Hoofdcommentaar: Wereldorde

Toch een nieuwe wereldorde

Hoezo monopolaire wereld? Hoezo unilaterale macht? De harmonieuze mondiale orde, waarvan George Bush senior ruim tien jaar geleden na de val van de Muur en voor de Golfoorlog op idealistische toon gewag maakte, is in de praktijk aan het uitdraaien op datgene wat Jevgeni Primakov — voormalig leermeester van Saddam Hoessein, geheim agent en minister van Buitenlandse Zaken alsmede premier van Rusland — medio jaren negentig in theorie al had uitgedokterd: een multipolaire wereld, waarin iedereen door elkaar heen krioelt en voor zijn eigen prijzen vecht. Er zijn intussen echter zoveel polen dat alle magneten zijn dolgedraaid. Zelfs in het hoofdkwartier van de Navo, het bondgenootschap dat al een decennium worstelt met een existentiële crisis maar de symptomen steeds aardig wist te camoufleren, heeft de verwarring toegeslagen. Met trillende stem, uit woede of uit angst, struikelen de bondgenoten van weleer van crisisberaad naar crisisberaad.

Wat het vredesplan in wording van de economische grootmacht Duitsland en de kernmacht Frankrijk precies behelst, doet er daarom niet toe. Alle vectoren wijzen in de richting van een militaire confrontatie, al dan niet gesanctioneerd door de Veiligheidsraad. Voor- zowel als tegenstanders hebben zich vastgedraaid in de retoriek van de oorlog en scheppen aldus een logica die helemaal niet zo logisch is. Dat het Frans-Duitse «Project Mirage», waarover Der Spiegel deze week berichtte omdat het vermoedelijk in het straatje van bondskanselier Gerhard Schröder te pas kwam, feitelijk neerkomt op een tijdelijke bezetting van Irak, is op dit kritieke moment van nul en generlei betekenis. Dat dit plan, ook in zijn embryonale fase, doet denken aan de eisen die een geheime annex in het Rambouillet-akkoord over Kosovo zes jaar geleden stelde aan de toenmalige Servische leider Slobodan Milosevic — namelijk het feitelijk opgeven van soevereiniteit — is zelfs geen gedachte waard. Dat Berlijn en Parijs mogelijk een sigaar uit eigen doos presenteren, omdat het zeer de vraag is of met name Duitsland wel in staat is de troepen voor Mirage te leveren, wekt slechts hoon.

De Navo is een onbeduidende partij geworden zonder eigen stem. Ze heeft dat grotendeels aan zichzelf te wijten. Sinds de uitbreiding met nieuwe leden uit het Oostblok is de alliantie in drieën gedeeld: het klassieke Europa, het oude Amerika en het nieuwe cordon sanitaire tussen euro-aziatisch Rusland en continentaal West-Europa. Binnen en tussen deze drie luiken is zelfs geen spoor van gedeelde motieven te bekennen, laat staan het begin van een gemeenschappelijke benadering.

Maar wat heeft het voor zin de geschiedenis als getuige te dagvaarden als een «preventieve oorlog» dreigt? Weinig. De breuk tussen Duitsland, Frankrijk en België enerzijds en de Verenigde Staten plus schoorvoetende medestanders anderzijds maakt nagenoeg alle historische analogieën bespottelijk. In Brussel is men niettemin naarstig op zoek naar een vergelijkbare crisis in het verleden. Charles de Gaulle is van stal gehaald, omdat de president begin jaren zestig een (mislukte) poging deed buiten de VS om een Europese defensiemacht op te bouwen en Frankrijk in 1966 uit het militaire commando van de Navo terugtrok. München 1938 is eveneens een geliefde metafoor: het beeld van laf talmen of dapper initiatief.

Beide voorbeelden snijden niet bijster veel hout. In de hoofdstad van Beieren stonden de geallieerden tegenover een moorddadig bewind. Maar dat regime was zo machtig dat de keuze tussen appeasement of oorlog niet alleen een morele, maar ook een praktische vraag was: kunnen we Hitler militair aan? Het antwoord van Chaimberlain was «nee». Hij is er tot in het graf mee achtervolgd, hoewel zijn opvolger Churchill beter wist. De Alleingang van De Gaulle speelde zich veertig jaar geleden ook af in een andere context. Vlak na de Cuba-crisis was de wereld nog altijd bipolair en iedereen aanvaardde die toestand tegen wil en dank. Alom werd ingezien dat preventieve actie neerkwam op zelfdestructie. Afschrikking was daarom het parool: dat kostte wat, maar was in de min of meer rationele geopolitieke verhoudingen van die dagen het geld waard.

Anno 2003 is er geen sprake van zo’n ratio. De «preventieve oorlog» tegen Irak wordt niet alleen gebaseerd op de feitelijke dreiging van Saddam Hoessein. De calculaties daarvan zijn tot nu toe allerminst eenduidig. Dat de Irakese leider naar de maatstaven van de internationale rechtsorde een crimineel is, staat buiten kijf. Dat hij zeker niet de enige is, is eveneens boven elke twijfel verheven. Maar zodra de concrete consequenties van de aanval op Irak aan de orde komen, spelen morele intenties op. Dan speculeert men op een positief domino-effect in het hele Midden-Oosten en zijn vraagtekens al snel defaitistisch.

De Duitse socioloog Max Weber zou met die denkschema’s wel raad hebben geweten: het is Gesinnungsethik, waar Verantwortungsethik toch ook is geboden. De koninklijke familie van Saoedi-Arabië heeft het in ieder geval goed begrepen. In Riyad wordt volgens The New York Times al maandenlang gedelibereerd over interne hervormingen die kroonprins Abdullah vilein «democratisch» noemt. De gevolgen van zo’n democratisering zijn volgens het hof nog vileiner: ze moeten het handvat worden om de Amerikaanse militaire aanwezigheid na een al decennia durend pact te staken.

Kortom, de dominostenen kunnen alle kanten op vallen. Als de aangekondigde oorlog inderdaad uitbreekt, dient zich inderdaad een nieuwe wereldorde aan.