Interview Hans van Straten

«Toch is mijn bewondering voor Hermans groot»

Opgejaagd door winstbeluste uitgevers werd Hans van Straten bij het schrijven aan zijn Hermans-biografie getroffen door een herseninfarct. Aan zijn actief publicerende periode kwam abrupt een einde. Met zijn vrouw als geheugensteun reconstrueert de gevierde journalist annex literator de moeizame relatie met Hermans.

Zondagmiddag, in Utrecht bij Hans van Straten thuis. Met Joke, echtgenote, gebruikt hij de lunch. We spreken over de Hermans-biografie. «Het vervelende was dat Hans net voordat het klaar was dat herseninfarct kreeg», zegt Joke. «Tot zijn grote ergernis staat het stikvol met fouten.»
Hans: «Dat valt wel mee, hoor.»
Joke: «Dat zei je zelf altijd: het staat stikvol met fouten. Toen onze zoon Erik het las, haalde hij er al meteen fouten uit. Namen die je verkeerd had geschreven. Dat geeft niet, het boek was gewoon nog niet af. Maar ze moesten het per se uit je handen rukken. Perry Pierik van uitgeverij Aspekt, en Martin Ros net zo goed. Je moest opschieten. Het moest klaar zijn voor de boekenweek. Toen heb je dat infarct gekregen, met oud en nieuw.»
Hans: «Het was het idee van Ros en Pierik om dat boek te schrijven. Ik ging er volledig in op. Tot aan die nieuwjaarsnacht. Ik had een zwarte droom.»
Joke: «Het is zeker gekomen door het harde werken eraan. De volgende ochtend na oud en nieuw, hij wenste mij niet eens gelukkig nieuwjaar. Hij zat maar achter die computer. Want Martin Ros had gezegd dat hij nog een nawoord moest schrijven. Hij moest en zou het afmaken. Ik heb de huisdokter gebeld. Die zei: hij is gewoon wat overwerkt. Later bleek het een infarct te zijn.»
Hans: «Maar waarom ik vooral boos ben op Perry Pierik is omdat hij meteen zeven drukken had gemaakt. Dat leek hem goed koper. Zodoende kon ik de fouten er niet meer uithalen.»
Joke: «Wat dat betreft is het goed dat het nauwelijks is verkocht. Het is overal zo door de stront gehaald.»
Hans: «Ik heb er toch 25.000 gulden mee verdiend. Zo slecht kan het toch niet zijn.»

Boven is zijn werkkamer, afgeladen met boeken. Ruim 35 jaar (1950-1985) besprak Hans van Straten (1923) literatuur. Eerst voor Het Vrije Volk en na een gedwongen afvloeiing, vlak voor de ondergang van die krant, vanaf begin jaren zeventig voor het Utrechts Nieuwsblad. Als hij het recenseren moe was, vatte hij journalistieke klussen op. Rechtbankverslagen, maar liever nog moorden. «Ik weet nog dat het tweede kerstavond was en ik net de eerste aardappel naar mijn mond bracht», zegt Van Straten. «Er werd gebeld door de nieuwsdienst. Een half uur later was ik met de fotograaf op weg naar Zevenaar. Daar in de buurt had een man zijn vrouw vermoord. Ik voelde me er niks te goed voor. Het was juist spannend, dat werken tegen het horloge op, want het stuk moest natuurlijk voor half elf worden doorgebeld.» In 1964 publiceerde hij Moordenaarswerk, een kroniek van 120 Nederlandse moordzaken, een klassieker waarin een aantal vergeten Hollandse moordzaken (van de Moedermoord te Peperga tot de zaak-Magere Josje), de periode 1844-1964 omspannende, treffend geboekstaafd werd.
In de oorlog had de jonge Van Straten — zoon van een architect die onder meer de Leidse professorenbuurt ontwierp — omgang met de latere Achterberg-adept Jan Vermeulen. Met Jan Vermeulen en diens kompaan Jan Zitman trok Van Straten naar Amsterdam — in een open goederenwagon, schuilend onder zeil — alwaar hij een belangrijke rol speelde bij de totstand koming van vernieuwingsgezinde periodieken als Columbus en Podium.
In 1944 publiceerde Van Straten in de door hemzelf en Vermeulen geïnitieerde Molenpers, waar ook Achterberg zijn Morendo deed verschijnen, een dichtbundel: Tot nader order, twee jaar later gevolgd door Herfst in Holland, met onder meer de verzen «De roversbende» en «Kleine elegie» die soms nog in een bloemlezing opduiken. Van Straten: «Ik wilde dat dichten weleens proberen. In de oorlog had je ook niet veel anders te doen. Een groot succes is het niet geworden.» Hij pakt er originele exemplaren van het clandestiene tijdschrift Parade der Profeten bij, waarin hij publiceerde. Daarop volgt het verhaal van zijn arrestatie. «Acht maanden heb ik gevangen gezeten, hier in Utrecht. Voor het ronddelen van een illegaal blaadje. Ik zou spoedig terechtstaan, maar Dolle Dinsdag brak uit, waarop het Duitse gerecht hier de benen nam.» 10 Maart 1945 was hij vrij man.
Na de oorlog studeerde Van Straten af als jurist, met Indisch landrecht als specialisatie. Hij stond op het punt uitgezonden te worden toen Nederland de kolonie kwijtraakte. Van Straten koos voor de journalistiek. Gedurende zijn carrière publiceerde hij een twintigtal boeken, waaronder enkele bloemlezingen, met de alom geprezen biografie van H.N. Werkman als hoogtepunt. Faam boekte Van Straten ook met De omgevallen boekenkast, een in 1987 in Privé-domein verschenen verzameling dagboekaantekeningen, anekdotes en aforismen die in de jaren zeventig reeds als losse cahiers waren verschenen, destijds uitgebracht door huisantiquariaat Quasimodo waarover hij zelf de scepter zwaaide. Het recensentenvolk was enthousiast, behalve Diny Schouten in Vrij Nederland: «De ongedateerde, nauwelijks geordende aantekeningen kregen onder lettrés de reputatie iets heel bijzonders te zijn», schreef zij. En: «De omgevallen boekenkast is buitengewoon snobbish (…).» Van Straten liet dat niet over zijn kant gaan en publiceerde het schotschrift Het draaikontje van VN’s boekenbijlage.
In 1994 bracht Van Straten een Multatuli-biografie uit, waaraan hij in het diepste geheim had gewerkt, om Hugo Brandt Corstius, die dat boek al jaren aankondigde, te vlug af te zijn. «Met een overbodige biografie slaat de wraak op de schrijver terug», aldus een der besprekers.

