Interieurpornografie

Toch maar een boompje tussen de schuifdeuren

Mensen moeten vorm geven aan het leven en dus ook aan hun interieur. Daar zijn bladen voor, die ideeën leveren en, vooral, de zinnen prikkelen. Toon mij uw tweezitsbank en ik vertel u wie u bent.

MIJN HELE LEVEN ben ik al verslaafd aan de consumptie van woonbladen, ik kan snoepen van de afbeeldingen van droomhuizen en droominterieurs alsof het Belgische bonbons zijn. Propvol lege calorieën, waar je dik en sloom van wordt en die je altijd achterlaten met een onvoldaan gevoel, want het Ultieme Interieur - de sublieme fotoreportage die aan elk verlangen een eind maakt, omdat alles in zo'n huis precies beantwoordt aan een soort geheime fantasie die opeens tot leven komt - blijft ongrijpbaar. De mode verandert voortdurend, en wat je gisteren nog prachtig vond vertoont vandaag al weer een paar onvolkomenheden. Al is het maar omdat er zo veel keus is.
Het reusachtige hemelbed in koloniale stijl, omhangen met transparante draperieën van hagelwitte voile, die koel opwaaien in de bries die door een openstaand raam naar binnen komt, kan je wel eventjes bekoren, maar die betovering wijkt al gauw voor nieuwe beelden en andere concepten, die minstens zo begeerlijk lijken. De antieke bedstee in een liefdevol verbouwde boerderij in Overijssel bijvoorbeeld, die helemaal volgestouwd is met gehaakte spreien en gebloemde kussentjes in alle tinten blauw. Knus en lekker veilig, daar zou je meteen wel in willen duiken! Of is dat boerse juist oubollig, ben je daar snel op uitgekeken, en moet je de voorkeur geven aan een sobere futon, rood gelakte bijzettafeltjes, rieten matten en één enkele bloeiende tak in een Japanse vaas?
Te gemaniëreerd misschien, dat laatste, te ‘bedacht’?
Tja, het blijft tobben. En als je toevallig eens een interieur ziet dat volmaakt in evenwicht is, door een schijnbaar nonchalante, ongezochte combinatie van oud en nieuw, antiek en design, inheems en exotisch, blijkt bij nadere beschouwing dat die inrichting veel van zijn charme ontleent aan de architectuur van de ruimte waarin die elementen staan opgesteld, aan de elegante raampartijen en de zeventiende-eeuwse vloerdelen van zo'n riante slaapkamer in - pakweg - een Frans kasteeltje of een Engels landhuis.
Dat is typisch zo'n voorbeeld van een interieur dat wel afgunstig maakt - daarop is het dan ook geselecteerd - maar onmogelijk geïmiteerd kan worden, alsof de verborgen terechtwijzing van de betere woonbladen altijd luidt: don’t try this at home, in je eigen driekamerflat of rijtjeshuis, daar heb jij het geld niet voor. Wat de extravagante glossy’s op dit gebied hun lezers voorschotelen, in tegenstelling tot de simpele formule die bladen als VT-wonen hanteren, zou je dus kunnen karakteriseren als interieurpornografie. Met de voyeuristische 'inkijkjes’ in de huizen van beroemde ontwerpers, toonaangevende kunstenaars en modekoningen in de dubieuze rol van centerfold: het equivalent van het gephotoshopte Playboy-model van de maand. Alleen bedoeld voor de minder bedeelde hunkeraars die thuis niet aan hun gerief kunnen komen.
Zulke interieurs lijken echt ('Hoe woont Yves Saint-Laurent?’ staat er bijvoorbeeld boven), maar zijn het niet.
Ik heb eens met de art director van zo'n glossy gepraat en hem gevraagd hoe hij aan zijn adressen voor een fotoreportage kwam. Die bleek hij in hoofdzaak te betrekken van professionele binnenhuisarchitecten, die hem tipten als de een of andere BN'er net zijn huis helemaal op de schop had laten nemen. Het was dan wel zaak om daags daarna toe te slaan, want een dergelijk totaalconcept is ontworpen en niet organisch gegroeid, zodat de persoonlijkheid van de bewoners er binnen de kortste keren doorheen begint te schemeren. Een allegaartje van kruidenpotjes neemt dan bezit van de minimalistische keuken, de vensterbank loopt vol met frutsels, en voor de open haard ligt ineens een kamelenzadel uit de erfenis van oma.
'We zijn soms wel een halve dag bezig om al die troep er weer uit te halen’, vertelde hij spijtig, 'want de mensen houden van gezelligheid, die vinden het oorspronkelijke concept te steriel, en dan zetten ze overal portretlijstjes met een foto van hun kleinkinderen neer. Dat ziet er niet uit.’

