet, maar Dalleks beschrijving van de afwikkeling van de verloren oorlog in Vietnam biedt een sterk déjà-vu. Hoewel Nixon inderdaad begon met terugtrekken is het ontmoedigend te lezen hoe overwegingen van gezichtsverlies, korte-termijngelijk en politiek gemanoeuvreer de oorlog nog jaren rekten, met twintigduizend Amerikanen en ontelbare Vietnamezen en Cambodjanen als slachtoffer (miljoenen als we de Rode Khmer op het conto van deze heren mogen bijschrijven). De Nobelprijs voor Henry Kissinger (1972) is en blijft een gotspe.

Dallek is een boeiend auteur. Hoewel boeken zoals deze altijd te lang zijn, weet hij de lezer door de zes jaren van dit pathologische duo te sleuren. Hij heeft naar iedereen geluisterd, alles gelezen en biedt een paar onthullingen. Onder meer dat Kissinger de Jom Kippoeroorlog van 1973 zonder Nixon runde omdat die door drank en depressie in de touwen hing en dat Henry de president pas een paar uur later wakker liet maken. Bekend was al dat hij op eigen houtje het Amerikaanse militaire alarmniveau verhoogde naar een prenucleaire status om de Russen af te troeven. Dallek suggereert ook dat er in de archieven van de persoonlijke arts van Nixon het nodige zal zijn te vinden over diens gekte – laat ik het zo maar noemen. Helaas hebben de kinderen van de arts het voor 75 jaar opgeborgen.

Volgens Dallek hadden Nixon en Kissinger nogal wat gemeen, te beginnen met hun opvoeding in een omgeving vol frustratie. Verder beïnvloedden hun persoonlijke ambities – herverkiezing voor Nixon en het predikaat ‘de beste minister ooit’ voor Kissinger – nadrukkelijk hun buitenlands beleid. Dat leidde tot ‘vreselijke beslissingen’ in hun omgang met Vietnam, de oorlog tussen India en Pakistan (waar Kissinger voor Pakistan koos om de China-opening te beschermen), en in Chili, waar Dallek de verantwoordelijkheid voor de staatsgreep tegen Allende zonder meer bij het Witte Huis legt. Ook stelt Dallek vast dat de buitenlandse politiek een middel werd om Watergate te ontlopen, wat de consistentie van het beleid niet ten goede kwam. Het nationale belang werd ondergeschikt gemaakt aan dat van het Witte Huis.

Hun ambitie had ook positieve resultaten. Daartoe rekent Dallek de China-diplomatie, de détente met de Sovjet-Unie, de wapenbeheersing en uiteindelijk ook het einde aan de oorlog in Vietnam, hoewel Dallek weinig goede woorden heeft voor de manier waarop dat gebeurde. De détente met de Sovjet-Unie leidde tot grote controverses, waarmee Kissinger later werd geconfronteerd toen de conservatieve Republikeinen hem uitkotsten. Dallek ziet het beleid van Nixon en Kissinger desondanks als een opstapje naar het einde van de Koude Oorlog onder Reagan.

Het Midden-Oosten is het moeilijkst te evalueren. Tussen 1969 en 1973 konden de VS weinig doen, behalve het redden van de Jordaanse koning Hoessein in 1970. De Jom Kippoeroorlog veranderde dat allemaal. Nixon was toen al lang niet meer on top of his game en het was Kissinger die hier de toon zette. Dallek stelt zonder omwegen dat de Camp David-akkoorden van 1979 niet mogelijk waren geweest zonder Kissingers diplomatie.

Vietnam was rampzalig. Nixon was bang dat een vroegtijdige terugtrekking zou leiden tot ondermijning van Amerika’s geloofwaardigheid en die vrees echoot in alles wat we horen over Irak. Maar al waren de negatieve gevolgen van Vietnam enorm, de schade voor de geloofwaardigheid van de VS was gering (voor Irak ligt dat waarschijnlijk anders). Nixons ‘stay the course’ (nu ook gebruikt door Bush) was volgens Dallek het product van ‘politiek cynisme’. Het ging gewoon om binnenlandse politiek: Nixon wilde de ineenstorting van Vietnam uitstellen tot na de verkiezingen van 1972.

De zorgen over Chili vertellen veel over het gebrekkige beoordelingsvermogen van Nixon en Kissinger, meent Dallek. Nog afgezien van morele implicaties kon je toch niet zeggen dat Amerika’s nationale welzijn daar werd bedreigd. De keuze voor Pakistan in de oorlog met India van 1971 noemt Dallek ‘een blunder’. Het Witte Huis beoordeelde de posities enkel in geopolitieke termen (India en de Sovjet-Unie, Pakistan en China) terwijl beide andere grootmachten er volstrekt anders tegenaan keken (Rusland gaf ook geen donder om Vietnam). De conversaties tussen beide heren tonen een overreactie die leidde tot ‘de roekeloze discussie over een mogelijke oorlog met de Sovjet-Unie’. Echte neutraliteit had iedereen beter gediend.

Watergate is natuurlijk de grootste vlek op het toch al smoezelige blazoen van Nixon en Kissinger. Het bracht een terecht einde aan een pathetisch presidentschap dat gevaarlijke kantjes had gekregen. Nixon gaf nooit toe dat hij iets fout had gedaan en dat meende hij waarschijnlijk oprecht. Het zegt veel over zijn beoordelingsvermogen – of gebrek daaraan.

Beide hoofdpersonen besteedden de rest van hun leven aan het oppoetsen van hun imago. Kissinger kwam er beter uit dan Nixon, maar Dallek laat genadeloos zien hoe Kissinger met vleierei en leugenachtigheid in de gratie bleef en zijn eigen macht vergrootte. Wel stelt Dallek vast dat Kissinger een ander persoon werd onder Gerald Ford: het was de duistere kant van Nixon die de duistere kant van Kissinger voedde, concludeert Dallek. Alle successen en alle mislukkingen van de regering-Nixon kwamen voort uit deze destructieve relatie. We leven nog steeds met de gevolgen, met name op binnenlands gebied in de vorm van het wantrouwen en de compromisloze polarisatie die de Amerikaanse politiek zo onaangenaam hebben gemaakt (en zo ineffectief).

Door Nixon en Kissinger te combineren en hun beider pathologieën serieus te nemen gaat Dallek verder dan de biografen van beide heren. Het levert een fascinerend en ontmoedigend verhaal op en een waarschuwing: vergeet niet hoe dicht misbruik en verstandig en weloverwogen gebruik van presidentiële macht bij elkaar liggen. En het boek leidt tot de onvermijdelijke conclusie dat Richard Nixon toch echt een boef was. Zo bezien is het nog net goed gekomen. Het had ernstiger kunnen uitpakken: hij had ermee weg kunnen komen. De democratische processen bleken sterker, maar het was kantje boord.