In zijn hoedanigheid van redactiesecretaris van Podium maakte Van Straten kennis met Willem Frederik Hermans, en mocht hij zich tot diens intimi gaan rekenen omdat hij de controversiële roman Ik heb altijd gelijk, met daarin de bekende schoffering van het rooms-katholieke volksdeel, durfde voor te publiceren.
Joke: «Vroeger zijn we dik bevriend geweest met Wim en Emmy. Met het Boekenbal sliepen ze altijd bij ons. Hun zoon Ruprecht was net zo oud als onze Erik, die jongens logeerden vaak bij elkaar. Kwam Wim Erik ophalen, vanuit Groningen helemaal naar Amsterdam. Ruprecht was enig kind dus die vond dat altijd wel leuk. We spreken Emmy en Ruprecht nooit meer. De laatste keer dat we ze zagen was in het Letterkundig Museum, zo’n tien jaar geleden. Op een of andere manier hebben we ruzie met ze gekregen, we weten zelf niet eens hoe het gekomen is. Wim heeft zich waarschijnlijk toch geërgerd aan een stukje uit een brief van Hans.»
Hans: «Dat valt uit de correspondentie niet op te maken. Kort na onze breuk is hij ook overleden.»
Joke: «Nee, hij heeft nog een paar jaar geleefd, Hans. Nadat ze naar Brussel waren verhuisd, kwamen ze nog hier. Hij moest iets doen op de universiteit, toen heb jij hem nog weggebracht. Kun je je dat nog herinneren?»
Hans: «Dat klopt ja.»
Joke: «Hij moest een lezing houden. Ze woonden net in Brussel. Jullie moeten gauw een keer komen kijken, zei Emmy nog. Dat is dus nog gebeurd. We hebben ze daarna nooit meer gezien. Dan maar niet, dacht ik. Als het toch zo moet. Hans denkt dat hij met Emmy gebrouilleerd is vanwege die passage in het interview waarin Wim vertelt over het tonen van zijn geslacht aan een nichtje. Ik geloof daar niks van.»
Hans: «Wat zou het dan wel zijn?»
Joke: «Waarschijnlijk dat jij niets van je hebt laten horen toen hij overleed.»
Hans: «We ontvingen niet eens een overlijdensbericht. Volgens mij zat het dieper, ging het om een minder lovend stukje dat ik al veel langer geleden in Maatstaf had geschreven. Hij had, in een stukje ergens, een soort samenvatting gegeven van het leven van Paul Léautaud. Maar hij beschreef het leven van Stendhal! Hij had twee biografen door elkaar gehaald die hij gelijktijdig had gelezen. Dat schreef ik op in Maatstaf.» Joke: «Dan is dat het natuurlijk geweest.»
Hans: «Toch is mijn bewondering voor Hermans groot.»
Joke: «Ik vind een heleboel van die boeken niks aan, dat zal wel aan mij liggen.»
Hans: «Hij heeft een groot deel van mijn leven opgeëist.»
Joke: «Ach, je hebt veel meer gedaan. Je vriendschap met Max de Jong, je correspondentie met Ab Visser. Ab was veel meer een echte vriend.»