VOORAL in december, als de feestdagen eraan komen en familiebijeenkomsten de sfeer bepalen - of zouden moeten bepalen, want zo hoort dat - zie je in de woonbladen hoe er moeizaam geschipperd wordt tussen esthetiek, als min of meer algemeen aanvaarde norm van 'de goede smaak’, en de wens om van het interieur juist iets te maken dat intiem en onverwisselbaar is: het huis als zichtbaar verlengstuk van je eigen persoonlijkheid. En dat laatste vraagt nu juist niet om een gestandaardiseerde opvatting van wat 'mooi’ of 'lelijk’ is, maar vaart heel wel bij zo'n wildgroei van fotolijstjes, van monsterlijke kerststalletjes die elk jaar trouw uit het vloeipapier gehaald worden omdat ze nog van je overleden moeder geweest zijn, en van vettige boodschappenlijstjes en recepten voor kwarktaart op de deur van de ijskast.
Kijk, zegt zo'n verrommeld en met kunstsneeuw bespoten kerstinterieur tegen de onfortuinlijke passant die niet over een uitgebreide familie beschikt en met zijn koude neus tegen de ruit van die kerstetalage gedrukt staat: hier is het lekker warm, hier wordt tenminste geleefd, wij hebben het goed voor elkaar!
In de woonbladen uit dat verlangen zich in een zorgvuldig beheerst en gestileerd vertoon van overdaad: er hangt een hele rij rode kerstkousen aan de marmeren schouw, de antieke spiegel daarboven gaat bijkans schuil onder de kerstkaarten die in de lijst gestoken zijn, ergens prijkt een schaal met bepoedersuikerde soesjes, en er zitten heuse kindertjes onder de kerstboom. Het lijkt waarachtig wel een echt gezin!
De Franse socioloog Pierre Bourdieu heeft in zijn inmiddels klassiek geworden boek over smaak, La distinction, met name 'goede smaak’, geponeerd dat het altijd de elite is die op dat gebied dicteert hoe het - esthetisch gesproken - hóórt. De rest volgt. Je kunt nog zo verwoed streven naar een interieur dat tot uitdrukking brengt wie je 'echt bent’, heel authentiek 'jezelf’ dus, maar smaak is iets wat je niet van nature hebt: smaak is aangeleerd en wordt in hoofdzaak bepaald door de sociale klasse waartoe je behoort. En erger en ergerlijker nog: door de sociale klasse waartoe je ouders behoorden.
Heb je het geluk gehad dat je ouders behoorden tot de 'culturele’ elite, dan erf je op een vanzelfsprekende manier een kindsdeel van het culturele kapitaal dat zij hadden vergaard. Dat geldt niet alleen voor woninginrichting, maar voor alle andere smaakpreferenties die een mens heeft en met geld heeft dat slechts zijdelings iets te maken. Ook als het (ooit aanzienlijke) financiële familiekapitaal al lang in rook is opgegaan, zul je waarschijnlijk nog steeds van klassieke muziek houden (maar niet van alle klassieke componisten), over een onberispelijke boekenkast beschikken (waarin Kluun uiteraard ontbreekt, maar Thomas Mann beslist niet) en feilloos weten hoe je een tafel dekt en welke kunst je aan de muur wilt hebben.
Er valt op dit gebied wel iets bij te leren, maar dat is het moeilijkste en verraderlijkste wat er is, want als je te veel je best doet is het juist níet goed. Goede smaak, gevoed door de juiste culturele invloeden die je in je jeugd hebt meegekregen, ziet er namelijk altijd uit alsof het je moeiteloos is komen aanwaaien. En in feite is dat ook zo.
Zo bezien lopen de woonbladen per definitie altijd een paar passen achter, want die hebben de opzet om de smaak van de elite voor een grotere groep mensen toegankelijk te maken, maar zodra dat is gelukt, waardoor hun beschavingsarbeid zichtbaar wordt als modetrend, maakt de elitaire voorhoede zich geruisloos uit de voeten en legt de lat weer ergens anders, waardoor de zwoegende nouveaux riches uit het Gooi opnieuw het nakijken hebben.
Zo bezien is de naoorlogse eredienst die huis en haard heeft getransformeerd tot een ware interieurobsessie, bij de gratie van het feit dat de generatie van de wederopbouw, en vooral haar kinderen en kleinkinderen, opeens genoeg geld had om haar woninginrichting om de paar jaar integraal te vernieuwen, gebaseerd op een illusie. Het streven is naar persoonlijke expressie en zelfontplooiing, terwijl dat in de praktijk betekent dat iedereen dezelfde dingen koopt op de meubelboulevard. Nou ja, misschien niet precies dezelfde, want er bestaat zoiets als het snobisme van het marginale verschil: wie inmiddels zijn neus heeft leren ophalen voor het opulente meubilair van Jan des Bouvrie, en afscheid heeft genomen van het verplichte 'wit’, valt wel weer in de klauwen van een nieuwe dictator, die verkondigt dat olifantgrijs en 'greige’ bon ton zijn, opgevrolijkt door een ruime dosis bling-bling.

