Toch houd ik van hem

Zou een eigentijdse Emma Bovary zich minder drastisch in het ongeluk hebben gestort? Waarschijnlijk niet. De geheime kracht van het zwanedons op Emma’s pantoffeltjes is universeel.
WAT MADAME BOVARY beweegt om overspel te plegen en zich in de schulden te steken, zowel moreel als financieel, is geen mysterie - Flaubert heeft die neergang beschreven tot in elke nuance van hunkering, dweepzucht, verveling en teleurstelling. Nadenkend over Leon, haar tweede minnaar, schijnt het haar bij voorbeeld toe dat hij ‘even ver van haar afstaat als de anderen’.

Alsof hij maar een drogbeeld is; net als haar man, haar kind, en de rest van dat saaie dorp waar ze zich levend begraven voelt. ‘Toch houd ik van hem!’ zegt ze dan bij zichzelf.
Niet alleen omdat ze van die fantasie over een grote hartstocht zo langzamerhand een gewoonte heeft gemaakt, maar ook omdat er geen weg terug is naar de realiteit. Daar heeft ze zelf wel voor gezorgd, door zich te verstrikken in een web van leugens. Ze is op dat punt in het verhaal nagenoeg failliet, in alle betekenissen van het woord, en zelfs zij - de boeienkoningin bij uitstek - kan niet langer ontkennen dat ze vastgelopen is.
Flaubert laat het dan ook niet bij die plichtmatige liefdesverklaring, waar elke overtuiging uit is weggesiepeld - 'Toch houd ik van hem!’ - en gunt zijn heldin één enkel moment van inzicht, precies als de hoop in wanhoop verandert.
'Wat deed het ertoe!’ - hoor je haar denken. 'Zij was niet gelukkig, was het nooit geweest. Waar kwam toch die ontoereikendheid van het leven vandaan, dat onmiddellijke bederf van alles waarbij zij steun zocht?… Niets was toch de moeite van het zoeken waard; alles was een leugen. Achter elke glimlach ging een geeuw van verveling schuil, achter elke blijdschap een vloek, achter elk genot een gevoel van weerzin, en de heerlijkste kussen lieten op de lippen slechts het onstilbaar verlangen naar een hogere wellust na.
Emma Bovary is, met andere woorden, een idealiste: meer in de ban van een idee dan gecharmeerd van de man waarop ze dat denkbeeld projecteert.
Maar wat denkt Leon ondertussen van háár?
Konden wij hem interviewen, dan zou hij waarschijnlijk wat mompelen over 'wisselende gevoelens’ of 'ambivalentie’. In oprechte verwarring. Want Leon weet niet wat hij van Emma moet vinden, en is ook eigenlijk te lui om daar bij stil te staan. Bij hun eerste ontmoeting, als de dokter en zijn vrouw net per koets in de nieuwe standplaats Yonville gearriveerd zijn, begint hij, een van die vage gesprekken’ met Emma, 'waarin de toevallig geuite zinnen steeds weer leiden tot dat ene middelpunt: wederzijdse sympathie’. En zonder het te merken, beweert Flaubert met een uitgestreken gezicht, zet hij dan zijn voet op een sport van Emma’s stoel. Een verhelderend staaltje van lichaamstaal. Alsof meteen duidelijk wordt dat hij in haar particuliere sfeer zal binnendringen, zonder dat de toekomstige geliefden zich nog van een flirtation bewust zijn.
LEON IS EEN jonge klerk, en zij is een mooie, getrouwde vrouw: aanvankelijk plaatst hij haar op een voetstuk. Maar als de affaire haar beslag krijgt, nadat Leon is verhuisd naar Rouen, hebben de machtsverhoudingen zich gewijzigd. Bij Emma krijgen de dromen over een meeslepender leven al een desperate ondertoon, terwijl Leon zich intussen heeft ontwikkeld tot een man van de wereld - althans, dat denkt hij graag.
Ze ontmoeten elkaar bij toeval in een loge van de opera, en Leon begint met veel gezag over muziek te praten, waarbij de namen van allerlei beroemde operazangers de revue passeren. Emma beantwoordt die bluf door zich quasi-blasé te laten ontvallen dat deze middelmatige provinciale voorstelling haar natuurlijk niet kan bekoren: 'God, nee! Niet echt!’ En daarna bestaan er eigenlijk alleen nog wat logistieke problemen. Hoe ze haar echtgenoot weer naar Yonville kunnen dirigeren bijvoorbeeld, terwijl Emma nog een paar dagen in de stad blijft. En hoe ze vervolgens hun eerste rendez-vous zullen arrangeren, achter de gesloten gordijntjes van een rijtuig.
'Toen hij haar terugzag na een afwezigheid van drie jaar vlamde zijn hartstocht weer op’, noteert Flaubert. 'Hij moest, dacht hij, nu echt alles op alles zetten om haar te bezitten. ’ Wat des te dwingender lijkt, omdat hij inmiddels onderkent dat ze eigenlijk een gemakkelijke prooi is, want: ,… hier in Rouen aan de haven, tegenover de vrouw van dat dorpsdoktertje, voelde hij zich volkomen op zijn gemak, er bij voorbaat van overtuigd dat hij zou imponeren.