Joke: «Toen Hans in 1995 die bundeling interviews uit wilde brengen, kregen we een brief van een advocaat. Ruprecht, die rechten heeft gestudeerd, zat erachter. Dat is toch idioot, we hebben hem van jongs af aan gekend.»
Hans: «Die advocaat ging dus in mijn correspondentie met Hermans neuzen, in de hoop iets te vinden. Maar integendeel stuitte hij op de volgende passage.» Hij schraapt zijn keel. «Hier schrijft Hermans: ‹Het lijkt mij billijk dat jij het honorarium krijgt mits jij het typewerk doet of laat doen. Alleen wil ik wel graag dat met de toekomstige uitgever een regeling getroffen wordt waardoor ik mijn onkosten en eventueel kosten voor materiaal vergoed kan krijgen. Maar daar zal wel iets op te vinden zijn.› Hier geeft Hermans mij formeel toestemming om die gesprekken die in dat boekje staan, te publiceren.»
Joke: «Nou heb je toch een brief voorgelezen! Je kunt er niet zomaar uit voorlezen. Je moet uitkijken met die familie, Hans.»
Hans: «Zou dat ook inbreuk op de auteurswet zijn?»
Joke: «Je kunt het misschien beter in eigen woorden navertellen.»
Hans: «Het is bij voorbaat kansloos Emmy en Ruprecht om toestemming te vragen mijn correspondentie met hem te publiceren, hoe graag ik dat ook zou willen.»
Joke: «Ze hebben nu een officiële biograaf, die Willem Otterspeer. Die mag wel overal inkijken.»
Hans: «Hij kan wel kijken, maar hij mag niet citeren uit brieven van hem aan mij, dat heb ik me voorgenomen. Ik ken die Otterspeer niet. Waarschijnlijk heeft hij Hermans nooit ontmoet. Die mensen op het Hermans-instituut hebben hem uitgekozen. Ik heb nooit contact gehad met dat instituut. Ik heb geen idee wat er in die geheime kisten zit waar hij dan in mag kijken. Brieven waarschijnlijk. Misschien zit er helemaal niks in.»
Joke: «Volgens mij zijn het doodgewone verhuisdozen. Toen hij van Parijs naar Brussel ging, heeft hij het al naar het Letterkundig Museum gebracht. Het nam ook zoveel plaats in.»
Hans: «Maar toen Wim was overleden, heeft Emmy die kisten weer opgehaald. Ze staan nu waarschijnlijk nog bij haar in Broek in Waterland. Zullen we samen die kisten gaan jatten?»

In 1995 publiceerde Van Straten een in 1962 gehouden marathoninterview met de pas overleden Hermans, getiteld Ze zullen eikels zaaien op mijn graf. Destijds had Van Straten niets met de openhartige gesprekken gedaan («Hij vertelde mij dingen die hij later achter zijn kiezen zou houden», aldus Van Straten in de inleiding) omdat zij door slechte apparatuur en Hermans’ donderende rokershoest niet te beluisteren waren.
Moderne techniek maakte het afluisteren toch mogelijk, tot afgrijzen van weduwe Emmy Meurs en zoon Ruprecht Hermans. Van Straten kreeg een advocaat op zich afgestuurd, doch door een passage in een van de vele brieven die hij met Hermans wisselde, waarin publicatie van de gesprekken overeengekomen werd, kon deze niets uitrichten.
Toen Van Straten zich in 1998 aan zijn Hermans-biografie zette, brak het auteursrecht, waar de weduwe immer streng op toeziet, hem lelijk op. Het was hem verboden te citeren uit welke door Hermans geschreven bron dan ook, zelfs de correspondentie die hij jarenlang met Hermans voerde was verboden terrein.
Dit, gecombineerd met het hoge tempo waarin het boek eruit geramd moest worden, bezorgde Hermans, zijn tijd, zijn werk, zijn leven een middelmatige status. Terwijl Van Straten eraan werkte, werd hij getroffen door dat herseninfarct. Sedertdien is hij tot weinig meer in staat.
Hij schuifelt naar de kast en haalt de correspondentie met zijn voormalige vriend, die om onduidelijke redenen de vriendschap verbrak, te voorschijn. Van Straten: «Ik denk niet dat als jij iets citeert, dat je daar herrie mee krijgt. Je kunt ook zeggen dat je die brieven in het Letterkundig Museum hebt gezien, want de kopieën hiervan liggen daar ter inzage. Het is toch krankzinnig, ik heb ze zelf geschreven. Het liefst zou ik er een boekje van maken. Dat mag natuurlijk niet. Schrijf gewoon wat over. Lees op voor je dictafoon. Ga maar beneden zitten, schrijf maar hier en daar wat over. Gewoon een paar zinnetjes.»