EEN DOLKOMISCH boekje, maar alleen geschikt voor mensen die wat zelfspot kunnen opbrengen, is Bauhaus, Our House van de Amerikaanse cultuurcriticaster Tom Wolfe, die daarin beschrijft wat het 'nieuwe bouwen’ destijds heeft aangericht in Amerika, toen dat land collectief in de ban kwam van voor de nazi’s gevluchte Bauhaus-architecten als Walter Gropius en Mies van der Rohe. Plotseling wilde iedereen modernistische gebouwen neerzetten in de vorm van een 'doos’, liefst met een plat dak - zie ook de heilig verklaarde creaties van onze eigen Gerrit Rietveld - met als onbedoeld gevolg dat al die gebouwen op den duur zo lek bleken te zijn als het spreekwoordelijke mandje. In Californië en Florida bleef de nieuwe hype relatief onbestraft, maar in alle Amerikaanse staten waar het ’s winters flink koud werd dreigden die daken te bezwijken onder dikke pakken sneeuw en sloeg de betonrot toe.
Uit die periode stamt ook de puristische overtuiging dat less is more, naar het bekende woord van Ludwig Mies van der Rohe, wat in Nederland leidde tot de stichting van voorlichtingscentra die Beter Wonen propageerden. Er zat er eentje in de Leidsestraat, kan ik me nog herinneren, en daar kreeg een waar beschavingsoffensief gestalte dat erop gericht was de arbeider te genezen van zijn voorkeur voor porseleinen herderinnetjes in een vitrinekast en roze Jordaan-lampenkappen met franje. Licht en lucht moesten binnendringen in de huizen van mensen die als kind niet waren gezegend met het bezit van 'kapitaal’ zoals Bourdieu die term definieert, of dat nu cultureel, sociaal of financieel kapitaal betrof, en zulke arme donders moesten dus hoognodig worden bijgeschoold. Een etage in een helder appartementengebouw van de Amsterdamse School was wat deze voorlichters als ideaal voor ogen stond, met ramen die zo hoog geplaatst waren dat arbeidersvrouwen niet langer over de vensterbank heen konden hangen om urenlang met de buurvrouw te roddelen, en waarin ook binnenshuis resoluut was afgerekend met een concept als 'gezelligheid’. Spaarzaam meubilair was beter voor de werkende klasse, minder onhygiënisch ook, wat in de praktijk neerkwam op het soort woninginrichting waar de firma’s Gispen, Pastoe en De Ploeg het patent op hadden. Linoleum op de vloer, een buffetje van gelakt staal met een reproductie van de zonnebloemen van Van Gogh erboven, of een houtsnede van Frans Masereel, en verder geen tierelantijnen.
In zijn hilarische analyse van de geest die in de jaren zestig en zeventig vaardig werd over diezelfde moeilijk opvoedbare arbeidersklasse, The Third Great Awakening, beschrijft Tom Wolfe vol leedvermaak hoe het zulke beschavingsoffensieven in Amerika is vergaan. De mensen hadden meer geld dan ooit tevoren, constateert hij, er was sprake van een ware happiness explosion na de Tweede Wereldoorlog, dus wat deden al die cultureel minder bedeelde proletariërs? Nou vanzelf: They took their money and ran!

MAAR JA, hoe je de kwestie ook benadert, sociaal-cultureel of psychologisch, het lastige feit blijft dat je vorm moet geven aan het leven en dus ook aan huis en haard. Wat dat betreft is het met interieurs net zo gesteld als met kleding: je moet nu eenmaal iets aan, en wat je ook aantrekt, die outfit zal altijd meer over jezelf verraden dan je lief is.
Dit jaar ga ik voor het eerst sinds lange tijd maar weer eens gewoon op de ouderwetse toer, heb ik me voorgenomen. Met een kerstboom(pje?) tussen de schuifdeuren, kerstkransjes van chocola en fondant aan de takken en enigerlei wildgebraad in de oven. Met cranberrysaus. Niet voor mezelf natuurlijk, stel je voor, maar voor de kleinkinderen, zodat ze later nog weten hoe dat was, zo'n oer-Hollandse, burgerlijke Kerst. En dan niet vergeten om ook wat kerststerretjes onder de boom te leggen, want dat vond ik als kind het allermooiste: het wonder van koudvuur, en mijn moeder die dan altijd riep dat zulke vonken óók gemene brandgaten in het tafelkleed konden maken. Want ook sentimenteel kapitaal is heel wat waard.