Je zou kunnen zeggen dat Emma een buitenkansjevoor hem vertegenwoordigde: een aantrekkelijke vrouw met wie hij niet hoefde te trouwen, en voor wie hij ook niet hoefde te betalen, omdat ze nog net geen hoer was, zodat hij zich wel een dief van zijn eigen portemonnee moest voelen als hij dat presentje liet liggen. Van enige morele bekommernis ontbreekt ieder spoor.
Leon wijdt geen enkele gedachteaan de bedrogen echtgenoot, of aan de gevolgen voor Emma mocht haar bedrog uitlekken. Hij is passief en laat zich haar attenties aanleunen. 'Meer alsof hij haar maitresse was, dan zij de zijne ’, zoals Flaubert opmerkt. Tot juist dat aspect van de verhouding Leon begint te benauwen, want hij stoort zich aan haar tranen en overdreven gevoelsuitbarstingen. Wat een vluchtige liaison had moeten blijven, ontaardt in een wederzijdse verslaving, die tenslotte niet alleen haar maar ook hem zal schaden - zo vreest Leon.
Ze infecteert hem met haar hysterische behoefte om alle voorzichtigheid te laten varen, maar hij blijft nuchter genoeg om dat als een gevaar te zien: terwijl zij hooghartig op een frontale botsing met kleinburgerlijke noties afstevent, ontwaakt bij hem het instinct tot zelfbehoud. Zulke mateloosheden had hij beslist niet bedoeld en hij gaat ervandoor, stilletjes, als een dief in de nacht.
De vraag die zich dan voordoet is: heeft Leon inderdaad iets gestolen, en zo ja, wat was dat dan? De eer en de reputatie van Emma misschien?
Nee, want Flaubert moraliseert niet over zijn personages en haar eer interesseert hem voor geen millimeter, evenmin als de gekwetste gevoelens van dokter Bovary. Wat hij blootlegt, is hoogstens het psychologische mechanisme van de verveling en de innerlijke leegte, alsof het een tijdbom is die wel móet leiden tot een explosie, en vervolgens tot het besef dat je de conventie niet kunt opblazen - ook niet met emotioneel dynamiet. Of, zoals hij het formuleert: dat het plegen van overspel even 'platvloers ’ is als het huwelijk waarvoor het een ontsnapping had moeten zijn.
Nee, wat Leon steelt, is haar laatste hoop.
BEKIJK JE DEZE klassiek geworden literaire driehoek vanuit de historie en de sociologie, dan zou je je kunnen afvragen of het verschil had gemaakt als Emma Bovary zich de macht had kunnen toeëigenen die ze in dit boek steeds bij een minnaar hoopt te vinden. Zou een eigentijdse Emma zich minder drastisch in het ongeluk hebben gestort, omdat ze haar energie ook in andere banen kon leiden? Voor een antwoord op die vraag hoef je maar even om je heen te kijken, in je eigen kennissenkring, om te weten dat er niet zo gek veel veranderd is.
Een Emma van nu zou waarschijnlijk even verslingerd zijn aan haar soapseries op RTL4 als Madame Bovary aan haar dames lectuur: gedreven door dezelfde knagende onvrede. Maar als die hunkering eenmaal in daden werd omgezet, zou er wel degelijk een stijlverschil optreden.
Want Flaubert was een goede waarnemer en mensenkenner, maar zijn personages zijn nog niet gewend om zichzelf en de anderen in psychologische termen te verklaren en te ontleden - die vaardigheid is iets van onze tijd. Het is ook een manier om de 'schuldvraag’ te omzeilen, even effectief als de tactiek van Emma en leon, die de morele dilemma’s gewoon buiten beschouwing lieten: je kunt ze therapeutisch verwoorden en zodoende neutraliseren.
Lees je moderne schrijvers over ontrouw, zoals Marjo van Soest (in Over de regels van het Spel) of Renate Rubinstein, dan gaat het al gauw over de onbewuste motieven achter de leugens en het zelfbedrog, die natuurlijk maar al te voorspelbaar zijn, en ongeveer even opwindend als een repeterende breuk. Terwijl de betovering van zo'n intermezzo - het gelukzalige stadium waarin de geliefden hun gevoelens nog niet wantrouwen, althans niet openlijk - er maar bekaaid afkomt.
Flaubert daarentegen heeft geen schroom om de pantoffeltjes te beschrijven die Emma van Leon had gekregen: roze satijnen niemendalletjes met een randje van het fijnste zwanedons. En ook hoe overmoedig ze lachte, 'als de champagne over de rand van het ranke glas stroomde, langs de ringen aan haar vingers. 'Want om die schaarse momenten gaat het toch, ook al berusten ze op niets en leiden ze tot verderf. Als die er niet waren, zou niemand nog de moed of de behoefte hebben om overspel plegen. En dat laatste is bepaald niet het geval, zoals we allemaal weten. Tot onze schade en schande.